De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 maart 2022 het verzoek tot overlevering van een persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. De opgeëiste persoon werd verdacht van betrokkenheid bij een cannabisplantage, handel in cannabis en diefstal van elektriciteit.
De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende duidelijkheid bood over de mate van betrokkenheid en dat de opgeëiste persoon mogelijk als katvanger werd gebruikt. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB en het bijbehorende A-formulier voldoende feiten en betrokkenheid omschreven, zodat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. De verdediging werd in haar primaire verweer verworpen.
De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten voorkomen op de bijlage 1 van de Overleveringswet en dat de uitvaardigende lidstaat een straf van ten minste drie jaar kan opleggen. De gevraagde garantie dat de opgeëiste persoon in Nederland zijn straf kan uitzitten werd als voldoende beoordeeld.
Ook werden de detentieomstandigheden in België onderzocht. De rechtbank nam de algemene garantie van de Belgische autoriteiten over dat de opgeëiste persoon niet in onmenselijke omstandigheden zal worden vastgehouden, waarmee een reëel gevaar op vernederende behandeling werd weggenomen.
Gelet op het voorgaande en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.