De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 maart 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse opgeëiste persoon aan België, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Antwerpen. Het EAB betreft twaalf diefstallen van voertuigen, gepleegd op verschillende data en locaties, waarbij de opgeëiste persoon deel zou hebben uitgemaakt van een Nederlandse dadergroep.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de vereisten van de Overleveringswet, met voldoende omschrijving van de feiten, betrokkenheid, tijd en plaats. De verdediging voerde aan dat de omschrijving onvoldoende was, maar dit werd verworpen. De strafbare feiten zijn opgenomen in bijlage 1 van de OLW, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft.
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit; de Belgische autoriteiten gaven garantie dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten. Tevens is een algemene detentiegarantie gegeven dat detentieomstandigheden in België voldoen aan de normen van het CPT, en dat de opgeëiste persoon niet in onmenselijke omstandigheden zal worden vastgehouden.
Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en de naleving van het specialiteitsbeginsel, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.