Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Inleiding
3.Tenlastelegging
4.Waardering van het bewijs
(compilatie camerabeelden vanaf minuut 3:52 min). Vervolgens rent verdachte terug naar de ruziënde menigte met een voorwerp in zijn broeksband
(4:54 min). Opvallend is daarbij dat verdachte voortdurend zijn rechterhand op de plaats van het voorwerp houdt. In zijn linkerhand houdt hij een telefoon vast. Wanneer verdachte terug bij het opstootje komt, is te zien dat hij na enkele seconden het voorwerp met zijn shirt bedekt, richting de groep loopt en zich tussen daar aanwezige mensen beweegt
(5:00 min). Vlak daarna komt [medeverdachte] in beeld en zij hebben zichtbaar contact. Verdachte en [medeverdachte] staan daarbij dicht tegenover elkaar en [medeverdachte] kijkt naar beneden in de richting van de broekband
(5:09 min). [medeverdachte] richt zich daarna tot het slachtoffer terwijl verdachte een stap achteruit doet en naar [medeverdachte] kijkt (
5:12 min).Vrijwel direct daarna richt [medeverdachte] een vuurwapen op [slachtoffer] en kort daarop volgt een schot (
5:13 min). Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank bewezen dat wat verdachte uit de auto haalde, een vuurwapen was. Die conclusie wordt ook ondersteund door wapendeskundigen van de politie. De handelingen die verdachte verricht komen volgens de twee deskundigen overeen met handelingen van een persoon die een vuurwapen hanteert.
Het door verdachte ter zitting aangedragen alternatieve scenario, inhoudende dat hij een klein tasje/portemonnee uit de auto is gaan halen en dat vlak na het schietincident in de parkeergarage aan zijn neef heeft afgegeven, vindt zijn weerlegging in de bewijsconstructie van de rechtbank dat het een vuurwapen was. Daarnaast geldt dat het alternatieve scenario onvoldoende is onderbouwd. Verdachte heeft pas ter terechtzitting een summiere omschrijving van het tasje gegeven en iedere mogelijkheid om nader onderzoek te kunnen doen is belemmerd. Verdachte geeft namelijk geen volledige naam op van deze neef en wil hem niet aanwijzen op de beelden.
5:21 en 6:04 min). Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat het voorwerp (het vuurwapen) dat hij daarvoor in zijn broeksband had aan [medeverdachte] is overgedragen.
Met betrekking tot het tweede moment valt uit de beelden op te maken dat [medeverdachte] achter verdachte aanloopt in de richting van de hellingbaan die naar niveau -2 van de parkeergarage leidt, de plek waar verdachte een vuurwapen uit zijn auto heeft gehaald. Op het moment dat [medeverdachte] op de hellingbaan arriveert is te zien dat verdachte snel langs hem heen terug rent, waarbij geen contactmoment tussen hen is waar te nemen. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat er contact of een vorm van samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] heeft plaatsgevonden tijdens het halen van het vuurwapen op de hellingbaan.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straf
9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
.
.
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
7 (zeven) jaar.
benadeelde partij [benadeelde 1]gedeeltelijk toe tot een bedrag van in totaal € 38.430,15 (achtendertigduizend vierhonderddertig euro en vijftien eurocent), bestaande uit € 18.430,15 (achttienduizend vierhonderddertig euro en vijftien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2019 (over het bedrag van € 11.215,15), 22 april 2020 (over het bedrag van € 4.015,-) en 26 mei 2020 (over het bedrag van € 3.200,-) tot aan de dag van algehele voldoening en € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 20 juni 2019 tot aan de dag van voldoening.
benadeelde partij [benadeelde 3]toe tot een bedrag van € 15.000,- (vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 20 juni 2019 tot aan de dag van voldoening.
benadeelde partij [benadeelde 2]gedeeltelijk toe tot een bedrag van in totaal € 23.275,- (drieëntwintigduizend tweehonderdvijfenzeventig euro), bestaande uit € 3.275 (drieduizend tweehonderdvijfenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 20 juni 2019 tot aan de dag van voldoening.