Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:5924

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 augustus 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
13-751308-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Europees aanhoudingsbevel wegens reëel gevaar schending grondrechten bij detentie in Griekenland

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Griekenland. De opgeëiste persoon, van Bulgaarse nationaliteit, werd verdacht van strafbare feiten en de rechtbank onderzocht zijn identiteit en de inhoud van het EAB.

Na een tussenuitspraak waarin het onderzoek werd geschorst vanwege onzekerheid over de detentieomstandigheden in de Griekse gevangenis van Komotini, werd aanvullende informatie opgevraagd. De Griekse autoriteiten gaven tegenstrijdige verklaringen over de minimale ruimte per gedetineerde, waarbij een garantie van 3 m2 werd gegeven, maar later werd verklaard dat deze garantie niet door een bevoegde instantie was verstrekt.

De rechtbank oordeelde dat het reële gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon niet kon worden uitgesloten en dat de redelijke termijn voor het verstrekken van voldoende informatie was overschreden. Op grond van artikel 28, derde lid, Overleveringswet (OLW) besloot de rechtbank daarom geen gevolg te geven aan het EAB en hief zij de geschorste overleveringsdetentie op.

Uitkomst: De rechtbank weigert overlevering wegens reëel gevaar van schending van grondrechten door ontoereikende detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-751308-21
RK nummer: 21/1817
Datum uitspraak: 24 augustus 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2021 door
the Prosecution Service at the Court of Appeal of Thrace(Griekenland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeeiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1992,
opgegeven adres: [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 8 juni 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juni 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. P.H.L. Souren, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 22 juni 2021
Op 22 juni 2021 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen, waarin zij het onderzoek heeft heropend en geschorst in afwachting van nadere informatie over de detentieomstandigheden waaraan de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering zal worden blootgesteld.
Zitting 10 augustus 2021
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 10 augustus 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon, aanwezig via een telefonische verbinding, is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Bulgaarse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 22 juni 2021

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3306), waarin zij (onder 3) de grondslag en de inhoud van het EAB heeft beoordeeld, waarin zij (onder 3.1) heeft overwogen dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro niet aan de orde is en waarin zij (onder 4) de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen en met betrekking tot ‘Detentieomstandigheden’ (onder 7) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 22 juni 2021 overwogen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst in de detentie-instelling in Komotini en dat in die detentie-instelling niet voldaan wordt aan het vereiste van minimaal 3 m2
personal spaceper gedetineerde in een meerpersoonscel (zoals bepaald in het arrest
Dorobantuvan het Hof van Justitie EU, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857), zodat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een reëel gevaar van schending van artikel 4 Handvest Pro in geval van overlevering aan Griekenland. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om een eventuele wijziging in de detentie-omstandigheden af te wachten.
Bij brief van 16 juli 2021 heeft
the Public Prosecution Office of Appeals of Thracede volgende informatie verstrekt:
In continuance to your document dated 14-7-2021, we would like to ask you to inform the Dutch Authorities that if the requested [opgeeiste persoon] is surrendered to our Country, in execution of the EAW with ref. no. 4/2021 of the Public Prosecutor of Appeals of Thrace, he will be detained at the Detention Facility of Komotini, in a cell of at least 3 square meters.
Hierop heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) te Amsterdam gevraagd of deze ruimte van 3 m2 in- of exclusief sanitair was.
Bij e-mail van 9 augustus 2021 heeft een
senior legal officervan Eurojust namens een Griekse collega – kort gezegd – laten weten dat de garantie van 16 juli 2021 niet is verstrekt door een daartoe bevoegde instantie.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – bij deze stand van zaken – de overlevering dient te worden geweigerd. De officier van justitie heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt het volgende.
Artikel 11, eerste lid, OLW luidt als volgt:
Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.
Artikel 28, tweede en derde lid, OLW luiden als volgt:
Bevindt de rechtbank, hetzij dat het Europees aanhoudingsbevel niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, hetzij dat de overlevering niet kan worden toegestaan, hetzij dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, dan weigert zij bij haar uitspraak de overlevering.
In andere dan de in het tweede lid voorziene gevallen staat de rechtbank bij haar uitspraak overlevering toe, tenzij zij van oordeel is dat met toepassing van artikel 11, eerste lid, geen gevolg dient te worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel ingevolge artikel 13 de Pro overlevering dient te worden geweigerd.
De rechtbank stelt vast dat de behandeling bij tussenuitspraak van 22 juni 2021 is aangehouden om de Griekse autoriteiten in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over de omstandigheden in de detentie-instelling in Komotini. Daarop is enkel tegenstrijdige informatie verstrekt, te weten: eerst een garantie dat de opgeëiste persoon in genoemde detentie-instelling minimaal 3 m2
personal spacetot zijn beschikking zal hebben, gevolgd door het bericht dat aan deze garantie geen waarde kan worden gehecht omdat de garantie niet door een daartoe bevoegde instantie is verstrekt.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) overwogen dat de redelijke termijn waarbinnen het reële gevaar voor een opgeëiste persoon moet worden uitgesloten, niet bedoeld is om de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid te stellen om in de toekomst de detentiecapaciteit uit te breiden en de algemene detentieomstandigheden te verbeteren, maar om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen om bij de huidige detentiecapaciteit en onder de huidige algemene detentieomstandigheden aanvullende gegevens te verstrekken op grond waarvan het reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de vraag welke termijn als redelijk moet worden beschouwd niet in het algemeen is te beantwoorden, maar afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval.
De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat de redelijke termijn – met name gelet op de tegenstrijdige informatie die na de tussenuitspraak van 22 juni 2021 is verstrekt en gelet op het tijdsverloop – thans is overschreden. In dit kader is van belang dat de rechtbank, op grond van artikel 22, eerste lid, OLW, in beginsel binnen 60 dagen na aanhouding van de opgeëiste persoon uitspraak moet doen op het overleveringsverzoek. In bijzondere gevallen kan deze termijn met 30 dagen worden verlengd. Die verlenging heeft in deze zaak reeds plaatsgevonden.
De rechtbank acht de kans niet aannemelijk dat de Griekse autoriteiten binnen afzienbare tijd informatie zullen verstrekken op grond waarvan het reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar bevoegdheid om op grond van artikel 28, derde lid, OLW geen gevolg te geven aan het EAB.

5.Beslissing

BEPAALTdat geen gevolg wordt gegeven aan het EAB.
HEFT OPde geschorste overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.