De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 juli 2021 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB is uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten wegens een strafrechtelijk onderzoek naar een vermeend strafbaar feit volgens Pools recht, dat ook in Nederland strafbaar is als overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.
Hoewel de rechtbank eerder structurele gebreken in de Poolse rechterlijke macht heeft vastgesteld die het recht op een eerlijk proces kunnen aantasten, concludeert zij in deze zaak dat er geen concrete, op feiten gebaseerde aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt op schending van zijn grondrecht op een eerlijk proces in Polen. De verdediging voerde aan dat er conflicten zijn binnen de Poolse autoriteiten over de noodzaak van overlevering, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verlengde de beslistermijn om de zaak zorgvuldig te kunnen beoordelen, onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en stelde vast dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet. Gelet op het ontbreken van persoonlijke omstandigheden die het risico op een oneerlijk proces aannemelijk maken, en het feit dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.