Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde een klaagschrift ex artikel 552a Sv van klager tegen het beslag op contante geldbedragen van €191.611,75 en €200,-, in beslag genomen op 3 en 11 december 2019. Klager stelde dat het geld legaal was verkregen en verzocht om teruggave, terwijl het Openbaar Ministerie zich verzette vanwege een lopend onderzoek naar witwassen en het vermoeden van criminele herkomst.
Tijdens de raadkamerbehandeling verscheen klager niet, maar zijn raadsman gaf aan dat klager een verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld had gegeven. Het Openbaar Ministerie benadrukte dat het onderzoek nog gaande was, met onder meer een Europees opsporingsbevel naar Duitsland en Oostenrijk, en dat klager niet meewerkte aan het onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in deze beklagprocedure summier is en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het geld zal verbeurd verklaren. Gezien de omstandigheden, waaronder de wijze van verpakking en het grote bedrag in coupures van €500, achtte de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat verbeurdverklaring zal volgen.
Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd. Klager kan tegen deze beslissing beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het beslag op het contante geld blijft gehandhaafd.