ECLI:NL:RBAMS:2020:4841
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vergoeding voor onterechte voorlopige hechtenis na vrijspraak op Opiumwetverdenking
Verzoeker werd op 15 maart 2016 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Na een langdurig onderzoek en voorlopige hechtenis van in totaal 101 dagen, werd hij op 20 augustus 2019 door de meervoudige kamer van de rechtbank vrijgesproken. Verzoeker diende vervolgens een verzoek in tot vergoeding van de schade die hij door de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis had geleden, alsmede de kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De officier van justitie verzette zich tegen toekenning van de vergoeding, stellende dat er sprake was van schuldvermoedens en een verwijtbare proceshouding, mede vanwege het gebruik van het zwijgrecht door verzoeker. De rechtbank oordeelde echter dat de onschuldpresumptie bij een onherroepelijke vrijspraak in de weg staat aan het meewegen van verdenkingen en dat het recht om te zwijgen niet tot afwijzing van het verzoek leidt.
De rechtbank kende een vergoeding toe van €8.580,- voor de 3 dagen in verzekeringstelling op het politiebureau en 98 dagen in het huis van bewaring, inclusief 17 dagen met beperkingen, conform de standaardvergoeding per dag. Tevens werd €550,- toegekend voor de kosten van het verzoekschrift. De beslissing werd op 9 september 2020 in het openbaar uitgesproken door rechter H.E. Hoogendijk.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een vergoeding van €8.580,- voor de ondergane voorlopige hechtenis en €550,- voor de kosten van het verzoekschrift toegekend.