De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 augustus 2020 de vordering tot overlevering van een persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Trier in Duitsland. De opgeëiste persoon, geboren in 1990 en met de Marokkaanse nationaliteit, werd verdacht van veertien strafbare feiten volgens Duits recht, waaronder inbraak en diefstal.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de strafbedreiging in het EAB niet eenduidig was, doordat slechts één strafmaximum van tien jaar werd vermeld terwijl de feiten onder verschillende wetsartikelen vielen. De rechtbank vroeg de officier van justitie om nadere informatie bij de Duitse autoriteiten op te vragen over de strafbedreigingen per feit of kwalificatie.
De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en schorst de procedure voor onbepaalde tijd om deze aanvullende informatie te verkrijgen. Tevens werd bepaald dat de opgeëiste persoon en een Arabischtalige tolk opnieuw zullen worden opgeroepen voor een nader te bepalen datum. De uitspraak vond plaats in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte en de officier van justitie.