Een minderjarige veroordeelde werd door de kinderrechter veroordeeld tot een leerstraf van 40 uur wegens diefstal door twee of meer verenigde personen. Op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden werd een bevel tot afname van DNA-celmateriaal gegeven. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze afname en opname in de DNA-databank, stellende dat er geen sprake was van recidivegevaar en dat de maatregel disproportioneel was gezien zijn minderjarige leeftijd en positieve ontwikkeling.
De officier van justitie stelde het bezwaarschrift ongegrond, verwijzend naar het feit dat de leerstraf 40 uur bedroeg en dat de Raad voor de Kinderbescherming het recidivegevaar hoog inschatte. De rechtbank oordeelde echter dat, hoewel het bevel aan de wettelijke eisen voldeed, bijzondere omstandigheden zoals de minderjarige leeftijd, het geringe recidivegevaar en de positieve gedragsontwikkeling van de veroordeelde een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank overwoog dat de DNA-afname een inbreuk maakt op het recht op privacy en lichamelijke integriteit, maar dat deze inbreuk in principe gerechtvaardigd is. In dit concrete geval was de inbreuk echter evident disproportioneel. Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift gegrond en beval zij de vernietiging van het afgenomen celmateriaal. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel open.