De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court Warszawa – Praga. De zaak betreft een strafrechtelijk onderzoek naar illegale handel in verdovende middelen, waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar staat volgens Pools recht.
De opgeëiste persoon ontkende schuld, maar dit onschuldverweer werd niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank onderzocht tevens de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. Hoewel artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Overleveringswet (OLW) overlevering verbiedt indien het strafbare feit geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, werd van deze weigeringsgrond afgezien op verzoek van de officier van justitie, die stelde dat de drugs bestemd waren voor de Poolse markt en het Poolse strafrechtelijk onderzoek is gestart.
Vanwege zorgen over de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht en de rechtsstaat, zoals besproken in een eerdere tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2020:2938), besloot de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd te heropenen en te schorsen totdat de beantwoording van relevante vragen is ontvangen. De rechtbank beveelt tevens de oproeping van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk op een nader te bepalen datum.