Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Circuit Court in Poznań(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
LMvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 [2] .
2.Tussenuitspraak van 24 maart 2020
LMnog (onverkort) van toepassing is. Uit voornoemd arrest blijkt dat rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid essentieel zijn voor het vertrouwen tussen de EU-lidstaten waarop overleveringen zijn gebaseerd. In de zaak
LMheeft het HvJ in het midden gelaten of er een reëel gevaar dreigde dat het grondrecht op een eerlijk proces zou worden geschonden. Inmiddels heeft het HvJ in andere zaken betreffende Polen uitspraak gedaan op 26 maart 2020 [3] en 8 april 2020. Deze uitspraken nopen tot een minder terughoudende toets, al is het maar omdat er expliciete uitspraken zijn gedaan over én concrete stappen zijn genomen met betrekking tot de ontwikkelingen in Polen. Daarnaast heeft de Europese Commissie op 29 april 2020 een ingebrekestelling verzonden waar nader onderzoek naar wordt verricht. Volgens de verdediging blijkt uit de recente uitspraken dat het HvJ van oordeel is dat de onafhankelijkheid en
LM. Het HvJ biedt de rechtbank meer ruimte dan zij tot dusver heeft aangenomen, in het bijzonder omdat de derde stap naar het oordeel van de verdediging een minder grote belemmering is dan thans door de rechtbank wordt aangenomen. Het HvJ geeft weliswaar aan welke factoren van belang zijn in een onderzoek naar een reëel gevaar, maar zegt niets over hoe en wanneer dit precies moet leiden tot wel of geen weigering. Het lijkt er dus op dat de nationale rechter zelfstandig tot de conclusie kan komen om het EAB te weigeren, ongeacht het bewijs dat de opgeëiste persoon al dan niet levert.
LMvoortvloeien en óf er concrete informatie nodig is gelet op hetgeen over Polen is vastgesteld bij de beoordeling van de eerste twee stappen en gelet op de recente ontwikkelingen in Polen en de EU.
LMheeft het HvJ een beperkte uitzondering aangenomen op dit uitgangspunt. De rechtbank heeft op grond van het uit
LMvoortvloeiende toetsingskader geoordeeld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben.
LMis toegepast. De zaak is aangehouden om – naar aanleiding van de verklaringen van de opgeëiste persoon – te onderzoeken of hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Niet valt in te zien hoe deze tussenuitspraak tot de conclusie zou kunnen leiden dat de aangevende of initiërende rol van de opgeëiste persoon zou moeten verschuiven naar het Openbaar Ministerie en/of de uitvaardigende justitiële autoriteit.
LM.
LM) zou moeten verschuiven naar het Openbaar Ministerie en/of de uitvaardigende justitiële autoriteit. Deze ontwikkelingen bevestigen slechts dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben.
LMis voldaan en dat pas nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden gesteld over eventuele tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen jegens Poolse rechters bij de gerechtelijke instantie die in eerste aanleg of in hoger beroep over de strafzaak van de opgeëiste persoon zullen oordelen, als de opgeëiste persoon nadere gegevens heeft aangevoerd over zijn persoonlijke situatie die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is. Vervolgens wordt beoordeeld of aan stap 3 van het toetsingskader uit
LMwordt voldaan.
Sąd Najwyższy – Izba Pracy i Ubezpieczeń Społecznych(hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken – kamer voor arbeid en sociale zekerheid, Polen), heeft geoordeeld dat de KRS (rechtbank: de Poolse
National Council of the Judiciary) in zijn huidige samenstelling geen orgaan is dat onpartijdig en onafhankelijk is van de wetgevende en uitvoerende macht. Tevens is geoordeeld dat de tuchtkamer van de
Sąd Najwyższyniet kan worden beschouwd als een gerecht als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 45, lid 1, van de grondwet van de Republiek Polen.
Amendments to the laws on the judiciary”, waaronder
the Act on the organization of the commoncourts,
the Act on the supreme courten
the Act on the National Council of the Judiciary, samengebracht in de zogenoemde ‘
law on the judiciary of 20 December 2019’die met ingang van 14 februari 2020 in werking is getreden.
Joint urgent opinionvan de
Venice Commissionvan 16 januari 2020 [6] waarin deze
Amendmentsworden besproken. De
Venice Commissionoverweegt:
the Amendments prohibit any political activity of judges and oblige them todisclose publicly their membership in associations;
the Amendments declare that any person appointed by the President of theRepublic is a lawful judge, and it is prohibited to question his/her legitimacy.Doing so is a disciplinary offence punishable, potentially, with dismissal. Onlythe Extraordinary Chamber can decide whether a judge is independent andimpartial;
new disciplinary offences and sanctions in respect of judges and courtpresidents are introduced by the Amendments;
the Amendments transfer some competencies of the assemblies of judges to thecolleges composed of the court presidents appointed by the Minister ofJustice;
the Amendments change the process of the election of the First President ofthe Supreme Court, lowering the quorum to 32 judges (out of approximately120) in the third round of voting.
C. Prohibition to question the lawfulness of the judge's appointment” is voorts overwogen:
, amended Article 107 § 1 of the Acts on the Common Courts (on disciplinary offences) prohibits “actions questioning … the effectiveness of the appointment of a judge or the constitutional mandate of an organ of the Republic of Poland”. This provision seems to cover statements made by the judge extrajudicially (on this see above, Section B). It also prohibits procedural actions which challenge the validity of appointment of other judges.
Amendmentseen verruiming van de gronden voor disciplinaire procedures tegen rechters. Hieromtrent overweegt de
Venice Commissiononder “
D. New disciplinary offences and sanctions”:
artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU,
door toe te staan dat de inhoud van rechterlijke beslissingen kan worden aangemerkt als een tuchtrechtelijk vergrijp wat betreft de rechters van de gewone rechterlijke instanties [artikel 107, § 1, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), zoals gewijzigd (Dz. U. van 2019, volgnr. 1495) (hierna: „wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties”), en artikel 97, §§ 1 en 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy];
door niet de onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen van de tuchtkamer, die belast is met de toetsing van de beslissingen in tuchtprocedures tegen rechters [artikel 3, punt 5, artikel 27 en Pro artikel 73, § 1, van de wet inzake de Sąd Najwyższy, gelezen in samenhang met artikel 9a van de ustawa o Krajowej Radzie Sądownictwa (wet inzake de nationale raad voor de rechterlijke macht) van 12 mei 2011 (Dz. U. nr. 126, volgnr. 714), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy o Krajowej Radzie Sądownictwa oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de nationale raad voor de rechterlijke macht en van sommige andere wetten) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 3 (hierna: „wet inzake de KRS”)];
door de president van de tuchtkamer de discretionaire bevoegdheid te verlenen om het tuchtgerecht aan te wijzen dat in eerste aanleg bevoegd is voor zaken betreffende de rechters van de gewone rechterlijke instanties (artikel 110, § 3, en artikel 114, § 7, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties), en derhalve niet te waarborgen dat tuchtzaken worden onderzocht door een „bij wet ingesteld” gerecht, en
door aan de minister van Justitie de bevoegdheid te verlenen om een tuchtambtenaar van de minister van Justitie aan te stellen (artikel 112b van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties), en derhalve niet te waarborgen dat tuchtzaken tegen rechters van de gewone rechterlijke instanties binnen een redelijke termijn worden behandeld, alsmede door te bepalen dat de handelingen die betrekking hebben op de aanwijzing van een raadsman en het op zich nemen van de verdediging door deze laatste, geen schorsende werking hebben voor het verloop van de tuchtprocedure (artikel 113a van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) en dat het tuchtgerecht de procedure voortzet zelfs indien de in kennis gestelde betrokken rechter of zijn raadsman met reden afwezig is (artikel 115a, § 3, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties), waardoor de rechten van de verdediging van de betrokken rechters van de gewone rechterlijke instanties niet worden beschermd;
artikel 267, tweede en derde alinea, VWEU, door toe te staan dat het recht van rechterlijke instanties om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing wordt beperkt door de mogelijkheid om een tuchtprocedure te starten.
interim measureis geoordeeld
de toepassing opschorten van artikel 3, punt 5, artikel 27 en Pro artikel 73, § 1, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet die ziet op de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd, die de grondslag vormen voor de bevoegdheid van de Izba Dyscyplinarna (tuchtkamer) van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) om zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitspraak te doen in tuchtzaken betreffende rechters;
zich onthouden van het toewijzen van de bij de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy aanhangige zaken aan een rechtsprekende formatie die niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid zoals met name uiteengezet in het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982), en
de Europese Commissie uiterlijk een maand na de kennisgeving van de beschikking van het Hof waarbij de gevraagde voorlopige maatregelen worden gelast, op de hoogte stellen van alle maatregelen die zij heeft genomen om volledig aan deze beschikking te voldoen.
Sąd Najwyższyeen zitting heeft plaatsgevonden betreffende het (al dan niet) opheffen van de strafrechtelijke immuniteit van een Poolse rechter.
law on the judiciary of 20 December 2019:
LMin paragraaf 76 tot en met 78.
Sąd Najwyższysinds de
interim measurevan het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 april 2020 nog tuchtzaken tegen rechters behandeld?
ustawa o Sądzie Najwyższym(wet die ziet op de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd, die de grondslag vormen voor de bevoegdheid van de
Izba Dyscyplinarna(tuchtkamer) van de
Sąd Najwyższy(hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) om zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitspraak te doen in tuchtzaken betreffende rechters, niet is opgeschort?
verstrekken van ‘
written remarks’door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was
hiervoor de aanleiding?
3 (drie)weken na de uitspraak te worden beantwoord.
2 (twee)weken na de ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit plaatsvinden.