Een veroordeelde minderjarige werd veroordeeld voor medeplegen van afdreiging, computervredebreuk en witwassen, met een werkstraf van 80 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk. De officier van justitie gaf bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-bepaling en opname in de DNA-databank. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze afname, stellende dat het delict geen DNA-sporen oplevert en dat de afname disproportioneel is gezien zijn leeftijd en straf.
De rechtbank overwoog dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden een ruime afname van DNA-materiaal voorschrijft, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn. De rechtbank stelde vast dat de gepleegde feiten onder de categorie misdrijven vallen waarvoor DNA-afname mogelijk is, maar dat in dit concrete geval DNA-onderzoek niet van betekenis zal zijn voor opsporing of vervolging.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen concreet recidivegevaar is dat DNA-onderzoek zou rechtvaardigen. Gezien de leeftijd van de veroordeelde, de aard van het delict en het ontbreken van eerdere veroordelingen, oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging in het voordeel van de veroordeelde uitvalt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en beval de officier van justitie het afgenomen celmateriaal te vernietigen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.