Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2019 in de zaak tussen
[eiser sub 1] , te [woonplaats] , eiser,
de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Ook eisers’ verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 1951 leidt niet tot het door hen gewenste resultaat. Daarin is geoordeeld dat bij de wijziging van die wet het aannemelijk is dat de strekking van die wet was dat vanaf het tijdstip van inwerkingtreding deze wetgeving ook zou moeten gelden voor bestaande gevallen, omdat ‘
van een bedoeling van den wetgever in anderen zin niet blijkt, integendeel een toepassing in anderen zin tot onoverkomelijke bezwaren zou leiden’. Gelet op de uitspraken van de Afdeling blijkt echter ten aanzien van artikel 3 van Pro de Woa wél van een bedoeling van de wetgever. Uit zowel de grammaticale interpretatie als de wetshistorische interpretatie blijkt dat de wetgeving niet geldt voor vóór inwerkingtreding van de wet bestaande gevallen.
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2019.