Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the District Courtin Ústí nad Orlicí, Tsjechië, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.M. Lalji,
advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
11 maart 2019 door de uitvaardigende justitiële autoriteit en met zaaknummer
18 T 116/2017-435.
4.Feiten waarvoor de toetsing van dubbele strafbaarheid is vereist
5.Onschuldverweer
6.Overige verweren
Het verweer met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid van de aanhouding en de aantijging dat door de verbalisant een proces-verbaal van aanhouding valselijk zou zijn opgemaakt, hetgeen voor de raadsman aanleiding was om te vragen de desbetreffende verbalisant als getuige te horen, is reeds ter zitting verworpen.
De rechtbank concludeert dat het EAB genoegzaam is en verwerpt het verweer.
In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht neemt.
– op grond van artikel 52, derde lid, Handvest – dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als artikel 8 EVRM Pro.
Onder verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank (zie onder meer Rb Amsterdam 3 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2991 en Rb Amsterdam 7 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8902) overweegt de rechtbank dat overlevering een toegestane beperking is in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Gelet op de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. De inmenging in de uitoefening van het recht op “family-life” levert daarom geen beletsel op voor overlevering.
7.Slotsom
8.Toepasselijke wetsartikelen
9.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan the District Court in Ústí nad Orlicí, Tsjechië.