Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. M.L.A. ter Veer, van wat [verdachte]
(hierna: [verdachte] of verdachte)en zijn raadsman, mr. R.A. van der Horst, naar voren hebben gebracht en heeft kennis genomen van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (hierna [benadeelde partij 2] ) en van wat [benadeelde partij 2] en zijn raadsman, mr. V. Groeneveld, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
– kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
3.Voorvragen
n elk geval een misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld”,te onbepaald en daarom nietig.
4.Waardering van het bewijs
(NB op p. 48 van het dossier staat : of ik stop die kalasnikov he sagbi, niet zo optieffen, stop die kalasnikov)
biggi hedegelijk kieren door zijn ede man, dat je dat weet
De rechtbank onderschrijft dat het van belang is behoedzaam om te gaan met processen-verbaal waarin aantoonbaar onjuistheden zitten. In dit geval echter is het goed mogelijk dat de verbalisanten hebben bedoeld [medeverdachte 1] “meteen” te herkennen toen zij de beelden bekeken nádat zij [medeverdachte 1] hadden leren kennen via andere werk gerelateerde ontmoetingen. Zo heeft verbalisant [verbalisant 2] verklaard dat hij [medeverdachte 1] regelmatig op straat ziet, maar niet dat hij [medeverdachte 1] al kende in 2016. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] kent uit
Bos en Lommer en dat hij [medeverdachte 1] een paar weken eerder nog had gecontroleerd.
De rechtbank vindt dat hiermee voldoende is onderbouwd dat deze verbalisanten [medeverdachte 1] in eerste instantie niet, maar later wel herkennen op dezelfde beelden. Dat [verbalisant 1] met
“een paar weken” ruim zes weken moet hebben bedoeld, omdat [medeverdachte 1] begin mei voorlopig is gehecht, zou goed kunnen. De rechtbank ziet in het feit dat de beide verbalisanten onvolledig zijn geweest, in de zin dat zij niet hebben opgeschreven dat zij de beelden een half jaar eerder ook al hadden bekeken, geen reden om die herkenningen onbetrouwbaar te achten.
kent, kun je hem of haar sneller hérkennen. Volgens de rechtbank is dat wat hier aan de hand is en is daarom begrijpelijk dat verbalisanten verdachten hebben herkend, daar waar dat voor anderen moeilijker is. Als herkenningen zijn onderbouwd, zijn die herkenningen voor de rechtbank ook nog enigszins controleerbaar. Om die reden acht de rechtbank herkenningen die aan de genoemde voorwaarden voldoen, ook nu zij daar behoedzaam mee omgaat, betrouwbaar en van waarde voor het bewijs.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straf
[verdachte]kwalijk dat hij, kennelijk puur voor zijn eigen geldelijk gewin, op een gewelddadige manier heeft geprobeerd een woning binnen te komen, waarin zich, zoals hiervoor overwogen, enkele bijzonder kwetsbare potentiële slachtoffers bevonden.
9.Beslag
10.Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]
11.Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De rechtbank begrijpt dat [benadeelde partij 1] en zijn gezin na het feit tijdelijk ergens anders moesten wonen. Daardoor is [benadeelde partij 1] woongenot ontnomen en dat is schade die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Welk bedrag daaraan gekoppeld zou moeten worden is een vraag die niet gemakkelijk kan worden beantwoord. In ieder geval kan niet zonder meer worden gezegd dat [verdachte] om die reden de huursom aan [benadeelde partij 1] zou moeten betalen. Beoordeling van deze schadepost zou zo veel tijd vergen dat het strafproces daardoor onevenredig zou worden belast. De rechtbank zal [benadeelde partij 1] daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. [benadeelde partij 1] kan dit op een later moment aan de civiele rechter voorleggen.
De rechtbank begrijpt uit het dossier en uit de beschrijving van de gevolgen voor [verdachte] uit het schadevergoedingsformulier dat er bij [benadeelde partij 1] en zijn gezin een zeer onveilig gevoel is ontstaan na de poging tot woningoverval. Uit de vordering volgt niet dat [benadeelde partij 1] psychisch letsel heeft opgelopen en dit is wel vereist om in aanmerking te komen voor vergoeding van schade op basis van aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 106 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
12.Toepasselijke wettelijke voorschriften
13.Beslissing
gevangenisstrafvan
106 (honderd en zes) weken.
benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijkin de vordering.
benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijkin de vordering.