ECLI:NL:RBAMS:2018:7624

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2018
Publicatiedatum
25 oktober 2018
Zaaknummer
13/751012-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 6 OLWArt. 7 lid 1 sub b OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak over heropening en schorsing van overleveringsonderzoek op grond van gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 oktober 2018 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De opgeëiste persoon werd verdacht van strafbare feiten zoals illegale handel in verdovende middelen en fraude, waarvoor in Polen gevangenisstraffen zijn opgelegd. De verdediging betoogde dat de overlevering voor een deel van de straf niet mogelijk was vanwege de duur van het resterende strafrestant, maar de rechtbank oordeelde dat de duur van de opgelegde straf bepalend is.

De rechtbank onderzocht tevens of sprake was van weigeringsgronden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet, met name of de verdachte voldoende is gehoord en vertegenwoordigd tijdens de Poolse procedures. Uit aanvullende informatie bleek dat de verdachte persoonlijk was opgeroepen en door een door de overheid toegevoegde advocaat werd bijgestaan, zodat de weigeringsgrond niet van toepassing was.

De verdediging verzocht om toepassing van artikel 6, vijfde lid, Overleveringswet, waarmee de verdachte gelijkgesteld kan worden met een Nederlander vanwege zijn langdurig en rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank stelde vast dat de verdachte sinds 2012 onafgebroken in Nederland verblijft, hier werkt en belasting betaalt, en dat het niet aannemelijk is dat hij zijn verblijfsrecht zal verliezen.

Gezien de lopende prejudiciële vragen die door het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen, in afwachting van de beantwoording van deze vragen. De rechtbank beveelt de oproeping van de verdachte en een Poolse tolk tegen nader te bepalen datum.

Uitkomst: Het overleveringsonderzoek wordt heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van prejudiciële vragen van het HvJ.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751012-16
RK nummer: 18/3117
Datum uitspraak: 23 oktober 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2017 door de
Regional Court of Law in Częstochowa(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:
cumulative judgment of the Regional Court of Law(
Sąd Okręgowy) in Częstochowavan 15 juli 2011 – File Ref. No. II K 87/11 (verzamelvonnis 1);
cumulative judgment of the Regional Court of Law (Sąd Okręgowy) in Częstochowaof 13 november 2012 – File Ref. No. II K 100/12 (verzamelvonnis 2).
In het EAB is tevens vermeld dat in het verzamelvonnis 1 vrijheidsstraffenvoor de duur van
1. jaar en 6 maanden en 1 jaar en 2 maanden zijn opgelegd en in het verzamelvonnis 2 een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar is opgelegd.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het resterende deel van deze vrijheidsstraffen. In het EAB zijn de volgende reststraffen vermeld:
verzamelvonnis 1: een vrijheidsstraf voor de duur van 3 maanden en 26 dagen;
verzamelvonnis 2: een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering voor verzamelvonnis 1 geweigerd moet worden omdat executieoverlevering alleen kan worden toegestaan voor een ‘een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur’ zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, sub b, OLW. Het strafrestant is in dit geval lager.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 2 lid 1 Kaderbesluit Pro 2002/584/JBZ blijkt dat niet de duur van het (nog) te executeren deel van de vrijheidsstraf maar de duur van de opgelegde vrijheidsstraf doorslaggevend is (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2007:BC9797). Nu in verzamelvonnis 1 vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar en 6 maanden alsmede 1 jaar en drie maanden is opgelegd, is geen sprake van een weigeringsgrond.
De verzamelvonnissen zijn gebaseerd op de volgende onderliggende vonnissen:
verzamelvonnis 1:
judgment of the Regional Court of Law in Częstochowa(ref. II K 92/08)
judgment of the District Court of Law in Częstochowa(ref. III K 576/10)
verzamelvonnis 2:
judgement of the District Court of Law in Częstochowa(ref. III K 603/07)
judgment of the Regional Court of Law in Częstochowa(ref. II K 42/08)
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een aantal vonnissen, te weten: verzamelvonnis 2 (ref. II K 100/12) en de daaraan ten grondslag liggende vonnissen (ref. III K 603/07 en ref. II K 42/08), terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot die vonnissen hebben geleid. De vraag die eerst moet worden beantwoord is of - kort gezegd – sprake is geweest van een van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden.
De rechtbank overweegt dat uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 oktober 2018 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zittingen in de procedures die hebben geleid tot de vonnissen met ref. III K 603/07 en ref. II K 42/08. Gelet daarop is sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a, OLW.
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 oktober 2018 blijkt verder dat de opgeëiste persoon tijdens de behandeling van de zaak met ref. II K 100/12 is vertegenwoordigd door een van overheidswege toegevoegde advocaat. Op vragen van de rechtbank heeft de opgeëiste persoon op zitting verklaard dat hij geen advocaat kon betalen en toen een advocaat door de overheid werd toegevoegd, die hem heeft bijgestaan, en dat hij zijn advocaat in die zaak heeft gevraagd om in hoger beroep te gaan. De rechtbank leidt daaruit af dat hij de van overheidswege toegevoegde advocaat had gemachtigd en deze de verdediging met zijn medeweten heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank was gelet daarop sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 8, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
en
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6.Artikel 6 OLW Pro: heropening van het onderzoek

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. Met de overgelegde stukken is voldoende aangetoond dat hij gedurende vijf jaren rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft en is gevestigd. Er bestaat niet de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen. De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank in de zaak [naam] II op
28 september 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft gesteld (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028).
De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat op basis van de overgelegde stukken kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf heeft gehad in Nederland en dat verblijf niet heeft verloren. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft inmiddels laten weten dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van de opgelegde straf. De zaak dient te worden aangehouden.
De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlands onderdaan. De opgeëiste persoon is al vanaf
6 november 2012 geregistreerd bij de Belastingdienst en heeft met ingang van 2013 voldoende inkomen in Nederland verdiend met werk. Weliswaar was hij niet doorlopend ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar uit de stukken blijkt dat hij steeds in Nederland werkzaam was en hier verbleef. Verder heeft de IND aangegeven dat de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht niet verliest.
Gelet op deze stand van zaken wordt het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de antwoorden van het HvJ op de prejudiciële vragen die door de rechtbank zijn gesteld, nu deze van belang kunnen zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing.
In verband daarmee worden de beslistermijnen met ingang van heden opgeschort.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording door het HvJ van de gestelde prejudiciële vragen in de zaak [naam] (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028);
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. C.A. van Dijk en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
C