ECLI:NL:RBAMS:2016:9691

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2016
Publicatiedatum
19 april 2017
Zaaknummer
13.751849-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 9 OLWArt. 64 OLWArt. 6 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing van overleveringsdetentie in internationale zaak

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 december 2016 een verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon uit Roemenië. De rechtbank nam kennis van het dossier en hoorde de officier van justitie en de opgeëiste persoon. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon was niet aanwezig, maar had verzocht het verzoek te behandelen.

Eerder had de rechtbank bij tussenuitspraak de overlevering uitgesteld en het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, waardoor de beslistermijnen werden opgeschort. De rechtbank bevestigde dat deze opschorting betekent dat de termijn van 90 dagen niet verstrijkt en dat de overleveringsdetentie niet op die grond geschorst kan worden.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin eenzelfde standpunt was ingenomen en zag geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank achtte het vluchtgevaar onverminderd aanwezig en overwoog dat de overleveringsdetentie alleen voortgezet mag worden indien de procedure voortvarend verloopt en de duur van de hechtenis niet buitensporig is, zoals bepaald in artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en bevestigd in relevante arresten van het Hof van Justitie van de EU.

Gezien de omstandigheden en de beoordeling dat geen sprake was van buitensporige duur of schending van het evenredigheidsbeginsel, wees de rechtbank het verzoek tot schorsing af.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie is afgewezen wegens aanwezig vluchtgevaar en voortvarende procedure.

Uitspraak

1.,.-.
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751849-16

BESLISSING

De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 16 december 2016 ter
griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit
hoofde van de Overleveringswet (OLW) van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië), op [geboortedatum] 1970,
thans gedetineerd in het [detentieplaats] .
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de
overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Het verzoek is behandeld in raadkamer op 23 december 2016, waar zijn gehoord de officier
van justitie en de opgeëiste persoon.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. T.E. Korff, heeft op voorhand laten weten niet
ter zitting te zullen verschijnen. Zij heeft verzocht het verzoek wel op 23 december 2016 te
behandelen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij tussenuitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank de overlevering van de
opgeëiste persoon uitgesteld. Daartoe heeft zij het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
Zoals de rechtbank bij deze tussenuitspraak reeds heeft overwogen, brengt het hiervoor
bedoelde uitstel een schorsing van de beslistermijnen mee. Dit betekent dat de 90-dagen niet
verstrijkt en de overleveringsdetentie niet op grond van het verstrijken van die termijn kan
worden geschorst. Deze beslissing is in overeenstemming met hetgeen de rechtbank eerder in
soortgelijke zaken heeft beslist. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar
haar beslissingen van 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en 28 apri1 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:2630). De rechtbank ziet geen aanleiding op deze beslissingen terug
te komen.
Ook overigens acht de rechtbank geen termen aanwezig voor schorsing van de
overleveringsdetentie. De rechtbank acht het vluchtgevaar onverkort aanwezig.
Parketnummer: 13.751849-16
Wat betreft het door de raadsvrouw naar voren gebrachte punt van de voorzienbaarheid neemt
de rechtbank in aanmerking dat de overleveringsdetentie op grond van artikel 21 lid Pro 9
alsmede artikel 64 OLW Pro te allen tijde ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of
diens raadsman. kan worden opgeheven dan wel geschorst.
In dit verband geldt op grond van artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie (Handvest), dat de rechtbank de overleveringsdetentie alleen mag laten
voortduren, indien de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en
de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt (HvJ EU 16 juli 2015. C-237/15 PPU,
ECLI:EU:C:2015:474 (Francis Lanigan), punt 58). Om zulks te beoordelen moet de rechtbank
rekening houden "met alle factoren die relevant zijn om te beoordelen of de duur van de
procedure gerechtvaardigd is, met name het eventuele stilzitten van de autoriteiten van de
betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de mate waarin de gezochte persoon aan die
duur heeft bijgedragen. Ook de straf die tegen diezelfde persoon is uitgesproken of die hij kan
oplopen wegens de feiten die ten grondslag lagen aan de uitvaardiging van het tegen hem
gerichte Europees aanhoudingsbevel, alsook het bestaan van vluchtgevaar moeten in
aanmerking worden genomen" (HvJ EU 16 juli 2015, C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474
(Francis Lanigan), punt 59). Bovendien moet de overleveringsdetentie het
evenredigheidsbeginsel eerbiedigen (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU,
ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 101). Van strijd met het bepaalde in
artikel 6 Handvest Pro is gelet op deze factoren thans (nog) geen sprake.
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

BESLISSING:

Wijst af het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van

[naam opgeëiste persoon]voornoemd.
Deze beslissing is genomen op 23 december 2016 door:
mr. A.K. Glerum, rechter
in tegenwoordigheid van A.E.C. Content, griffier.