Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het verzoekschrift
3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het oordeel van de rechtbank
“De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. De thans geldende regeling belet de rechter, door het gebruik van het woord “tegemoetkoming”, een volledige vergoeding van de geleden schade toe te kennen. Het ontwerp vervangt deze term door “schadevergoeding”, teneinde aan te geven dat, indien de rechter deze billijk acht, algehele vergoeding mogelijk is. Zo’n geval kan zich met name voordoen, indien op iemand door omstandigheden, buiten hem zelf gelegen, zonder dat hem enige schuld treft, de verdenking is gevallen. De voorgestelde regeling dwingt intussen de rechter niet, in alle gevallen waarin hij voor toekenning aanleiding ziet, de gehele schade voor vergoeding in aanmerking te laten komen.’ (Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3).”
On the basis of these cases, the Court considers that, in the context of defendants’ costs orders, the Convention organs have consistently applied the following principles. First, it is not the Court’s role to decide whether a defendant’s costs order should have been made in any given case. Second, it is not for the Court to determine whether, in granting or refusing such an order, the trial judge has acted compatibly with the relevant Practice Direction, set out at paragraph 27 above. Third, the Court’s task is to consider whether, in refusing to make an order, the trial judge's reasons indicate a reliance on suspicions as to the applicant’s innocence after the applicant has been acquitted. Fourth, the Convention organs have found that it is not incompatible with the presumption of innocence for a trial judge to refuse to make an order because he or she considers that the applicant has brought suspicion on himself and misled the prosecution into believing that the case against him or her was stronger than it was in reality. This will also be the case if the applicant brought the prosecution upon himself because he availed himself of the right to silence. Finally, the refusal to make an order does not amount to a penalty for exercising that right.”
aan zijne eigen houding te wijten”, dan wel – in de woorden van de wetgever van 1972 – dat “
door omstandigheden, buiten hem zelf gelegen, zonder dat hem enige schuld treft, de verdenking op hem is gevallen” (vgl. Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2756).
NB: de rechtbank heeft de meest relevante passsages vetgedrukt):
Beslissing