ECLI:NL:RBAMS:2016:7717

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2016
Publicatiedatum
24 november 2016
Zaaknummer
13/751654-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering executieoverlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens ontbreken verzetgarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 oktober 2016 een verzoek tot executieoverlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Circuit Court te Wrocław. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar waarvan nog vijf maanden en vijftien dagen resteren.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was geweest bij de behandeling van de zaak in Polen en dat uit het EAB en aanvullende informatie niet bleek dat hij tijdig was geïnformeerd over de datum en plaats van de terechtzitting. Hierdoor ontbrak een van de vereiste voorwaarden zoals genoemd in artikel 12 van Pro de Overleveringswet.

Daarnaast verwees de uitvaardigende autoriteit naar artikel 540b van het Poolse wetboek van strafvordering als verzetgarantie, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet voldeed aan de onvoorwaardelijke verzetgarantie die artikel 12 onder Pro d OLW vereist. Gezien deze tekortkomingen werd de overlevering geweigerd.

Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, in aanwezigheid van de officier van justitie en de raadsman van de verdachte.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte aan Polen wegens het ontbreken van een onvoorwaardelijke verzetgarantie volgens artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751654-16
RK nummer: 16/5900
Datum uitspraak: 18 oktober 2016
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 augustus 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2016 door
the Circuit Court om Wrocław(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1993,
verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. L.E. Buiting, advocaat te Gouda en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 27 januari 2011 van
the District Court in Oleśnica, met kenmerk II K 1466/10.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 15 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon de informatie over de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting daadwerkelijk heeft ontvangen. Het vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot Pro en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLW Pro mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in dit kader in het EAB verwezen naar artikel 540b van het Poolse wetboek van strafvordering. Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit artikel niet is aan te merken als een onvoorwaardelijke verzetgarantie zoals bedoeld in artikel 12 onder Pro d OLW (zie ook ECLI:NL:RBAMS:2014:6826). Een en ander leidt ertoe dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 12 OLW Pro, dient de overlevering te worden geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court om Wrocław(Polen).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. A.C. Enkelaar en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2016.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.