De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van twee slachtoffers, waarbij het bewijs onvoldoende was om vast te stellen dat verdachte kennis had van de uitbuitingssituatie. Wel werd vastgesteld dat verdachte gedurende meerdere jaren grote geldbedragen, afkomstig uit prostitutiewerkzaamheden van een slachtoffer, heeft overgemaakt naar personen in Hongarije, waarbij hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
Verdachte verleende verschillende faciliteiten, zoals het regelen van huisvesting, vervoer en het openen van rekeningen, maar de rechtbank oordeelde dat er geen overtuigend bewijs was dat hij wist van de uitbuiting. De verdediging stelde dat verdachte slechts hand- en spandiensten verrichtte zonder kennis van de uitbuitingssituatie.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan gewoontewitwassen en legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De vordering van een benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken van de mensenhandel jegens haar.
De straf weerspiegelt de ernst van het witwassen, dat de integriteit van het financiële verkeer aantast, en houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld en reeds voorlopige hechtenis had ondergaan.