Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Verloop van de procedure
- het wrakingsverzoek van 15 januari 2016;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 21 januari 2016.
Rechtbank Amsterdam
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die een kortgeding behandelde over een vordering tot vergoeding van kosten rechtsbijstand op grond van een Sociaal Plan bij reorganisatie. Verzoekers stelden dat de rechter bij aanvang van de zitting een eigen visie gaf zonder hen eerst te horen, en dat er sprake was van schijn van vooringenomenheid vanwege eerdere werkzaamheden van de rechter bij een advocatenkantoor waar de werkgeefster cliënt was.
De rechter verklaarde dat zij enkel een samenvatting gaf van de standpunten en geen oordeel of eigen visie had uitgesproken, maar kritisch doorvroeg om het debat te stimuleren. Tevens was er geen sprake van betrokkenheid bij zaken van de werkgeefster en was de echtgenoot van de rechter werkzaam in een ander rechtsgebied binnen het advocatenkantoor.
De rechtbank oordeelde dat het uiten van voorlopige juridische inzichten tijdens een zitting is toegestaan en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden. De omstandigheden en de gang van zaken boden geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.
De beslissing werd genomen door een kamer van drie rechters en uitgesproken tijdens een openbare zitting op 16 maart 2016. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk volgens artikel 39, vijfde lid Rv.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid of partijdigheid.