De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 mei 2015 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van twee diefstalgerelateerde feiten gepleegd in Polen, waarbij geweld en georganiseerde diefstal een rol speelden.
De verdachte betwistte zijn schuld aan één van de feiten en voerde aan dat het om het meenemen van afgedankt schroot ging, geen diefstal. Dit onschuldverweer werd door de rechtbank verworpen omdat de verdachte zijn onschuld niet direct kon aantonen en dit oordeel aan de Poolse rechter wordt overgelaten. Tevens werd een verweer van de raadsvrouw afgewezen dat de zaak geseponeerd zou zijn, omdat dit niet onderbouwd was en het vertrouwen in het EAB niet aantastte.
De rechtbank stelde vast dat de feiten zowel in Polen als in Nederland strafbaar zijn en dat aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan. Er waren geen weigeringsgronden aanwezig. Op grond hiervan werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.