Eiser ontving een halfwezenuitkering na het overlijden van zijn zus, maar deze werd per 1 oktober 2013 beëindigd vanwege wijzigingen in de Algemene nabestaandenwet (Anw) die de halfwezenuitkering integreerden in de nabestaandenuitkering. Eiser stelde dat deze intrekking in strijd was met diverse internationale verdragen en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank overwoog dat eiser geen recht had op een nabestaandenuitkering en dat de intrekking van de halfwezenuitkering niet leidde tot een schending van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM), het Twaalfde Protocol, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) of de ILO-Verdragen 121 en 128.
De rechtbank vond dat het onderscheid in behandeling tussen nabestaanden die langer dan een jaar samenwoonden en korter dan een jaar samenwonenden met een ernstig zieke partner objectief gerechtvaardigd was en geen disproportionele last voor eiser opleverde. Ook werd geoordeeld dat de intrekking van de halfwezenuitkering geen onrechtmatige eigendomsontneming vormde, mede door de overgangstermijn en andere beschikbare voorzieningen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.