ECLI:NL:RBAMS:2014:3762

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2014
Publicatiedatum
26 juni 2014
Zaaknummer
13-751245-14 14-2079
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 7 OverleveringswetArt. 20 OverleveringswetArt. 22 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Portugal op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 5 februari 2014. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij illegale handel in 22,6 kilogram cocaïne.

Tijdens de procedure werd onderzocht of het EAB voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet, met name of er een nationaal aanhoudingsbevel was uitgevaardigd. Na een schorsing van het onderzoek en aanvullende informatie van de Portugese justitiële autoriteiten concludeerde de rechtbank dat op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel was uitgevaardigd, waarmee het EAB aan de wettelijke eisen voldeed.

De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman dat het EAB niet voldeed aan de vereisten en stelde vast dat er geen beletselen waren voor overlevering. Op grond hiervan stond de rechtbank de overlevering toe voor het strafrechtelijk onderzoek in Portugal naar de drugshandel.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, waardoor de beslissing definitief is.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Portugal toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751245-14
RK nummer: 14/2079
Datum uitspraak: 24 juni 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 maart 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2014 door
the Public Prosecution Service in Maia(Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft op die zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
Op 27 mei 2014 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak het onderzoek heropend en voor onbepaalde termijn geschorst opdat de officier van justitie de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zou voorleggen:
Wat is de inhoud van de beslissing van 4 februari 2014 uitgevaardigd door the Assistant Prosecutor of the Public Prosecution Service in Maia, zoals vermeld in het EAB in onderdeel b?
Geldt een EAB in Portugal ook als een nationaal aanhoudingsbevel?
Op 13 juni 2014 is de behandeling ter zitting voortgezet, in aanwezigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en diens raadsman.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een beslissing van 4 februari 2014,
ordering the arrest of the accused,uitgevaardigd door
the Assistant Prosecutor.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Portugal strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Zoals reeds in de tussenuitspraak van 27 mei 2014 is vastgesteld is de rechtbank van oordeel dat op basis van het originele Portugese EAB – waarin vermeld is dat het gaat om 22,600 KG – in combinatie met de omstandigheden van het geval zoals omschreven in het EAB, duidelijk is dat het feit ziet op
een hoeveelheid cocaïne van 22 kilogram en 600 gram.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Artikel 2, tweede lid, onder c OLW

Standpunt raadsman
De raadsman heeft gesteld dat het EAB nog altijd niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, onder c OLW en dat om die reden de overlevering geweigerd dient te worden.
Het antwoord dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, in de persoon van de officier van justitie dr. Elisabete Néri, heeft gegeven op de door de rechtbank bij tussenuitspraak gestelde vragen is verwarrend, terwijl de tweede vraag in feite onbeantwoord is gelaten.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden. Uit de verstrekte antwoorden blijkt dat er een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, waarmee het EAB voldoet aan de in artikel 2, tweede lid, onder c OLW genoemde vereisten. Bovendien biedt artikel 20, derde lid OLW de uitvaardigende justitiële autoriteit de mogelijkheid een EAB, dat niet aan de eisen omschreven in artikel 2 OLW Pro voldoet, de gelegenheid tot completering of verbetering. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt.
Oordeel rechtbank
In een ongedateerde toelichting (referentienr. 215280) naar aanleiding van de vraagstelling in de tussenuitspraak van 27 mei 2014 heeft de officier van justitie dr. Elisabete Néri aangegeven dat de uitvaardigende justitiële autoriteit op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd jegens de opgeëiste persoon, die op dat moment als voortvluchtig werd beschouwd. Toen bleek dat de opgeëiste persoon zich buiten Portugal bevond is op 4 februari 2014 een EAB uitgevaardigd.
De rechtbank acht, gelet op de context waarin het een en ander heeft plaatsgevonden, daarmee voldoende duidelijk dat de justitiële autoriteiten van Portugal op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd. De datum 3 juni 2014, die op het als bijlage bij de toelichting gevoegde nationaal bevel wordt genoemd, berust naar het oordeel van de rechtbank, kennelijk op een (vertaal)fout. Immers, de datum 3 juni 2014 is gelegen na de datum waarop het EAB is uitgevaardigd en na de datum waarop het EAB door de rechtbank in behandeling is genomen. Van verwarring kan op dit punt geen sprake zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de melding van de Portugese autoriteiten van 22 april 2014 dat er geen nationaal aanhoudingsbevel was uitgevaardigd, kennelijk op een vergissing berust.
De rechtbank overweegt voorts dat, nu de justitiële autoriteiten van Portugal op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd, de tweede vraag van de rechtbank in de tussenuitspraak niet langer relevant is en dus ook niet meer beantwoord hoefde te worden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het EAB van 4 februari 2014, ondertekend op
5 februari 2014, met deze toelichting, ondanks het ontbreken van een antwoord op de tweede vraag uit de tussenuitspraak, voldoet aan de eisen die artikel 2, tweede lid onder c OLW daaraan stelt en dat de weigeringsgrond niet langer aan overlevering in de weg staat.

6.Slotsom

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Public Prosecution Service in Maia(Portugal) ten behoeve van het in Portugal tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. S.A. Krenning, voorzitter,
mrs. A.C. Enkelaar en S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juni 2014.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.