ECLI:NL:RBAMS:2011:BX9590
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingezetenschap en recht op kinderbijslag bij verblijf in Nederland en Marokko
Eiser, met Nederlandse nationaliteit, ontvangt een ANW-uitkering en heeft twee minderjarige kinderen, van wie de moeder in 2007 is overleden. Na een aanvraag kinderbijslag in 2007 werd deze toegekend, maar later ingetrokken omdat verweerder oordeelde dat eiser geen ingezetene van Nederland was vanwege zijn verblijf in Marokko.
De rechtbank stelt vast dat het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten aansluit bij het fiscale woonplaatsbegrip, waarbij een duurzame persoonlijke band met Nederland voldoende is, ook als het maatschappelijk leven deels in het buitenland is. Eiser heeft een koophuis in Nederland, verblijft er regelmatig en zijn dochter woont er, wat wijst op een duurzame band.
De rechtbank vernietigt het besluit tot intrekking van de kinderbijslag, maar oordeelt dat de kinderen sinds respectievelijk 2007 niet tot het huishouden van eiser behoren en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van onderhoudsbijdragen, behalve voor enkele kwartalen voor zijn dochter. Hierdoor bestaat slechts gedeeltelijk recht op kinderbijslag.
Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden. De uitspraak vervangt het bestreden besluit en kan in hoger beroep worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking van kinderbijslag wordt vernietigd met gedeeltelijke beperking van het recht op kinderbijslag.