ECLI:NL:RBAMS:2006:BD4468
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M.J. Lommen-van Alphen
- M. van Mourik
- J.L. Hillenius
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering opgeëiste persoon wegens opiumwetdelicten ondanks verweren uitlokking en fair trial
De Rechtbank Amsterdam behandelde het uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten van Amerika tegen een opgeëiste persoon zonder vaste verblijfplaats in Nederland, verdacht van meervoudige opiumwetdelicten. De verdachte ontkende de feiten, maar kon zijn onschuld niet direct aantonen en er was een vermoeden van schuld.
De verdediging stelde dat de stukken onvolledig waren, onder meer vanwege een onjuiste handtekening op de arrestatiebevel en ontbrekende rechtshulpverzoeken, en voerde aan dat sprake was van uitlokking, wat de uitlevering zou moeten verhinderen. De rechtbank oordeelde echter dat de stukken voldoende waren en dat de handtekening rechtsgeldig was. Tevens werd het verweer dat de uitlevering het fair trial-beginsel zou schenden wegens uitlokking verworpen, omdat onvoldoende onderbouwd was dat sprake was van een flagrante schending van fundamentele rechten.
De rechtbank benadrukte dat de beoordeling van mogelijke schendingen van fundamentele rechten primair aan de Minister van Justitie toekomt, tenzij er sprake is van flagrante of dreigende flagrante schendingen. Het verzoek tot schorsing van de procedure om inzage in e-mails te verkrijgen werd afgewezen. De uitlevering werd toelaatbaar verklaard en tevens werd de overdracht van inbeslaggenomen goederen toegestaan, voor zover deze op de beslaglijst stonden.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, op 21 november 2006 na een openbare zitting waarbij de verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie waren gehoord.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar en wijst de verweren af.