ECLI:NL:RBALK:2009:BI1927
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en schadevergoeding na legionellabesmetting op Westfriese Flora
De zaak betreft een schadevergoedingsvordering van eiser tegen gedaagde wegens een legionellabesmetting op de Westfriese Flora in 1999, waarbij gedaagde een whirlpool had geëxposeerd. Eiser stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden en vordert vergoeding daarvan. Gedaagde betwist aansprakelijkheid en voert verjaring aan.
De rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar is gestart in 1999, maar dat de collectieve actie van de Consumentenbond in 2000 de verjaring heeft gestuit. De wet voorziet niet in een specifieke termijn voor het instellen van individuele vorderingen na een collectieve actie, maar de rechtbank acht het instellen van de vordering binnen een redelijke termijn na het arrest van het hof in 2007 voldoende.
De rechtbank bevestigt dat eiser bezoeker was van de Flora en dat hij besmet is geraakt met legionella. Er is een condicio sine qua non-verband aangenomen tussen het handelen van gedaagde en de schade van eiser, tenzij gedaagde tegenbewijs levert. Medische rapporten van deskundigen ondersteunen de vaststelling van blijvende klachten en beperkingen door de besmetting.
De rechtbank wijst een immateriële schadevergoeding van €5.000 toe en erkent de materiële schade wegens verlies aan arbeidsvermogen, die nader moet worden vastgesteld. De vordering van €346 wegens ziekenhuis- en reiskosten wordt afgewezen wegens verrekening met een vordering van gedaagde op eiser. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering door gedaagde.
Uitkomst: De rechtbank wijst een immateriële schadevergoeding toe, verwerpt verjaring door stuiting van de collectieve actie en staat bewijslevering door gedaagde toe.