Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.Het eerste middel
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de nacht van 4 op 5 juni 2021 te [plaats] ,
het plan opgevat om brand te stichten en
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als deze feiten gepleegd zou(den) worden en/of
adresgegevens van die [aangever] en die [benadeelde 2] doorgegeven of laten doorgeven, en
die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan tot het stichten van brand bij de woning van die [aangever] en/of die [benadeelde 2] en
instructies gegeven aan die [betrokkene 1] over hoe de brandstichting uitgevoerd zou moeten worden.”
[A]
De telefoon werd gebruikt voor een Snapchat-account met de naam ‘ [betrokkene 1] ’. In een Snapchat-gesprek van 4 juni 2021 werd de gebruiker van de telefoon aangesproken met ‘ [betrokkene 1] '. Die gebruiker reageerde daarop met een bericht waarin de naam ‘ [naam] ' wordt genoemd. Op 26 mei 2021 ontving de gebruiker een bericht met daarin de naam en het adres van een [naam] die in de politiesystemen voorkomt met een registratie waarbij [betrokkene 1] wordt genoemd als haar (ex-)vriend. Het betreft een incident waarbij [betrokkene 1] zelf ook aanwezig was. Op 4 april 2021 deelde de gebruiker van de telefoon de naam, het adres en de geboortedatum van [betrokkene 1] , waarbij alleen het geboortejaar onjuist is.
In de periode van 23 april 2021 tot 2 mei 2021 is de iPhone 6 gebruikt voor het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Op 29 april 2021 om 15.44 uur werd met dit telefoonnummer een telefoongesprek gevoerd, waarbij de politie de stem van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft herkend als die van [betrokkene 1] .
eerste deelklachtis van belang dat het hof heeft bewezenverklaard dat ten gevolge van de opzettelijke brandstichting de voordeur en een kozijn en de voorgevel van de betreffende woning gedeeltelijk zijn verbrand. Het hof heeft in dat verband in zijn PROMIS-bewijsoverwegingen vastgesteld dat brand is gesticht bij (de voordeur van) een woning door twee flessen wasbenzine leeg te gooien tegen die voordeur en daarna die wasbenzine aan te steken door middel van een brandend servet. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de politie op 5 juni 2021 om 06.00 uur forensisch onderzoek heeft verricht bij de woning van de aangever en er op de voordeur, het kozijn, de onderzijde van het luifel boven de voordeur en de bakstenen links en rechts van de deurluifel rook- en roetschade is waargenomen, alsmede dat van de onderzijde tot ongeveer halverwege het kozijn aan beide zijden blaarvorming van de verf is waargenomen. Verder is vastgesteld dat op de camerabeelden een brandhaard is te zien tegen de voordeur aan en de vlammen (daarvan) hoger kwamen dan de voordeur.
tweede deelklachthoudt in dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat door de brandstichting een gemeen gevaar voor goederen althans levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners te duchten is geweest.
in de (sic.) omgeving [was]om overslaan naar de woning te realiseren en [het] onwaarschijnlijk [was] dat deze ontvlambare vloeistof
in deze omstandigheiddusdanig in grootte en intensiteit had kunnen doen toenemen dat deze krachtig genoeg was om de voordeur en/of de omliggende goederen te doen ontbranden, laat staat te kunnen doen overslaan tot in de woning’ – doet niet af aan het oordeel dat het ‘gevaar’ ten tijde van het stichten van de brand als gevolg van de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het stichten van brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, ‘voorzienbaar’ was.
derde en vierde deelklachtklagen over het oordeel van het hof dat respectievelijk de daders van deze brandstichting en de verdachte (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van aanwezigen in de woning. Beide klachten bespreek ik gelet op de nauwe samenhang gezamenlijk.
vijfde klachtdat de bewezenverklaring van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof (kortgezegd) niet bewezen heeft geacht dat het plan van de verdachte en zijn mededader inhield dat de bewoners om het leven zouden worden gebracht dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, terwijl het wel bewezen heeft verklaard dat de verdachte als uitlokker van de brandstichting (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van deze personen. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het hof is uitgegaan van voorwaardelijk opzet van de verdachte en zijn mededader ( [medeverdachte 2] ) op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Daarbij past dat het hof niet bewezen heeft verklaard dat het plan van de verdachte en zijn mededader inhield dat aanwezigen in de woning om het leven zouden worden gebracht dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Dit zou immers duiden op vol opzet.
4.Het tweede middel
5.Het derde en het vierde middel
Algemene overwegingen
Het standpunt van de verdediging