ECLI:NL:PHR:2026:698

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
25/01226
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6 lid 3 sub d EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen ontploffingen en afpersing met woningaanslagen

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van meerdere ontploffingen met gemeen gevaar voor goederen en poging tot afpersing van een fruitbedrijf in Hedel. De zaak betrof een reeks woningaanslagen op adressen van medewerkers van het fruitbedrijf, die werden ingezet om afpersing kracht bij te zetten.

In cassatie stelde de verdediging onder meer dat het hof onjuist had geoordeeld dat de verdachte zijn recht op ondervraging van een bedreigde getuige had prijsgegeven. De Hoge Raad bevestigt dat de getuige vanwege ernstige bedreigingen, afkomstig uit de hoek van de verdachte en zijn medeverdachten, zijn verschoningsrecht mocht inroepen, waardoor de verdachte impliciet afstand deed van zijn ondervragingsrecht. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en strookt met de jurisprudentie van het EHRM.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof voldoende compenserende factoren heeft vastgesteld die het gebruik van de verklaringen van de niet-ondervraagde getuige rechtvaardigen, zoals aanvullende verhoren, deskundigenrapporten en andere bewijsmiddelen. Ook de bewezenverklaring van de aanslag op een woning in [plaats] is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Hoewel de redelijke termijn in cassatie met enkele weken is overschreden, leidt dit niet tot cassatie. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep en tot eventuele vermindering van de straf wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; de veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf blijft in stand, met mogelijke strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01226
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1]
- in de zaak met parketnummer 05/780075-20 onder 1 “de eendaadse samenloop van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen te bewegen tot het begaan van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”;
- in de zaak met parketnummer 05/780075-20 onder 3 en in de zaak met parketnummer 05/780031-21 onder 2 telkens “medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is” en
- in de zaak met parketnummer 05/780031-21 onder 1, 3 en 4 telkens “medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren met aftrek van het voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in dat verband aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals nader omschreven in het arrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01294 ( [medeverdachte 5] ), 25/01412 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 7] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte in de voorliggende zaak als uitvoerder betrokken is geweest bij meerdere aanslagen op woningen van (voormalig) medewerkers van het fruitbedrijf en onder meer als uitlokker bij een verijdelde aanslag.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel valt in drie deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte zijn recht op ondervraging van [getuige] heeft prijsgegeven doordat de getuige is bedreigd onjuist althans niet begrijpelijk is. De tweede deelklacht betreft het oordeel van het hof dat voldoende compensatie is geboden voor het niet effectief hebben kunnen ondervragen van deze getuige, welk oordeel volgens de stellers van het middel niet zonder meer begrijpelijk is. Beide deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De derde deelklacht betreft een bewijsklacht ten aanzien van de bewezenverklaring dat de verdachte (beknopt weergegeven) op 28 oktober 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning (perceel [a-straat 1] ).
De eerste en tweede deelklacht
3.2
Het hof heeft in zijn arrest overwogen:

Verklaringen van [getuige] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring voor feiten 3 en 4 onder parketnummer 05/780031-21 in beslissende mate steunt op de verklaringen van [getuige] maar dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest hem te ondervragen. De verklaringen van [getuige] kunnen volgens de verdediging om die reden dus niet voor het bewijs worden gebruikt.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal zijn van mening dat bij het gebruiken van de verklaringen van [getuige] van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro geen sprake is. [getuige] heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen uit angst voor represailles en vanwege de druk die door of van de zijde van verdachte op hem en zijn familie is uitgeoefend. Nu de dreiging uitgaat van de zijde van verdachte, al dan niet in samenspraak met medeverdachten, heeft verdachte zijn recht om [getuige] te horen prijsgegeven. Daarnaast zijn de verklaringen van [getuige] onderdeel van het dossier, maar vormen zij niet in beslissende mate het bewijs tegen verdachte en zijn zij niet aan te merken als sole or decisive’, nu de betrokkenheid van verdachte ook blijkt uit tapgesprekken, historische verkeersgegevens en dactyloscopische sporen, als ook uit de eigen verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep waarin hij heeft erkend betrokken te zijn. Ook is het niet kunnen effectueren van het ondervragingsrecht van [getuige] in voldoende mate gecompenseerd. Door de rechtbank zijn de compenserende factoren uitgebreid opgesomd en in hoger beroep zijn [deskundige] en de vier WOD’ers nogmaals gehoord. Alle door [getuige] afgelegde verklaringen, als getuige en als verdachte, kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Verklaringen van [getuige]
Het hof stelt vast dat [getuige] op verschillende momenten door de politie is verhoord: als getuige en als verdachte. Deze verklaringen zijn belastend voor verdachte. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is het verzoek van de verdediging toegewezen om [getuige] bij de rechter-commissaris/raadsheer-commissaris als getuige te laten horen. In eerste aanleg heeft [getuige] één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en in hoger beroep heeft [getuige] zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, tot op heden geen reële en effectieve gelegenheid heeft gehad om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] te toetsen.
Anders dan de verdediging heeft gesteld, is het hof - zoals hieronder nader wordt onderbouwd - van oordeel dat het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid in deze zaak niet meebrengt dat de voor verdachte belastende verklaringen van [getuige] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Ook niet wanneer ten aanzien van bepaalde feiten zou moeten worden geoordeeld dat een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaringen van [getuige] . Gelet op het onder 3.1 overwogene gaat het hier overigens alleen om de als getuige (5 en 7 januari 2021) en de als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen van [getuige] .
Wettelijk kader
De Hoge Raad heeft in 2013:BX5539 bepaald dat uit beslissingen van het EHRM (onder meer) kan worden afgeleid dat ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte, verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven. Daarnaast heeft de Hoge Raad in 2021:1418 overwogen en in HR 2022:86 herhaald, dat voor de beoordeling of in het geval van het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid met het gebruik van een getuigenverklaring wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is. Daarnaast is ook de mogelijke aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren van belang voor die beoordeling, waarbij de verschillende beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te w orden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er in dat geval compenserende factoren zijn.
Toetsingskader
Het gaat er hier dus om dat het kan zijn dat een verdachte het recht om een getuige (nader) te (doen) horen, heeft prijsgegeven ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen als op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte. Daarnaast gaat het er om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden kunnen bevestigen waarop de getuigenverklaring ziet. Van belang kunnen ook zijn verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
Overwegingen van het hof
Het hof overweegt in het licht van het voorgaande het volgende.
(i) Er is inbreuk gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [getuige] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [getuige] heeft zich bij het verhoor bij de rechter- en raadsheer- commissaris vrijwel geheel beroepen op zijn verschoningsrecht en ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak aangegeven dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw te zullen doen vanwege de bedreigingen richting hem en zijn familie, zoals die vanaf 18 april 2021 bestaan. Het hof stelt vast dat in het op 18 april 2021 aan de moeder van [getuige] verstuurde dreigbericht onder meer wordt gesproken over “de advocaten van alle verdachten” en dat dit bericht daarom een dreiging impliceert afkomstig uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook uit de richting van verdachte. Dat de dreiging nog steeds reëel is maakt het hof ook op uit het proces-verbaal verhoor [getuige] van 9 februari 2024, waar de raadsheer-commissaris op grond van het bepaalde in artikel 190 lid 3 Sv Pro de personalia van [getuige] niet heeft opgenomen in het proces-verbaal. Het hof is dan ook van oordeel dat daarmee voldoende vaststaat dat de bedreigingen, die [getuige] ervan weerhouden te willen verklaren, afkomstig zijn uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook van de zijde van verdachte komen. Reeds daarom is het hof van oordeel dat verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [getuige] heeft prijsgegeven.
(ii) Uit de regels die voortvloeien uit de Vidgen-jurisprudentie en de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met artikel 6 lid 3 EVRM Pro indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring.
Het hof is van oordeel dat in het geval van verdachte, een bewezenverklaring inderdaad in beslissende mate zou berusten op de verklaringen van [getuige] . Gelet hierop moet het hof bezien of sprake is van voldoende compenserende factoren om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van het hof bestaan de volgende compenserende factoren:
- het proces-verbaal van bevindingen over de WOD-actie opgemaakt door de A- en B-nummers, waarbij schriftelijk is gereageerd op de vragen van de raadslieden;
- de processen-verbaal opgemaakt door de officier van justitie en de rechercheofficier van justitie over de WOD-actie;
- de verhoren bij de rechter-commissaris van alle politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers, B-nummers en OT-nummers);
- de verhoren bij de raadsheer-commissaris van vier politiemensen die bij de WOD- actie betrokken zijn geweest (A-nummers);
- de verhoren van [getuige] als getuige zijn auditief vastgelegd en konden door de verdediging worden beluisterd;
- de verhoren van medeverdachten bij de rechter- en raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige;
- de verhoren bij de rechter-commissaris van getuigen die voor verdachten betastend hebben verklaard bij de politie (zoals Van Genderen en Ivanov);
- prof. dr. [deskundige] is op verzoek van de verdediging als deskundige benoemd en heeft een rapport over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van [getuige] opgemaakt;
- de rechtbank heeft ambtshalve een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [getuige] zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd en deze ambtshalve aan het dossier van verdachte toegevoegd;
- naar aanleiding van die verklaring heeft de rechtbank prof. dr. [deskundige] aanvullend laten rapporteren waarbij ook enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord, waarna deze aanvullende rapportage ambtshalve aan het dossier van verdachte is toegevoegd;
- de verdediging heeft in hoger beroep de mogelijkheid gehad om prof. dr. [deskundige] ter terechtzitting als deskundige (nader) te bevragen en daarvan gebruik gemaakt;
- het hof heeft op verzoek van de verdediging een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [getuige] zoals hij deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, deze aan de verdediging verstrekt en de verdediging de gelegenheid gegeven om zich daarover uit te laten ter terechtzitting en
- het feit dat de rechtbank ambtshalve heeft beslist dat alle raadslieden bij alle getuigenverhoren door de rechter-commissaris aanwezig konden zijn, ook als zij daar niet zelf om hadden verzocht, geldt als extra procedurele waarborg.
Wanneer al de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren (de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, het gewicht van de verklaringen en het bestaan van compenserende factoren) in onderling verband worden bezien, komt het hof tot de slotsom dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen reële en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van [getuige] heeft gehad, niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen bij de politie afgelegd als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van [getuige] voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder dat het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden.”
3.3
In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat verklaringen van getuige en tevens medeverdachte [getuige] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [getuige] is vijfmaal ondervraagd door de politie, namelijk op 5 en 7 januari 2021 (als getuige) en op 23, 24 en 25 februari 2021 (als verdachte). Daarna is hij, naar aanleiding van verzoeken van de verdediging, bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris gehoord. Bij de rechter-commissaris heeft hij één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en bij de raadsheer-commissaris heeft hij zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. In zijn eigen strafzaak heeft hij aangegeven dat hij dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw zal doen vanwege de dreiging richting hem en zijn familie die vanaf 18 april 2021 bestaat.
3.4
Op grond van art. 6 lid 1 onder Pro d EVRM heeft de verdediging het recht om getuigen te ondervragen. Indien een getuige weigert vragen te beantwoorden tijdens zijn verhoor is van een reële en effectieve mogelijkheid om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van eerdere verklaringen van de getuige te toetsen, geen sprake geweest. [2] In een dergelijk geval heeft de verdediging niet het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Dit brengt echter niet mee dat het gebruik van een dergelijke verklaring voor het bewijs zonder meer strijdig is met art. 6 EVRM Pro.
3.5
Om te beoordelen of in het geval waarin de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, de verklaring van de betreffende getuige voor het bewijs kan worden gebezigd, heeft het EHRM een driestappentoets ontworpen. In de eerste plaats wordt daarbij getoetst of een goede reden bestaat voor het niet hebben kunnen ondervragen van de getuige. Als inderdaad sprake is van een goede reden wordt getoetst of de verklaring van de niet effectief ondervraagde getuige
sole or decisiveof van
significant weightis voor het bewijs. Is dat het geval dan is het gebruik enkel toegestaan als er voldoende
counterbalancing factorsaanwezig zijn die het ontbreken van de mogelijkheid tot effectieve ondervraging compenseren. [3] Bij de beoordeling van de vraag of het proces in zijn geheel eerlijk is geweest, bestaat een verband tussen het gewicht die de verklaring van de niet-ondervraagde getuige inneemt in de bewijsconstructie en de mate waarin compenserende factoren aanwezig dienen te zijn. [4]
3.6
De hiervoor genoemde driestappentoets is verbonden met het ondervragingsrecht en behoeft dan ook enkel te worden doorlopen als van dat ondervragingsrecht geen afstand is gedaan. Afstand kan naast expliciet ook impliciet worden gedaan. Het EHRM overwoog in de zaak Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk [5] in verband met die laatste variant (onderstreping D.P.):
“122. Absence owing to fear calls for closer examination. A distinction must be drawn between two types of fear: fear which is attributable to threats or other actions of the defendant or those acting on his or her behalf and fear which is attributable to a more general fear of what will happen if the witness gives evidence at trial.
123. When a witness’s fear is attributable to the defendant or those acting on his behalf, it is appropriate to allow the evidence of that witness to be introduced at trialwithout the need for the witness to give live evidence or be examined by the defendant or his representatives– even if such evidence was the sole or decisive evidence against the defendant. To allow the defendant to benefit from the fear he has engendered in witnesses would be incompatible with the rights of victims and witnesses. No court could be expected to allow the integrity of its proceedings to be subverted in this way.Consequently, a defendant who has acted in this manner must be taken to have waived his rights to question such witnesses under Article 6 § 3 (d).The same conclusion must apply when the threats or actions which lead to the witness being afraid to testify come from those who act on behalf of the defendant or with his knowledge and approval.
In the Horncastle and others case the Supreme Court observed that it was notoriously difficult for any court to be certain that a defendant had threatened a witness. The Court does not underestimate the difficulties which may arise in determining whether, in a particular case, a defendant or his associates have been responsible for threatening or directly inducing fear in a witness. However, the Tahery case shows that, with the benefit of an effective inquiry, such difficulties are not insuperable.”
3.7
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van dit arrest onder meer geoordeeld dat in geval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van de verdachte, de verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven. [6]
3.8
Uit hetgeen ik onder de randnummers 3.6 en 3.7 heb vermeld, leid ik af dat een verdachte die een getuige bedreigt, geacht moet worden afstand te hebben gedaan van zijn ondervragingsrecht. [7] Die bedreiging moet evenwel op grond van objectieve gegevens in rechte komen vast te staan, naar aanleiding van een adequaat onderzoek door de feitenrechter. [8]
3.9
Het hof heeft vastgesteld dat op 18 april 2021 aan de moeder van [getuige] een dreigbericht is verstuurd waarin onder meer wordt gesproken over “de advocaten van alle verdachten” [9] en dat de getuige vervolgens zijn proceshouding heeft aangepast en zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen in verband met de bedreiging. Het hof heeft gelet op de inhoud van het bericht vervolgens vastgesteld dat de sms een dreiging impliceert uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook uit de richting van de verdachte. Dit brengt volgens het hof mee dat de verdachte zijn recht op ondervraging van deze getuige heeft prijsgegeven.
3.1
Volgens de stellers van het middel is het oordeel van het hof dat de verdachte zijn recht op ondervraging van [getuige] heeft prijsgegeven onjuist althans niet begrijpelijk. Ik begrijp de stellers van het middel zo dat zij menen dat de overweging dat de bedreiging aan [getuige] ‘uit de hoek van de aanslagplegers’ komt onvoldoende is om te kunnen stellen dat deze
daarmeeook uit de richting van de verdachte komt, zodat hij zijn recht op ondervraging heeft verspeeld. Dit brengt volgens de stellers van het middel mee dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
3.11
Deze (eerste deel)klacht faalt wat mij betreft. Daarbij betrek ik dat het hof verderop in zijn arrest tevens heeft vastgesteld dat een dreig-sms is verstuurd naar de moeder van de getuige met een ultimatum aan de getuige om zijn verklaringen in te trekken, omdat anders zijn leven een hel zou worden, waarna de getuige zijn proceshouding daadwerkelijk heeft aangepast en heeft geweigerd vragen te beantwoorden. [10] Het is vervolgens niet onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de dreig-sms, waarin volgens het hof onder meer wordt gesproken over “de advocaten van alle verdachten”, gelet op de inhoud van dit bericht, een dreiging impliceert afkomstig uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook uit de richting van de verdachte, zodat de verdachte zijn recht op ondervraging heeft verspeeld.
3.12
Dat de verdachte aldus geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht de getuige te ondervragen, vindt steun in de hiervoor geciteerde EHRM-jurisprudentie die er in de kern op neer komt dat ingeval een getuige niet wil verklaren uit angst voor represailles door of namens de verdachte, dit er niet aan in de weg staat zijn verklaringen voor het bewijs te bezigen zelfs als deze
sole or decisivezijn voor de veroordeling. Het moet volgens het EHRM dan gaan om bedreigingen afkomstig van de verdachte of “from those who act on [his] behalf […] or with his knowledge and approval”. [11] Hieruit leid ik af dat voldoende is dat de bedreiging namens en gericht op het belang van de verdachte is gedaan (het gebruik van het woord “or” in de zinssnede “from those who act on behalf of the defendant or with his knowledge and approval” duidt er immers op dat ook als geen sprake is van
knowledge and approvalaan de zijde van de verdachte een bedreiging toch aan hem kan worden toegerekend). Een andere lezing van de EHRM-rechtspraak zou tot de onaanvaardbare conclusie leiden dat de verdachte voordeel heeft als gevolg van bedreigingen die mede in zijn belang zijn gedaan door zijn criminele compagnons.
3.13
Gezien het voorgaande zou ik willen betogen dat de kous hiermee af is in cassatie. De bedreiging van een getuige brengt mijns inziens immers niet alleen mee dat de verdachte geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht de getuige te ondervragen, maar ook dat de hiervoor aan de orde gekomen driestappentoets van het EHRM niet meer behoeft te worden doorlopen. Het EHRM heeft in dit verband overwogen: “
When a witness’s fear is attributable to the defendant or those acting on his behalf, it is appropriate to allow the evidence of that witness to be introduced at trial without the need for the witness to give live evidence or be examined by the defendant or his representatives –even if such evidence was the sole or decisive evidence against the defendant” (onderstreping door mij, D.P.).De klacht over het ontbreken van voldoende compenserende factoren faalt daarmee, nu deze klacht in feite een overweging ten overvloede betreft. Voor het geval de Hoge Raad daar anders over mocht denken, zal ik ook de klacht over de compenserende factoren bespreken.
3.14
Ten eerste staat vast dat er een goede reden was dat de getuige niet effectief kon worden ondervraagd. Dit was namelijk het directe gevolg van de bedreigingen aan zijn adres. Wat betreft de vraag of voldoende compenserende factoren aanwezig zijn voor het gebruik van de verklaring van [getuige] , die zoals het hof ook overweegt,
decisiveis geweest voor de veroordeling van de verdachte, het volgende. De stellers van het middel klagen dat deze tekortschieten. Daartoe wordt in het kader van de tweede deelklacht aangevoerd dat het stellen van vragen aan anderen, zoals WOD’ers, observanten en medeverdachten, omtrent hetgeen deze al dan niet zouden hebben waargenomen geen betrekking heeft op de voor de verdachte belastende onderdelen van de verklaringen van [getuige] .
3.15
In de zaak Snijders tegen Nederland [12] heeft het EHRM in het kader van de vraag of er voldoende compenserende factoren aanwezig zijn voor het uitblijven van een effectieve ondervragingsmogelijkheid het volgende overwogen:

75. The Court found the following elements of relevance in the assessment of the adequacy of counterbalancing factors: the trial court’s approach to the untested evidence; the availability and strength of corroborative evidence supporting the untested witness statements; and the procedural measures taken to compensate for the lack of opportunity to directly cross-examine the witness at the trial (see paragraph 63 above).
76. In this connection, the Court has held that the question whether there were sufficient counterbalancing factors is closely related to the evidentiary weight of the statements of an untested witness, which is, in turn, inversely related to the evidentiary weight of other items of evidence. In other words, the more important the remaining evidence, the less evidentiary weight is attributed to the statements of an untested witness and, in turn, the less weight the counterbalancing factors would have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair (see, mutatis mutandis, AlKhawaja and Tahery, §§ 131 and 139; Schatschaschwili, §§ 116 and 123; and, more recently, Asani, §§ 34 under item (vi) and 35, all cited above).
3.16
Het hof heeft, zoals hiervoor onder randnummer 3.2 van deze conclusie is weergegeven, aangegeven waaruit de compenserende maatregelen bestaan. In het bijzonder wijs ik in dit verband op:
- het feit dat de verhoren van [getuige] als getuige auditief zijn vastgelegd en dat de verdediging deze mocht beluisteren; [13]
- het op verzoek van de verdediging inschakelen van een deskundige die een rapport heeft opgesteld over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van de getuige; [14]
- het naar aanleiding van de verklaringen van [getuige] die hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd ambtshalve opstellen en toevoegen aan het dossier van een proces-verbaal met de zaakgerelateerde weergave hiervan door de rechtbank en het naar aanleiding van deze verklaring laten opstellen van een aanvullend rapport door de deskundige (waarbij enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord) welke rapportage ook ambtshalve aan het dossier is toegevoegd;
- het ter terechtzitting in hoger beroep horen van de voornoemde deskundige; [15]
- het op verzoek van de verdediging door het hof opmaken van een verkort proces-verbaal van de verklaringen die de getuige ter terechtzitting in hoger beroep (ik neem aan in zijn eigen strafzaak, D.P.) heeft afgelegd en het verstrekken hiervan aan de verdediging en het in de gelegenheid stellen van de verdediging om zich hierover uit te laten;
- het verhoren van de politiemensen die bij de WOD-actie waarbij de getuige voor het eerst is benaderd, was betrokken.
3.17
De stellers van het middel lijken, gelet op het voorgaande, te miskennen dat volgens het hof de compenserende maatregelen niet alleen bestaan uit het stellen van vragen aan anderen, zoals WOD’ers, observanten en medeverdachten, omtrent hetgeen deze al dan niet zouden hebben waargenomen. Bovendien wijs ik erop dat het hof in zijn arrest, hoewel niet in het kader van de driestappentoets van het EHRM, ook uitgebreid heeft stilgestaan bij de betrouwbaarheid [16] van de verklaringen van [getuige] en per woningaanslag uiteen heeft gezet waaraan steun [17] kan worden ontleend voor deze verklaring [18] (onder meer camerabeelden, ANRP-hits, de aangetroffen explosieven en specifieke wijze waarop aanslagen hebben plaatsgevonden). Ook de tweede deelklacht faalt daarmee.
De derde deelklacht
3.18
Het middel bevat tot slot een bewijsklacht over de aanslag op de [a-straat] in [plaats] op 28 oktober 2020. De bewezenverklaring is volgens de stellers van het middel onvoldoende met redenen omkleed.
3.19
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05/780031-21 onder 3 bewezenverklaard dat:

hij op 28 oktober 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning (perceel [a-straat 1] ) door naar die woning te gaan en een mortierbomshell te plaatsen onder/op/aan een auto (van dei [benadeelde] ) die bij die woning stond geparkeerd en de lont van die mortierbomshell aan te steken waarbij die mortierbomshell nabij die woning tot ontploffing is gekomen, ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was”.
3.2
De bewezenverklaring berust op de volgende op PROMIS-wijze weergegeven bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):

3. Bewijsoverwegingen
[…]
3.1
3.1 Standpunt van het OM
De advocaten-generaal hebben het standpunt ingenomen dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde uitlokking van een poging tot moord/doodslag/zware mishandeling in [plaats] (feit 2 onder parketnummer 05/780075-20) en van het medeplegen van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was (feit 3 onder parketnummer 05/780031-21).
[…]
3.2
Standpunt van de verdediging
[…]
Voorts ontkent verdachte eveneens te hebben deelgenomen aan het incident bij de woning met adres [a-straat 1] in [plaats] en daarom wordt, net zoals door de advocaten-generaal is gevorderd, vrijspraak bepleit. Alleen de verklaring van [getuige] is hier een potentieel bewijsmiddel, maar de betrouwbaarheid van die verklaring kan niet zonder meer blijken omdat [getuige] heeft verklaard dat hij niet meer zeker weet of verdachte erbij betrokken is geweest.
[…]
3.3.
3.3. Oordeel van het hof
Verdachte wordt - kort gezegd - de betrokkenheid (als uitvoerder) bij de hiervoor genoemde feiten (het teweegbrengen van ontploffingen, of de voorbereiding daarvan) verweten.
Het hof is van oordeel dat verdachte samen met anderen verantwoordelijk is voor het opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen, of de voorbereiding daarvan, op de volgende adressen en overweegt daartoe als volgt.
[…]
3.3.4. 28
3.3.4.28 oktober 2020: aanslag in [plaats] , [a-straat 1] (05/780031-21, feit 3)
Op camerabeelden van de bewoner van de woning op het adres [a-straat 2] in [plaats] is te zien dat in de nacht van 28 oktober 2020 een explosie heeft plaatsgevonden in de [a-straat] in [plaats] . In de nacht van 28 oktober 2020 had de politie omstreeks 00.30 uur een melding ontvangen van buurtbewoners die een harde knal hadden gehoord. Op de parkeerplaats, gelegen aan de voorzijde van de woning op het perceel, waar in de nacht van 28 oktober 2020 de auto van de bewoners van perceel [a-straat 1] had gestaan, was een roetplek zichtbaar op de tegels. Rondom de parkeerplaats en voorzijde van de woning op perceel [a-straat 1] lag onder meer een stuk karton met daarop een etiket met daarop de tekst ’SHELL DANGEROUS EXPLOSIVE‘. De bewoner van de woning op perceel [a-straat 1] , [benadeelde] , heeft op 28 oktober 2020 omstreeks 17.30 uur lakschade op het dak en op de zijkant van haar auto waargenomen.
Het adres van de woning waar de aanslag is gepleegd, komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [A] die in het onderzoek Maldiven in het dossier heeft gezeten.
Uitvoerders ( [verdachte] en [getuige] )
[getuige] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] betrokken is geweest bij deze aanslag. [getuige] reed en [verdachte] stak de shell aan.
Deze verklaring van [getuige] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten.
- Op de camerabeelden van de bewoner van de woning op het adres [a-straat 2] in [plaats] is te zien dat een man vanuit de richting van de [b-straat] met een zwarte tas in zijn hand in de richting liep van de plaats van het misdrijf. Die man verdwijnt heel kort uit beeld en daarna is te zien dat die man, inmiddels zonder tas, hard wegrende in de richting van de [b-straat] . Enkele seconden later vond een kleine explosie plaats, die na zes seconden gevolgd werd door een enorme explosie die gepaard ging met een grote vuurzee. Volgens de verbalisant lijkt het signalement van de man op de beelden op het signalement van [verdachte] , met dien verstande dat de beelden van dien aard zijn dat een 100%-herkenning niet mogelijk is.
- De auto met het [kenteken] , dat op naam stond van [getuige] , is op 27 en 28 oktober 2020 op de volgende tijdstippen geregistreerd door ANPR-camera's op de volgende locaties;
o op 27 oktober 2020 om 23.54 uur op de [snelweg] bij hectometerpaaltje […] links (reistijd tot de plaats van het misdrijf: 23 minuten);
o op 28 oktober 2020 om 00.10 uur op de [snelweg] bij hectometerpaaltje […] rechts (reistijd tot de plaats van het misdrijf: negen minuten).
Het hof is van oordeel dat deze ANPR-registraties sterk duiden op een reisbeweging in de richting van de plaats van het misdrijf, waarbij het hof aan Google Maps heeft ontleend dat [plaats] aan de [snelweg] ligt, in het verlengde van de rijrichting van de auto van [getuige] op 28 oktober 2020 om 00.10 uur. Verder is het hof van oordeel dat deze ANPR-registraties ook wat het betreft het tijdverband met de aanslag goed passen bij het scenario waarin [getuige] en [verdachte] op 28 oktober 2020 om 00.10 uur (onderweg waren naar en) op ongeveer negen minuten verwijderd waren van de plaats van het misdrijf en [verdachte] omstreeks 00.30 uur de ontploffing teweeg heeft gebracht.
Wat betreft het gebruikte explosief: op de plaats van het misdrijf is een label aangetroffen met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVE'.
Zowel door de advocaten-generaal als door de verdediging is aangevoerd dat de telefoon van verdachte niet op de locatie van de aanslag aanstraalde maar in [plaats] en dat die telefoon kort na de aanslag is gebruikt voor het versturen van smileys, wat een sterke indicatie is dat verdachte bij zijn telefoon was. Het hof is van oordeel dat het feit dat de enkele omstandigheden dat kort na de aanslag vanaf de telefoon van verdachte een bericht met smileys is verstuurd en dat die telefoon in [plaats] aanstraalde onvoldoende zijn om het in het dossier aanwezige bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij de aanslag in [plaats] te ontkrachten. Bij dit oordeel betrekt het hof dat door [getuige] is verklaard dat verdachte vaak zijn telefoon in [plaats] moest achterlaten bij [medeverdachte 5] .
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [verdachte] en [getuige] - gelet op het onderling gecoördineerde optreden van beiden en het feit dat de samenwerking tussen beiden inmiddels een zekere duurzaamheid had gekregen: tezamen en in vereniging - een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [a-straat 1] in [plaats] en dat daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Met het openbaar ministerie acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest
[…]
3.3.6.
Eindconclusie ten aanzien van de vijf woningaanslagen
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat [verdachte] als uitvoerder verantwoordelijk is voor de vijf woningaanslagen. Deze conclusie baseert het hof op het hiervoor overwogene en op het volgende. Schakelbewijs (modus operandi) In de rechtspraak is vastgelegd dat het gebruik van zogenoemd schakelbewijs als bewijsmiddel is toegestaan. Dat houdt in, dat het bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer strafbare feiten onder voorwaarden als ondersteunend bewijsmiddel kan dienen voor het bewijs van andere strafbare feiten. Voor het gebruik van schakelbewijs dient de feitelijke gang van zaken (de zogenaamde modus operandi) ten aanzien van de strafbare feiten op essentiële punten onderling belangrijke overeenkomsten te vertonen.
Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen over en weer kunnen dienen als schakelbewijs nu sprake is van een herkenbare specifieke modus operandi van verdachte. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit de verschillende onderzoeken komt een specifieke werkwijze naar voren waarbij de adressen vanaf ‘ [medeverdachte 2] ’ ( [medeverdachte 2] ) via ‘ [medeverdachte 5] ’ ( [medeverdachte 5] ) naar ' [verdachte] ' ( [verdachte] ) gingen. Het adres werd verstrekt op een briefje dat [verdachte] kreeg van [medeverdachte 5] . [getuige] heeft verklaard dat ze die lijst hadden als gevolg van ‘die blunder* (het hof begrijpt dat dit gaat over de personeelslijst van [A] die door een fout in het dossier van [medeverdachte 2] terecht is gekomen). Bij alle aanslagen waaraan [getuige] heeft deelgenomen, kwam de shell van [medeverdachte 5] , die de shell aan [verdachte] gaf. De shell was altijd verpakt in een boodschappentas of een vuilniszak. Alles wat [medeverdachte 5] tegen [verdachte] en [getuige] zei, kwam vanuit [medeverdachte 2] . [medeverdachte 5] moest ook altijd eerst overleggen voordat hij ergens antwoord op kan geven. De terugkoppeling verliep vaak via [medeverdachte 5] .
Al hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en in samenhang bezien, kan volgens het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte de uitvoerder van deze aanslagen is geweest”.
3.21
Volgens de stellers van het middel is het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheden dat kort na de aanslag vanaf de telefoon van de verdachte een bericht met smileys is verstuurd en dat die telefoon in [plaats] (dus ver van de plaats delict) aanstraalde onvoldoende om het in het dossier aanwezige bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de aanslag te ontkrachten onbegrijpelijk, nu uit hetgeen het hof heeft vastgesteld “bezwaarlijk anders kan volgen dat de telefoon is gebruikt door het versturen van berichten waaruit volgt dat verdachte ten tijde van het feit dus niet op de plaats van het delict aanwezig was”.
3.22
Deze klacht faalt. Ik zie, anders dan de stellers van het middel, niet in waarom het feit dat de telefoon is gebruikt voor het versturen van berichten het hof tot de conclusie zou hebben moeten dwingen dat de verdachte niet aanwezig was bij de aanslag. Het hof heeft de omstandigheid dat de telefoon van de verdachte ten tijde van het delict aanstraalde in [plaats] en dat vanaf die telefoon kort na de aanslag smileys zijn verstuurd onder ogen gezien en in dat verband overwogen dat deze omstandigheid onvoldoende is om het in het dossier aanwezige bewijs van de betrokkenheid van verdachte – met name de verklaringen van [getuige] en de camerabeelden van een buurtbewoner – bij de aanslag te ontkrachten, omdat [getuige] heeft verklaard dat de verdachte de telefoon vaak achter moest laten bij [medeverdachte 5] . Hiermee heeft het hof het alternatieve scenario waarin de verdachte ten tijde van de aanslag in [plaats] was op niet onbegrijpelijk wijze terzijde geschoven.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de preventief gedetineerde verdachte is op 4 april 2025 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de in dit geval geldende inzendtermijn van zes maanden met bijna drie weken is overschreden. Gezien de beperkte overschrijding van de redelijke termijn zou in beginsel kunnen worden volstaan met de constatering hiervan. [19]
4.3
Ambtshalve merk ik evenwel op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro op 4 augustus 2026 verstrijkt. Deze termijn zal naar verwacht mag worden niet worden gehaald. Afhankelijk van de mate van overschrijding, zal dit tot strafvermindering kunnen leiden. [20]

5.Slotsom

5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar leidt op zichzelf genomen niet tot cassatie.
5.2
Ambtshalve heb ik, naast hetgeen ik onder 4.3 heb opgemerkt, geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en tot eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-001480-22. Dit arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2025:2008.
2.HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
3.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), paragraaf 107-116.
4.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), paragraaf 117.
5.EHRM 15 december 2011, nrs. 26 766 en 22 228/06 (
6.HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
7.Zo ook B. de Wilde,
8.EHRM 15 december 2011, nrs. 26 766 en 22 228/06 (
9.Een blik over de papieren muur wijst uit dat het op 18 april 2021 door de moeder van [getuige] ontvangen bericht inhoudt: “
10.Dit blijkt uit het deel van het arrest waarin het hof ingaat op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] . Ik citeer uit paragraaf 2.3 van het bestreden arrest: “Dat [getuige] op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt niet dat zijn eerdere verklaringen daadwerkelijk feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [getuige] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [getuige] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. Het hof acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(s) van de aanslagen - voor [getuige] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [getuige] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. Het hof hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [getuige] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen.”
11.EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06 (Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk), paragraaf 123.
12.EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders t. Nederland).
13.Vgl. wat betreft videoregistratie van verhoor EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (D.T t. Nederland), paragraaf 50. Zie ook inzake video- en audioregistratie EHRM 2 juli 2002, nr. 34209/96 (S.N. t. Zweden), paragraaf 52. Enkel audio is wel van mindere waarde, zo meent De Wilde (zie B. De Wilde,
14.Vgl. wat betreft een deskundigenoordeel omtrent de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (D.T. t. Nederland), paragraaf 51. Zie ook De Wilde
15.Zie De wilde p. 537 en EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (D.T t. Nederland), paragraaf 51.
16.Paragraaf 2.3 van het arrest (ECLI:NL:GHARL:2025:2008).
17.Paragraaf 3.3.1-3.3.5. van het arrest (ECLI:NL:GHARL:2025:2008).
18.Zie wat betreft het toetsen van de betrouwbaarheid en steunbewijs als compenserende factor EHRM 17 september 2013, nr. 23789/09 Brzuszczyński t. Polen, paragraaf 89-90 en EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06 (Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk), paragraaf 156.
19.Vgl. HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1370 (overschrijding inzendtermijn met een paar weken).
20.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.