Conclusie
[verzoekster]respectievelijk
SAR.
1.Inleiding en samenvatting
Wft). De vraag is met name of de verzekerde dat recht reeds kan uitoefenen in de initiële fase van de behandeling van een schadegeval, waarin nog niet duidelijk is of er een procedure zal komen. Indien dat recht in dat stadium reeds bestaat, dan komen de daarmee verband houdende advocatenkosten in beginsel voor rekening van de rechtsbijstandverzekeraar.
Vlaamse Balies. [2] Daarin werd een Belgische buitengerechtelijke bemiddelingsprocedure aangemerkt als ‘gerechtelijke procedure’ in de zin van art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG zodat een verzekerde ook al voor werkzaamheden in die ‘voorfase’ zelf een advocaat mag kiezen. SAR stelt zich op het standpunt dat onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ niet valt de fase waarin feiten van een zaak worden verzameld, daarover een (eerste) advies wordt uitgebracht of een schikking wordt beproefd om een procedure te vermijden. SAR erkent weliswaar dat uit het
Vlaamse Balies-arrest volgt dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ ruimer moet worden uitgelegd dan alleen de eigenlijke procedure bij een gerechtelijke instantie, maar dat het te ver gaat dat arrest door te trekken naar de initiële fase van de behandeling van een schadezaak waarin nog geen concreet zicht bestaat op een te voeren procedure.
2.Feiten
Achmea). [verzoekster] heeft bij Centraal Beheer (onderdeel van Achmea) een rechtsbijstandsverzekering afgesloten. Op deze verzekering zijn onder meer de verzekeringsvoorwaarden (versie LEX-RV-01-221) van toepassing verklaard (hierna:
de verzekeringsvoorwaarden).
9.Wat is verzekerd?
10.Wie verleent de rechtsbijstand?
13.Wanneer meldt een verzekerde een geschil?
17.Wanneer kan Achmea Rechtsbijstand de verzekerde schadeloos stellen?
19.Extra kosten: hoe werkt het?
20.Welke extra kosten betaalt Achmea Rechtsbijstand?
21.Tot welk bedrag zijn de extra kosten verzekerd?
3.Procesverloop
kantonrechter). Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: [8]
JBPr2020/73, m.nt. C.F. Michiels (
Orde van Vlaamse Balies en Ordre des barreaux francophones et germanophone/Ministerraadgewezen arrest ‘Vlaamse Balies’:
het vonnis) de gevorderde verklaring voor recht afgewezen wegens gebrek aan belang, [10] omdat (i) tussen partijen vaststaat dat SAR de gemaakte advocaatkosten met betrekking tot het eerste arbeidsgeschil heeft voldaan en (ii) SAR heeft aangeboden ook de kosten van een eventuele procedure tegen de voormalig werkgever van [verzoekster] (over de billijke vergoeding) te voldoen. [11] In verband met punt (ii) heeft de rechtbank onder meer overwogen dat SAR aan [verzoekster] heeft gevraagd of zij de hoogte van de gewenste billijke vergoeding wil vermelden, zodat zij kan bepalen of er sprake is van een redelijke kans kan slagen van de procedure, dat SAR deze eis mag stellen gelet op wat volgt uit art. 9, 13, 15 en 17 van de verzekeringsvoorwaarden, dat SAR hiermee niet om een onderbouwd juridisch advies heeft gevraagd en dat, nu SAR nog niet in de gelegenheid is gesteld de slagingskans van de procedure te beoordelen, nog niet vast is komen te staan dat zij voornemens is de vergoeding van de gevraagde kosten (definitief) te weigeren. Bij dat laatste moet ook de mogelijkheid tot het doorlopen van de geschillenregeling in aanmerking worden genomen. [12]
Stellen van de prejudiciële vraag:
Hof Den Boschof
hof). Zij heeft vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gevorderd en geconcludeerd, kort samengevat, dat het hof, opnieuw rechtdoende, op de voet van art. 392 Rv Pro prejudiciële vragen stelt aan de Hoge Raad over, zeer kort weergegeven, de reikwijdte van het recht op vrije advocaatkeuze, en daarnaast SAR zal veroordelen tot betaling van € 13.350,41 voor kosten van rechtsbijstand. Met betrekking tot dat bedrag overweegt het hof dat het begrijpt dat dit ziet op: [14]
het tussenarrest), [16] waarin het overweegt voornemens te zijn om op de voet van art. 392 Rv Pro prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Uit rov. 3.4.2 en 3.4.3 van dit tussenarrest volgt dat [verzoekster] en SAR beide hebben voorgesteld om niet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, maar direct aan het Hof van Justitie. Het hof heeft dit gemeenschappelijke voorstel gepasseerd en het aan de Hoge Raad gelaten om, indien nodig, de zaak te verwijzen naar het Hof van Justitie. [17]
onderstrepingen hier en in citaten hierna door mij toegevoegd, A-G]:
dat zijvolgens de uitspraak van het Hof van Justitie 10 september 2009 C-199/08 (Eschig tegen Uniqa Sachversicherung AG) § 50, op grond van artikel 201 van Pro de richtlijn 2009/138/EG, zoals bevestigd in de uitspraak van het Hof van Justitie van 14 mei 2020 C-667/18 “Vlaamse Balies” § 31 en de daaraan voorafgaande conclusie van de A-G Saugmandsgaard,
vanaf het moment dat een juridisch geschil of dreigend juridische geschil is gerezen en [verzoekster] aldus uit hoofde van de polisvoorwaarden aanspraak kan maken op rechtsbijstand door SAR, recht heeft op vrije advocaatkeuze waarvan, nu zij aanspraak kan maken op rechtsbijstand door SAR, de kosten door SAR dienen te worden vergoed. Het Hof van Justitie heeft in laatst genoemde uitspraak immers geoordeeld dat het begrip “gerechtelijke procedure” in artikel 201 lid 1 van Pro richtlijn 2009/138 niet kan worden beperkt tot niet-administratieve procedures voor een gerecht en evenmin door een onderscheid te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van zo een procedure en dat elke fase die kan leiden tot een procedure bij een gerechtelijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, geacht moet worden onder het begrip “gerechtelijke procedure” te vallen in de zin van voornoemd artikel.
Weliswaar heeft, zo betoogt [verzoekster] ,
het Hof van Justitie zich niet uitgesproken over [de vraag] of deze voorfase intreedt op het moment dat sprake is van een (dreigend) juridisch geschil en dus of vanaf het intreden van een dreigend juridisch geschil sprake is van een gerechtelijke procedure als bedoeld in artikel 201 lid 1 onder Pro a van richtlijn 2009/138, maar gelet op de conclusie van AG Saugmandsgaard dient dat wel zo te worden begrepen.
[verzoekster] heeft zich ter onderbouwing van het voorgaande beroepen op de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van 31 maart 2021 nr. 2021-0300. Die commissie heeft geoordeeld:
De verzekeraar stelt nog dat het HvJ met de woorden ‘elke fase’ in overweging 31 van het arrest van 14 mei 2020 overweegt dat elke fase van een procedure die kan leiden tot een rechterlijke component (een procedure bij een rechterlijke instantie) onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ valt. De commissie is van oordeel dat uit de wijze waarop de tweede zin van overweging 31 is geformuleerd niet kan worden opgemaakt dat de woorden ‘elke fase’ betrekking hebben op een bepaalde procedure. Dit betekent dat een verzekerde in geval van een beroep op de rechtsbijstandverzekering in elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie een beroep op de vrije advocaatkeuze toekomt. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat sprake moet zijn van een conflict, te definiëren als het bestaan van een belangentegenstelling. Dit betekent voor de zaak van de consument dat zij, ondanks dat de gemelde kwestie niet tot een procedure bij een gerechtelijke instantie heeft geleid, voor het conflict met(...)
recht had op gefinancierde rechtsbijstand door de door haar gewenste externe rechtshulpverlener.
SAR heeft zich erop beroepen dat de Europese wetgeving ten aanzien van rechtsbijstandverzekeringen onderscheid maakt tussen een naturadekking en een kostendekking. Volgens SAR hoeft een verzekeraar die een naturadekking biedt de verzekerde het recht op vrije advocaatkeuze pas te bieden indien een gerechtelijke of administratieve procedure moet worden gevoerd. Dit volgt, zo betoogt SAR, uit artikel 4 lid 1 onder Pro a van richtlijn 87/344 EEG en dat is onder het bepaalde in artikel 201 lid 1 onder Pro a van richtlijn 2009/138/EG niet veranderd.
Eschig-arrest [19] verworpen. Het heeft de gevorderde verklaring voor recht afgewezen, voor zover het door [verzoekster] gestelde recht op vrije advocaatkeuze is gebaseerd op art. 3 lid Pro 2, onder c, van Richtlijn 87/344/EEG [20] , dan wel op art. 200 lid 4 van Pro Richtlijn 2009/138/EG. Het hof overweegt:
Het beroep op de uitspraak van het Hof van Justitie 10 september 2009 C-199/08 § 50.
De oplossing van artikel 3, lid 2, sub c, van richtlijn 87/344 verleent de verzekerden immers ruimere rechten dan artikel 4, lid 1, sub a, van deze richtlijn. Zo voorziet deze laatste bepaling slechts in een recht om vrij zijn rechtshulpverlener te kiezen voor het geval dat een gerechtelijke of administratieve procedure wordt ingesteld. Volgens de oplossing van artikel 3, lid 2, sub c, van de richtlijn daarentegen mag de verzekerde de behartiging van zijn belangen toevertrouwen aan een rechtshulpverlener zodra hij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen, dus ook voordat er sprake is van enige gerechtelijke of administratieve procedure.”
Overwegende dat met het oog op bescherming van verzekerden elk mogelijk belangenconflict tussen een voor rechtsbijstand verzekerde en zijn verzekeraar als gevolg van het feit dat deze hem heeft verzekerd voor één of meer andere, in de bijlage van Richtlijn 73/239/EEG vermelde, branches of dat hij een derde persoon heeft verzekerd, zoveel mogelijk moet worden voorkomen, en dat, als een dergelijk conflict zich voordoet, de oplossing ervan mogelijk moet worden gemaakt;(...)
c) de onderneming neemt in de overeenkomst de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de polis het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat van zijn keuze of voor zover het nationale recht zulks toestaat, een ander gekwalificeerd persoon.”
Vlaamse Balies-arrest: [22]
Het begrip “gerechtelijke procedure” in de zin van artikel 201 van Pro richtlijn 2009/138 moet even ruim worden uitgelegd als het begrip “administratieve procedure”, aangezien het voorts incoherent zou zijn om deze twee begrippen verschillend uit te leggen wat betreft het recht om een advocaat of vertegenwoordiger te kiezen.”
31“
Hieruit volgt dat het begrip “gerechtelijke procedure” niet kan worden beperkt tot uitsluitend niet-administratieve procedures voor een gerecht in eigenlijke zin, en ook niet door een onderscheid te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van een dergelijke procedure. Elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, moet dus worden geacht onder het begrip “gerechtelijke procedure” in de zin van artikel 201 van Pro richtlijn 2009/138 te vallen”.
De rechtspraak van het Hof van Justitie is niet voldoende duidelijk om op grond daarvan te kunnen beoordelen of de in deze zaak door de advocaat van [verzoekster] (mr. Van der Mark) verrichte en bij SAR geclaimde werkzaamheden alle betrekking hebben op een gerechtelijke procedure in de zin van artikel 201 lid 1 onder Pro a van de richtlijn 2009/138. In het verlengde daarvan heeft het hof ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen beoordelen of het hanteren van de polisvoorwaarden (in het bijzonder de artikelen 20 en 21) waarbij de verzekeraar zich bij uitsluiting het recht toekent te bepalen of een procedure een redelijke kans van slagen heeft en of de verzekerde schadeloos wordt gesteld ter voorkoming van een gerechtelijke procedure, in overeenstemming is met artikel 201 lid 1 onder Pro a van de richtlijn.” [24]
NOvA) een incidentele conclusie tot tussenkomst (art. 217 jo Pro. art. 353 Rv Pro) genomen. DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. (hierna:
DAS) heeft op de voet van dezelfde bepalingen geconcludeerd tot voeging althans tussenkomst. [27] Bij tussenarrest van 25 november 2025 (hierna:
het verwijzingsarrest) heeft het hof zowel de NOvA als DAS niet-ontvankelijk verklaard. [28]
vraag vanaf welk moment[verzoekster] op grond van art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG het recht heeft zelf een advocaat te kiezen om rechtsbijstand te verlenen, waarbij geen onderscheid kan worden gemaakt tussen rechtsbijstand voor een verzoekschriftprocedure of een dagvaardingsprocedure. [29]
het Verbond) en de NOvA zijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
4.Juridisch kader
het vrije keuzerechtof als
het recht op vrije advocaatkeuze. Ook een andere bevoegde rechtshulpverlener dan een advocaat valt onder dit recht.
Hof van Justitieof
Hof) over het vrije keuzerecht (B.). Daarop aansluitend bespreek ik nationale uitspraken, zowel van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna:
Kifid) als van overheidsrechters (C.). Daarna ga ik in op de rechtsliteratuur over het recht op vrije advocaatkeuze (D.). In dat kader noem ik ook twee onderzoeksrapporten over de mogelijke gevolgen van het verder verruimen van dat recht (E.). Daarna ga ik in op de geschillenregeling waarop de rechtsbijstandverzekerde een beroep kan doen (F.) en tot slot op de twee (soorten) polisvoorwaarden die onderwerp zijn van de derde prejudiciële vraag (G.).
Uniewetgeving en omzetting daarvan in nationale wetgeving
ten minste een van de volgende alternatieve oplossingen aannemen:
tweede lidbevat drie alternatieve ‘oplossingen’ voor de inrichting van de schaderegeling. De varianten genoemd in art. 3 lid Pro 2,
onder a en onder b, gaan ervan uit dat rechtsbijstand door personeel van de rechtsbijstandverzekeraar, en dus
innatura, wordt aangeboden. De verzekerde heeft aanspraak op rechtshulp, hoeft daarom geen kosten voor rechtsbijstand te maken en krijgt om die reden in beginsel niet de kosten vergoed van een door hem zelf ingeschakelde advocaat of andere rechtshulpverlener. Art. 3 lid Pro 2,
onder c, voorziet in de mogelijkheid om een rechtsbijstandverzekering met het karakter van een
kostenverzekering aan te bieden (vergelijkbaar met een restitutiepolis bij een zorgverzekering). De verzekerde heeft recht op vergoeding van de kosten van de door hem zelf gekozen rechtshulpverlener. Blijkens het
derde lidvan art. 3 wordt Pro de dekking voor verzekerden uit hoofde van de richtlijn geacht gelijkwaardig te zijn, ongeacht welk van de drie ‘modellen’ is gekozen. [36]
elke overeenkomstinzake rechtsbijstandverzekering moet uitdrukkelijk worden bepaald dat
indien een advocaatof andere persoon die volgens het nationaal recht gekwalificeerd is,
wordt gevraagd de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen,
de verzekerde vrij is om deze advocaat of andere persoon te kiezen;
om zijn belangen te behartigen wanneer zich een belangenconflict voordoet.
onder a,aan de orde. Daarin staat: “
indien een advocaat … wordt gevraagd.” De lijdende vorm wordt ook in andere taalversies van de richtlijn gebruikt. [40] Er staat niet
wieeen advocaat kan vragen, maar bedoeld is dat de verzekerde het recht heeft dat te doen. Ik verwijs naar de elfde considerans bij de richtlijn:
onder b, dat specifiek ziet op een belangenconflict van de verzekeraar. Dat verschil ligt voor de hand: in geval van een belangenconflict van de verzekeraar kan de verzekerde niet bij deze terecht en is dus aangewezen op een externe rechtshulpverlener.
eerste mogelijke duidingvan die begrippen kan zijn dat de term ‘gerechtelijke procedure’ ziet op een procedure ten overstaande van een gerechtelijke instantie en de term ‘administratieve procedure’ op een procedure bij een bestuursorgaan of een andere niet-rechterlijke instantie. Een administratieve procedure
kandan voorafgaan aan een gerechtelijke procedure. De Engelse taalversie van de richtlijnbepaling biedt voor deze uitleg mogelijk een aanknopingspunt. Er staat: “
in any inquiry or proceedings” (in die volgorde). In de Franse taalversie staat: “
dans toute procédure judiciaire ou administrative” en in de Duitse taalversie: “
in einem Gerichts- oder Verwaltungsverfahren”. Zowel ‘
procédure administrative’ als ‘
Verwaltungsverfahren’ klinkt sterk als een besluitvormingsprocedure bij een bestuursorgaan waarin ten aanzien van een justitiabele een besluit wordt genomen. [41] In deze benadering is het recht op vrije advocaatkeuze dus reeds van toepassing in het kader van de administratieve fase die voorafgaat aan de gerechtelijke procedure. Die fase is dan de ‘administratieve procedure’. In civielrechtelijke zaken zal zo’n voortraject echter veelal ontbreken.
tweede mogelijke duidingvan de begrippen ‘gerechtelijk en administratief’ zou kunnen zijn dat ‘administratief’ ziet op bestuursrechtelijke procedures en ‘gerechtelijk’ op andere procedures (civiel, straf). De administratieve procedure en de gerechtelijke procedure zien dan op verschillende rechtsgebieden die samen het hele veld bestrijken.
aan de verzekeraaris om te bepalen of het nodig is een advocaat in te schakelen. In de memorie van toelichting bij de implementatiewet staat daarover het volgende: [42]
Als uitgangspunt geldt dat het ter beoordeling van de verzekeraar staat het moment te bepalen wanneer een advocaat of andere deskundige wordt gevraagd de belangen van een verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen. Zou tussen verzekeraar en verzekerde verschil van mening ontstaan over de vraag of de tijd rijp is om een dergelijke procedure te starten, dan kan de verzekerde het moment van vrije advocatenkeuze afdwingen door middel van de scheidsrechterlijke procedure, bedoeld in artikel 26d van het wetsvoorstel. (…)”
Artikel 4:67
Het moment van inschakelen van een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige als bedoeld in onderdeel a staat ter beoordeling van de rechtsbijstandverzekeraar. [48]
Sneller/DASen het eindarrest van de Hoge Raad van 21 februari 2014 [52] in die zaak (zie nrs. 4.31-4.34 van deze conclusie). Lid 1 is toen als volgt komen te luiden:
Door de uitspraak van het Hof van Justitie is duidelijk geworden dat een verzekerde in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure zelf mag bepalen of hij zich laat bijstaan door een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige of door een medewerker van de rechtsbijstandverzekeraar. De vrije keuze voor een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige van de verzekeringnemer kan niet worden beperkt tot de situaties waarin de verzekeraar besluit dat een externe rechtshulpverlener in de arm moet worden genomen. Hetzelfde geldt voor het kiezen van een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige indien zich een belangenconflict voordoet (…).
Een overeenkomst tot rechtsbijstandverzekering kan bijvoorbeeld bepalen dat de kosten voor een externe rechtshulpverlener en de eventuele proceskosten tot een bepaald maximum bedrag worden vergoed. Deze beperkingen mag er echter niet toe leiden dat de verzekeringnemer in de praktijk van zijn vrije advocaatkeuze wordt beroofd(zie ook overwegingen 26 en 27 in de uitspraak van het Hof van Justitie).” [54]
Rechtspraak van het Hof van Justitie over het recht op vrije advocaatkeuze
ontkennend. [56] Dat het ging om een geval van massaschade maakte de zaak, zeker voor die tijd, tamelijk specifiek.
strekken de bij deze artikelen aan de verzekerden verleende rechten ertoe de belangen van de verzekerde ruim te beschermen, zonder dat zij zich beperken tot situaties waarin zich een belangenconflict voordoet.
aan iedere verzekeringnemer een algemeen en autonoom recht is verleend om, binnen de door elk van deze artikelen vastgestelde grenzen, zijn rechtshulpverlener vrij te kiezen.
maar beperkt het dit recht tot gerechtelijke of administratieve procedures, behoudens in gevallen waarin zich een belangenconflict voordoet. (…).” [57]
de minimale vrijheidvast die aan de verzekerde dient te worden verleend,
ongeachtvoor welke optie van artikel 3, lid 2, van de richtlijn de verzekeringsmaatschappij kiest.
dat de werkingssfeer van de in artikel 3, lid 2, sub a en b, van richtlijn 87/344 bedoelde maatregelen ongewijzigd blijft, zelfs indien uit artikel 4, lid 1, sub a, van deze richtlijn een autonoom recht van de rechtsbijstandverzekerde op vrije keuze van zijn rechtshulpverlener wordt afgeleid.
De oplossing van artikel 3, lid 2, sub c, van richtlijn 87/344 verleent de verzekerden immers ruimere rechten dan artikel 4, lid 1, sub a, van deze richtlijn. Zo voorziet
deze laatste bepalingslechts in een recht om vrij zijn rechtshulpverlener te kiezen
voor het geval dat een gerechtelijke of administratieve procedure wordt ingesteld.
Volgens de oplossing van artikel 3, lid 2, sub c, van de richtlijn
daarentegen mag de verzekerde de behartiging van zijn belangen toevertrouwen aan een rechtshulpverlener zodra hij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen, dus ook voordat er sprake is van enige gerechtelijke of administratieve procedure.” [58]
ongeachtvoor welke optie uit art. 3 lid 2 een Pro rechtsbijstandverzekeraar heeft gekozen. Verder geeft het Hof een aanknopingspunt voor de verhouding tussen (thans) art. 200 lid 4 en Pro art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG. Gaat het om een zuivere kostenverzekering, dan heeft de verzekerde recht op vergoeding van de kosten van de door hem ingeschakelde rechtshulpverlener zodra hij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen. Gaat het om een naturaverzekering, dan kan de verzekerde pas een beroep doen op het vrije keuzerecht zodra sprake is van een gerechtelijke of administratieve procedure.
Stark/DASgaat over een Oostenrijkse regeling volgens welke in een verzekeringsovereenkomst kan worden overeengekomen dat de verzekeringnemer voor zijn vertegenwoordiging in een gerechtelijke of administratieve procedure enkel een tot de beroepshalve vertegenwoordiging van partijen bevoegde persoon mag kiezen die kantoor houdt in de plaats van de gerechtelijke of administratieve instantie die in eerste aanleg bevoegd is voor de te voeren procedure. Om zijn belangen te behartigen in een arbeidsrechtelijke procedure in Wenen had Stark een advocaat ingeschakeld die was gevestigd in zijn woonplaats en niet in Wenen. DAS vergoedde alleen het standaardtarief voor een advocaat gevestigd in de plaats van de bevoegde rechter (Wenen). Het Hof moest oordelen of de nationale regeling in kwestie verenigbaar was met art. 4 lid 1 van Pro Richtlijn 87/344/EEG.
“(…) indien een advocaat (…) wordt gevraagd (…)” in art. 4 lid 1 van Pro Richtlijn 87/344/EEG kan worden opgevat als
“(…) indien (de verzekeraar besluit dat) een advocaat (moet worden) gevraagd (…)”. Het Hof overweegt dat uit art. 4, lid 1, onder a, in samenhang met de elfde overweging van de considerans van de richtlijn, voortvloeit dat het vrije keuzerecht niet kan worden beperkt tot de gevallen waarin de verzekeraar besluit dat een externe rechtsbijstandverlener in de arm moet worden genomen. [65] Ten tweede wijst het Hof op het doel van de richtlijn en in het bijzonder van art. 4 ervan Pro, namelijk om de belangen van verzekerden ruim te beschermen. Met dat doel is niet verenigbaar een beperkte interpretatie van art. 4 lid Pro 1, onder a, van de richtlijn, zoals door DAS werd bepleit. Ten derde preciseert het Hof dat in bepaalde gevallen beperkingen kunnen worden gesteld aan de kosten die door de verzekeraars worden vergoed, in het geval gebruik wordt gemaakt van het recht op vrije keuze van rechtshulpverlener, voor zover deze vrijheid niet van haar inhoud wordt beroofd. Dat laatste zou het geval zijn indien het door de beperking van de vergoeding van deze kosten voor de verzekerde in de praktijk onmogelijk werd, een redelijke keuze te maken wat zijn vertegenwoordiger betreft. Het is aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of sprake is van een zodanige beperking. [66] Dit leidde tot het volgende antwoord op de eerste prejudiciële vraag:
verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers,
tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed.” [67]
Sneller/DAS-arrest heeft niet alle onduidelijkheid omtrent de omvang van het vrije keuzerecht weggenomen. Zo merkt Krans in zijn NJ-annotatie bij het eindarrest van de Hoge Raad [69] op: “
Met deze rechterlijke beslissingen is geen einde gemaakt aan alle onzekerheden omtrent de vrije advocatenkeuze. Zo kan bijvoorbeeld de reikwijdte van de materie tot vragen leiden: voor welke procedures geldt de bedoelde vrije keuze nu eigenlijk? Het Hof van Justitie hanteert in navolging van de richtlijn de begrippen ‘gerechtelijke en administratieve procedure’. Die begrippen worden in de richtlijn niet nader gedefinieerd.” [70] Krans’ voorspelling dat die begrippen verduidelijking behoeven om te kunnen bepalen onder welke voorwaarden het vrije keuzerecht ingaat is uitgekomen. In de hierna te bespreken arresten
Massar/DASen
AK/Achmeais het Hof van Justitie ingegaan op het begrip ‘administratieve procedure.’ Het arrest
Vlaamse Baliesgaat, net als de onderhavige zaak, over het begrip ‘gerechtelijke procedure’.
Massar/DASging het om de vraag of een procedure bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
UWV), waarin een werkgever een vergunning verzoekt om de arbeidsovereenkomst met een voor rechtsbijstand verzekerde werknemer te beëindigen, een ‘administratieve procedure’ is. In de zaak
AK/Achmeaging het om de vraag of de fase van bezwaar bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna:
CIZ) onder het begrip administratieve procedure valt.
Massar/DASoverweegt het Hof vervolgens:
geen beroep openstaat tegen het besluit van het UWVwaarbij de werkgever vergunning krijgt voor ontslag om bedrijfseconomische redenen. Weliswaar kan de werknemer nadien voor de burgerlijke rechter een schadevordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag indienen, maar de daarop te geven beslissing kan geen wijziging brengen in het besluit van het UWV.
kan niet worden betwist dat de rechten van de werknemer door het besluit van het UWV worden geraakt en dat zijn belangen als verzekerde bescherming behoeven in het kader van de procedure voor dat orgaan.
kader van de administratieve procedure die ertoe leidt dat een bestuursorgaan de werkgever vergunning verleentom de werknemer te ontslaan,
is te meer geboden daar het Hof in het arrest Sneller(C-442/12, EU:C:2013:717)
het recht van vrije keuze van de advocaat of de vertegenwoordiger heeft erkend in het geval van een werknemer die zich in dezelfde situatie bevond maar wiens arbeidsovereenkomst was beëindigd bij rechterlijke beslissing.” [78]
AK/Achmea-arrest overweegt het Hof vervolgens:
dat de rechten van de verzekerde zowel worden geraakt door het oorspronkelijke besluit van het CIZ als door het besluit op bezwaar, daar het feitenonderzoek plaatsvindt in die administratieve procedure en dit de grondslag vormt voor de besluitvorming in het kader van de eropvolgende administratieve gerechtelijke procedure.
kan niet worden betwist dat de verzekerde behoefte heeft aan rechtsbescherming in een procedure die onmisbaar is om beroep te kunnen instellen bij de bestuursrechter.
AK/Achmeavoorgelegde vraag als volgt:
mede omvat de fase van bezwaar bij een bestuursorgaan waarin dat orgaan een voor beroep in rechte vatbaar besluit geeft.” [79]
bestuursrechtelijkeberoepsprocedure is te duiden als ‘administratieve procedure’ (vgl. de hiervoor in nr. 4.14 genoemde ‘tweede duiding’), dan maakt dat voor de reikwijdte van het recht op vrije advocaatkeuze geen verschil.
Massar/DASen
AK/Achmeaoverweegt het Hof van Justitie dat de eventuele financiële gevolgen voor de stelsels van rechtsbijstandverzekering niet tot een restrictieve uitleg van art. 4 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 87/344/EEG kunnen leiden, gesteld al dat zulke gevolgen zich voor kunnen doen. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten, waaruit blijkt dat de richtlijn geen volledige harmonisatie behelst en dat het mogelijk is de omvang van de te vergoeden kosten te beperken. [80] Ik vat dit zo op dat het Hof hier niet oordeelt dat financiële overwegingen geen rol mogen spelen, maar dat er geen noodzaak bestaat om aan verzekerden het recht op vrije advocaatkeuze te onthouden aangezien de schadelast voldoende kan worden gemitigeerd door het hanteren van maximale vergoedingen. Die mogen dan echter weer niet zó laag zijn dat het recht op vrije advocaatkeuze van zijn inhoud wordt beroofd.
AK/Achmeawordt dit argument verworpen met een in mijn ogen nogal formele redenering:
Vlaamse Balies, dat in deze prejudiciële procedure centraal staat.
Vlaamse Baliesgaat over een vordering van de Orde van Vlaamse Balies (en de
Ordre des barreaux francophones et germanophone) tegen de Belgische Ministerraad. De advocatenordes vorderden de ‘vernietiging’ (of onverbindendverklaring) van de volgende, nieuwe tekst van art. 156 onder Pro 1º van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Die bepaling luidt als volgt:
bemiddelingsprocedurezelf een advocaat te kiezen (en de kosten daarvan voor rekening van de rechtsbijstandverzekeraar te laten komen). De ordes betoogden dat de bemiddelingsprocedure in kwestie onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ in de zin van art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG valt. [83]
Wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossingtwee bemiddelingsvormen:
Gerechtelijke bemiddeling: de zaak is reeds bij de rechter aanhangig en blijft die rechter gedurende de bemiddeling aangezocht. De rechter kan op elk moment elke door hem noodzakelijk geachte maatregel treffen en kan ook de bemiddeling (op verzoek) beëindigen. De bemiddeling kan uitmonden in een bemiddelingsakkoord, dat (door de rechter) kan worden gehomologeerd. Net als bij de buitengerechtelijke bemiddeling kan de rechter alleen op (zeer) beperkte gronden weigeren het akkoord te homologeren. De bemiddeling kan echter ook resulteren in voortzetting van de gerechtelijke procedure. [84]
Buitengerechtelijke bemiddeling: deze vorm van bemiddeling vindt plaats onder leiding van een bemiddelaar, waarbij geldt dat als die bemiddelaar erkend is door de federale bemiddelingscommissie, de partijen (of een van hen) het bemiddelingsakkoord ter homologatie kunnen (kan) voorleggen aan de bevoegde rechter. De rechter kan slechts op (zeer) beperkte gronden de homologatie weigeren en de homologatiebeschikking heeft dezelfde gevolgen als een vonnis. Daarmee krijgt het gehomologeerde akkoord kracht van executie.
Massar/DASen
AK/Achmeadat het begrip ‘administratieve procedure’ moet worden gelezen in tegenstelling met het begrip ‘gerechtelijke procedure’ en voorts dat de uitleg van deze begrippen niet kan worden beperkt door een onderscheid te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van een procedure. [87] Het Hof herinnert eraan dat een ‘procedure’ in een ‘administratieve procedure’ niet alleen de fase van het beroep voor een gerecht in eigenlijke zin omvat, maar ook de fase die daaraan voorafgaat en tot een gerechtelijke fase kan leiden. [88] Volgens het Hof moet het begrip ‘gerechtelijke procedure’ in de zin van art. 201 van Pro Richtlijn 2009/138/EG even ruim worden uitgelegd, omdat het incoherent zou zijn deze begrippen verschillend uit te leggen. [89] Daaruit leidt het Hof af:
Elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, moet dus worden geacht onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ in de zin van artikel 201 van Pro richtlijn 2009/138 te vallen.” [90]
proceduremaar van een voorbereidende
fase. Bij een betrekkelijk amorf begrip als ‘fase’ (in plaats van procedure) kan het verleidelijk zijn ervoor te pleiten dat het vrije keuzerecht direct na de melding van een geschil bij de verzekeraar moet ingaan. Het is immers niet uitgesloten dat er op enig moment een gerechtelijke procedure moet worden gevoerd. Zo ver gaat het arrest
Vlaamse Baliesmijns inziens niet. Het moet gaan om een fase die kan leiden tot een procedure. Dat kán een voorafgaande fase zijn, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat alles wat in een zaak moet worden gedaan vóór het instellen van een procedure onder het vrije keuzerecht valt. Er moet een verband bestaan tussen de te leveren rechtsbijstand en een later te voeren procedure.
. [92] Vervolgens overweegt het Hof:
een procedure die de rechtspositie van de verzekeringnemer definitief kan vaststellen zonder dat er een reële mogelijkheid bestaat om deze positie te wijzigen door middel van een beroep in rechte, heeft de verzekeringnemer behoefte aan rechtsbescherming, en
gelet op de gevolgen van de homologatie van het uit de bemiddeling voortvloeiende akkoord zullen de belangen van de verzekeringnemerdie een beroep doet op bemiddeling
beter worden beschermd indien hij zich kan beroepen op hetin artikel 201 van Pro richtlijn 2009/138 neergelegde
recht op vrije keuze van de vertegenwoordiger,
net zoals een verzekeringnemer die zich rechtstreeks tot de rechter zou wenden.” [93]
begrip ‘gerechtelijke procedure’ ook betrekking heeft op een procedure voor gerechtelijke of buitengerechtelijke bemiddeling waarbij een rechterlijke instantie betrokken is of kan zijn, hetzij bij het inleiden van deze procedure hetzij na afloop ervan.” [94]
Uitspraken Kifid
Vlaamse Baliesis, om te beginnen, bij het Kifid aan de orde gekomen. In de betreffende zaak vorderde een consument een vergoeding voor de kosten gemaakt door een zelf gekozen advocaat. De rechtsbijstandverzekeraar weigerde betaling op de grond dat de kosten voor de externe advocaat niet in een gerechtelijke procedure waren gemaakt. De Geschillencommissie stelde de verzekerde in het gelijk, maar de Commissie van Beroep oordeelde anders.
Vlaamse Balies-arrest af dat “(…)
een verzekerde in geval van een beroep op de rechtsbijstandverzekering in elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie een beroep op de vrije advocaatkeuze toekomt.” [97] Het volstaat dat zich een conflict, in de zin van het bestaan van een belangentegenstelling, voordoet. De in het arrest
Vlaamse Baliesgegeven uitleg van art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/38/EG ziet niet alleen op de Belgische bemiddelingsprocedure die in die zaak aan de orde was, maar is ook relevant voor de Nederlandse rechtsbijstandverzekeringspraktijk, aldus de Geschillencommissie. [98]
Eschig,
Stark/DAS,
Sneller/DAS,
Massar/DAS,
AK/Achmeaen
Vlaamse Balies] blijkt dat
het Hof van Justitie van de EU steeds een oordeel heeft gegeven over rechtsbijstand in een bepaalde, door het nationale recht ingestelde procedureen steeds nauwgezet aan de hand van de specifieke kenmerken van de procedure en in het licht van de strekking van de richtlijn onderzoekt of sprake is van een gerechtelijke of administratieve procedure, waarin de verzekerde behoefte heeft aan de rechtsbescherming waarvoor de richtlijn het recht op vrije advocaatkeuze toekent.
De ‘voorafgaande fase’ waarvan het Hof van Justitie van de EU spreekt, ook in rov. 31 van het arrest Orde van Vlaamse Balies, betrof in deze zaken steeds een door het nationale recht ingestelde procedure of een fase in een dergelijke procedure.
Aan de beperking van het recht op vrije advocaatkeuze, die de richtlijn toestaat in het kader van een naturaverzekering, zou bij de uitleg van de Geschillencommissie haar betekenis worden ontnomen. Deze uitleg past niet in het stelsel van richtlijn 2009/138 en strookt niet met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. De Commissie van Beroep neemt deze uitleg dus niet over.” [100]
Dat de betrokkenheid van de advocaat op enigerlei wijze verband hield met een procedure of een fase in een procedure, is niet gebleken. Onder deze omstandigheden is er te weinig aangevoerd voor het oordeel dat de advocaatkeuze van Consument betrekking had op rechtsbijstand in een gerechtelijke of administratieve procedure. Consument had dus geen recht op het vergoeden van de kosten van de advocaat uit hoofde van de rechtsbijstandsverzekering.” [102]
Uitspraken in kort geding
Vlaamse Baliesvoor het recht op vrije keuze van rechtshulpverlener is ook bij de overheidsrechter aan de orde geweest. In twee kort gedingprocedures vorderde de verzekerde van de rechtsbijstandverzekeraar een vergoeding van de kosten van een door de verzekerde zelf gekozen advocaat, terwijl (nog) geen sprake was van een procedure bij de rechter.
voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderlandoverweegt in een vonnis van 22 december 2023 [104] dat niet (al) direct bij het ontstaan van een geschil (dat kan leiden tot een gerechtelijke procedure indien partijen er samen niet uitkomen), de verzekerde recht heeft op vrije advocaatkeuze. De rechtspraak van het Hof van Justitie moet niet in die zin worden uitgelegd. De voorzieningenrechter wijst in dat verband onder meer op de specifieke context van de zaak
Vlaamse Baliesen op de kenmerken van de procedures die in die zaak centraal stonden.
Vlaamse Balies, op het standpunt dat het recht van vrije keuze van rechtshulpverlener ook geldt in de fase voorafgaand aan de procedure bij een gerecht in eigenlijke zin, zoals bij een bemiddeling of (buiten)gerechtelijke onderhandelingen. Volgens de verzekeraar houdt de rechtspraak van het Hof niet in dat een verzekerde steeds direct bij het ontstaan van een conflict dat tot een procedure zou kunnen leiden, een beroep kan doen op het vrije keuzerecht.
Er wordt geen afstand gedaan van de voorwaarde dat sprake moet zijn van een gerechtelijke procedure. Het Europese Hof heeft ook niet bepaald, zoals [eisende partij] stelt, dat sprake is van recht op vrije advocaatkeuze bij buitengerechtelijke onderhandelingen. Er wordt alleen gesproken over bemiddeling en dat is in het kader van de Belgische buitengerechtelijke bemiddelingsprocedure. Deze uitleg klemt te meer nu de advocaat-generaal in zijn conclusie een ruimere uitleg heeft bepleit in de zin, zoals [eisende partij] nu ook voorstaat, een uitleg die door het Europese Hof kennelijk niet is gevolgd.” [105]
voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabantwees een vordering tot vergoeding van kosten voor een zelf gekozen advocaat af. [106] In een bondig gemotiveerd vonnis overweegt de voorzieningenrechter:
Vlaamse Balies-arrest verschil van mening bestaat over de uitleg van het begrip ‘gerechtelijke procedure’ in art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG (zoals geïmplementeerd in art. 4:67 lid Pro 1, onder a, Wft), en daarmee ook over de reikwijdte van het vrije keuzerecht.
Vlaamse Balies) oordeelt het HvJ EU in § 29 t/m 31 en de daaraan voorafgaande overwegingen dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ niet kan worden beperkt tot niet-administratieve procedures voor een gerecht in eigenlijke zin, en ook niet door een onderscheid te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van een dergelijke procedure. Volgens het hof valt
elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ in de zin van artikel 201 van Pro Richtlijn 2009/138.
De verzekerde mag de behartiging van zijn belangen aan een rechtshulpverlener toevertrouwen zodra hij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen, aldus Eschig in § 50 en bevestigd in Vlaamse Balies § 29 en § 42(onderstreping A-G). Het recht van vrije advocaatkeuze heeft hiermee een originair karakter gekregen. (…).” [110]
Eschig-arrest lijkt niet te zien op art. 4 lid Pro 1, onder a, van de (oude) Richtlijn 87/344/EEG, maar op art. 3 lid Pro 2, onder c, van die richtlijn. Wat meer is, punt 50 van het
Eschig-arrest illustreert juist het
verschiltussen art. 3 lid Pro 2, onder c, en art. 4 lid Pro 1, onder a, van die richtlijn. Ik verwijs naar nrs. 4.25 en 4.26 van deze conclusie.
Vlaamse Balies. In 2020 schreef hij dat de zaak de Belgische bemiddelingsprocedure betrof, maar dat het arrest niettemin enkele algemene overwegingen over het begrip ‘gerechtelijke procedure’ bevat en daarom ook relevant is voor de Nederlandse rechtsbijstandverzekeringen. [114] Het uitgangspunt dat het vrije keuzerecht van art. 4 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 87/344/EEG aan de orde is op het moment dat een gerechtelijke procedure is ingesteld, is met het arrest
Vlaamse Baliesverlaten. Dat moment ligt kennelijk eerder. De auteur is echter geen voorstander van een uitleg waarin het vrije keuzerecht geldt voor
allegeschillen, vanaf ontstaan tot aan oplossing ervan. Holthinrichs komt tot de (voorzichtige) conclusie dat de fase die aan een gerechtelijke of administratieve procedure voorafgaat (bedoeld in het
Vlaamse Balies-arrest) enige
procedurele kenmerken en een afgebakend karakter moet hebben. Immers: “
Als (…) (de) ‘voorafgaande fase’ helemaal geen procedurele kenmerken zou hebben, dan wordt de strekking van het recht van vrije advocaatkeuze van art. 201 lid 1 sub a Richtlijn Pro 2009/138/EG wel erg abstract en wordt het begrip ‘gerechtelijke procedure’ uit de bepaling wel extreem uit zijn verband gehaald”, aldus de auteur. [115] Deze benadering spreekt mij aan, zoals blijkt uit wat ik hiervoor in nr. 4.51 heb opgemerkt over het arrest
Vlaamse Baliesen met name de daarin gebruikte term ‘fase’.
“(…) niet (kan) worden uitgesloten dat het arrest (Vlaamse Balies) een veel bredere strekking heeft”. [116] De laatste zin van punt 31 [117] bevat een algemeen criterium waarmee het Hof de reikwijdte van het vrije keuzerecht verruimt tot buiten de gerechtelijke en administratieve procedure
in eigenlijke zin. Uit het arrest blijkt volgens Holthinrichs echter niet duidelijk wat precies wordt bedoeld met de aan een gerechtelijke of administratieve procedure voorafgaande fase.
Vlaamse Balies-arrest die betrekking heeft op de fase die voorafgaat aan een gerechtelijke of administratieve procedure, gelet op hetgeen het Hof van Justitie in het
Eschig-arrest heeft overwogen, op de opzet van Richtlijn 87/344/EEG en op de specifieke aard van de bemiddelingsprocedures die aan de orde zijn in het
Vlaamse Balies-arrest. [118]
Vlaamse Balies-arrest. Aan de ene kant betrof de zaak specifieke procedures met specifieke kenmerken. Het ging om procedures waarin de rechtspositie van de verzekeringnemer definitief kan worden vastgesteld. Aan de andere kant is het arrest ook principieel en algemeen gemotiveerd. Vanuit dat perspectief is de uitkomst ook voor Nederland van belang. [119] Volgens Jansen moet het
Vlaamse Balies-arrest zo worden geïnterpreteerd dat het vrije keuzerecht steeds geldt
“(…) als in de aanloop naar een eventuele gerechtelijke of administratieve procedure de rechtspositie van de verzekerde op het spel staat.” [120] Het recht omvat dan niet alleen juridische
voorprocedures,maar geldt ook in andere gevallen, bijvoorbeeld bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, een erkenning van aansprakelijkheid of bij de keuze om wel of niet tot stuiting van de verjaring over te gaan. Deze voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat het ‘juridische keerpunten’ in de buitengerechtelijke fase van een geschil zijn die (kunnen) doorwerken in de gerechtelijke fase. Dat is naar het oordeel van Jansen de rechtvaardiging voor het aannemen van het vrije keuzerecht in de betreffende gevallen. Volgens de auteur ziet de verwijzing in het
Vlaamse Balies-arrest naar de behoefte aan rechtsbescherming (in de buitengerechtelijke fase) op het belang van de verzekerde om zijn of haar belangen te laten verdedigen, vertegenwoordigen of behartigen door een zelfgekozen advocaat in een (latere) gerechtelijke of administratieve procedure. Het gaat dan, aldus Jansen, om
“(…) buitengerechtelijke situaties waarin – al dan niet in een procedurele context – de rechtspositie van de verzekeringnemer definitief wordt vastgesteld, op een zodanige wijze dat hij daarvan in een eventuele gerechtelijke of administratieve procedure de rechtsgevolgen ondervindt.” [121] Hiermee komt Jansen naar eigen zeggen met een interpretatie die in ligt tussen die van de Geschillencommissie en die van de Commissie van Beroep van het Kifid. [122]
Vlaamse Balies-arrest ook van belang is voor andere lidstaten van de Europese Unie, waaronder voor Nederland. [123] Zij betoogt dat mediation, zoals wij die in Nederland kennen als vorm van buitengerechtelijke geschiloplossing, [124] onder de uitleg van het Hof van Justitie in voornoemd arrest valt. De auteur geeft toe dat daarbij, anders dan in België, geen rechterlijke instantie is betrokken, maar wijst erop dat met mediation de rechtspositie van de verzekeringnemer definitief wordt vastgesteld zonder dat er een reële mogelijkheid bestaat om deze positie te wijzigen door middel van een beroep in rechte. In dat verband vermeldt zij dat in letselschadezaken doorgaans een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 BW Pro) wordt gesloten, die na ondertekening slechts op beperkte gronden kan worden aangetast. [125] Fijen gaat nog een stap verder: het recht op vrije advocaatkeuze geldt volgens de auteur voor iedere zaak die wordt afgesloten met een vaststellingsovereenkomst, dus ook als daaraan niet mediation is voorafgegaan.
Vlaamse Balies:
Vlaamse Balies. [127] Michiels is verder van mening dat het vrije keuzerecht ook geldt in geval van een bindend-advies-procedure, aangezien die procedure kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst waarvan de naleving bij de rechter kan worden afgedwongen. [128] Volgens de auteur is er iets te zeggen voor de opvatting dat sprake moet zijn van een fase met enige procedurele kenmerken, wil die fase vallen onder het begrip gerechtelijke procedure, zoals ook betoogd door Holthinrichs. [129] Michiels plaatst, tot slot, een kanttekening bij het
Vlaamse Balies-arrest: het Hof lijkt het vrije keuzerecht volgens de auteur
“(…) wel erg ver op te rekken”. Hij wijst op de mogelijke gevolgen van de uitleg in voornoemd arrest voor de kosten en betaalbaarheid van rechtsbijstandverzekeringen. [130] Deze kanttekening vormt een mooi bruggetje naar het volgende onderwerp.
Rechtsbijstand en vrije keuzerecht. Economische analyse en impact vrije keuzerecht op toegang tot het recht’. [132] Deze studie is uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek (hierna:
SEO) in opdracht van het Verbond.
Verzekerd van een vrije keuze. Verkenning van het vrije keuzerecht van rechtsbijstandsverzekerden en de toegang tot het recht’. [133] Dit onderzoek is verricht door Pro Facto in opdracht van het WODC.
SEO-rapportverscheen in september 2021. [134] Het Verbond had SEO verzocht om de impact van een mogelijk intensiever gebruik van het recht op vrije keuze van rechtshulpverlener in Nederland in de toekomst (op de branche) in kaart te brengen. Daarbij stond ook de betekenis voor de ‘toekomstvastheid’ van de rechtsbijstandverzekering en voor de toegang tot het recht centraal. [135] Aan de hand van twee vragenlijsten uitgezet onder in totaal 3.000 respondenten, is het keuzegedrag van consumenten in kaart gebracht. Bij de eerste vragenlijst lag de focus op de vraag waarom en onder welke omstandigheden een persoon die al verzekerd is, het vrije keuzerecht uitoefent. Bij de tweede vragenlijst stond de vraag centraal waarom en onder welke omstandigheden wordt gekozen voor een rechtsbijstandverzekering. [136] Verder is vermeld dat deskresearch is verricht en dat is gesproken met verzekeraars, aanbieders van juridische dienstverlening, overheden en wetenschappers. [137] Het rapport gaat ervan uit dat het vrije keuzerecht mogelijk verruimd kan worden, gelet op de uitspraak van de Geschillencommissie van Kifid (zie nr. 4.55 van deze conclusie). [138] Het rapport verscheen een half jaar na die uitspraak (31 maart 2021), maar (kort) vóór de uitspraak van de Commissie van Beroep (29 oktober 2021).
rapport van Pro Facto, dat in 2024 is uitgebracht, was de centrale onderzoeksvraag: “
Op welke wijze en in welke mate kan, gegeven de stand van de jurisprudentie inzake vrije advocaatkeuze, de toegang tot het recht van gebruikers van rechtsbijstandsverzekeringen (in het bijzonder de groep met een middeninkomen) veranderen en hoe kan deze toegang zoveel mogelijk worden behouden?” [144] Het betrof een verkennend onderzoek, waarbij is gevraagd om de bestaande kennis samen te brengen en die vervolgens te toetsen aan de hand van drie ‘kennistafels’ over verschillende thema’s. [145] De nadruk lag op middeninkomens.
Vlaamse Balies-arrest. [146] De reikwijdte van dat keuzerecht is tijdens twee van de kennistafels besproken en de meningen daarover bleken flink te verschillen. Ik wijs op de volgende passages uit het rapport:
status quo(geen uitbreiding van het vrije keuzerecht), [148] (2) uitbreiding van het vrije keuzerecht tot alle geschillen / elke fase van een geschil, (3) uitbreiding ervan tot procedures voor bindend advies en mediation eindigend in een vaststellingsovereenkomst.
status quo(scenario 1) is sprake van enige kosten- en premiestijgingen en daarmee van enige druk op gebruikers van rechtsbijstandverzekeringen. De rechtsbijstandverzekering blijft daarin wel voor een grote groep mensen betaalbaar. Bij een uitbreiding van de reikwijdte van het vrije keuzerecht komen de betaalbaarheid van de rechtsbijstandverzekering en de toegang tot het recht onder druk te staan. [151]
5.De ingediende schriftelijke opmerkingen en de reacties van de procespartijen
Schriftelijke opmerkingen
Algemeen
grosso mododezelfde, overwegend restrictieve, uitleg aan de rechtspraak van het Hof van Justitie, met inbegrip van het
Vlaamse Balies-arrest. Tevens benadrukken zij de financiële gevolgen van een ruime uitleg van dat arrest voor rechtsbijstandverzekeringen volgens het naturamodel en voor de toegang tot (betaalbare) rechtshulp voor de middeninkomens. Ik ga
onder 2op dit alles in.
NOvAbenoemt het verband met de toegang tot het recht. Die toegang is gebaat bij beschikbaarheid van goede rechtsbijstand voor rechtszoekenden die geen aanspraak kunnen maken op gesubsidieerde rechtsbijstand, maar toch de kosten van een advocaat niet goed zelf kunnen betalen. Advocaten spelen een sleutelrol bij de toegang van het recht en daarvoor is het recht op vrije advocaatkeuze essentieel. Tegelijkertijd is de verzekerbaarheid van de kosten van rechtsbijstand van belang. Verzekerden hebben belang bij lage premies én een ruime keuzevrijheid. [157]
De reikwijdte van het recht op vrije advocaatkeuze (vragen 1, 2a en 2b)
Vlaamse Baliesalleen zag op een bemiddelingsprocedure, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk, ziet [verzoekster] in het arrest aanknopingspunten om de beslissing van het Hof van Justitie door te trekken naar de fase voorafgaand aan een gerechtelijke procedure in eigenlijke zin, ongeacht of in die voorfase sprake is van een specifieke procedure. [verzoekster] wijst in het bijzonder op punt 38 van het arrest, waaruit volgens haar zou blijken dat het algemeen belang van de vrije keuze van rechtshulpverlener erop ziet dat een verzekerde ook behoefte heeft aan rechtsbescherming als zijn rechtspositie definitief wordt vastgesteld, zonder dat een reële mogelijkheid bestaat om zijn rechtspositie te veranderen door een beroep in rechte. [158] Dat betekent volgens [verzoekster] dat ook andere vormen van een definitief akkoord tussen partijen (dan het akkoord dat via de Belgische bemiddelingsprocedure wordt bereikt) onder het vrije keuzerecht vallen. Als voorbeeld noemt [verzoekster] de vaststellingsovereenkomst. Het keuzerecht dient volgens [verzoekster] te gelden voor iedere poging om een definitief akkoord tussen partijen te bereiken, aangezien een dergelijk akkoord juist door tussenkomst van een advocaat of vertegenwoordiger kan worden bereikt. [159] Het keuzerecht zou daarom ook zien op advies en overleg met een advocaat over een (dreigende) juridische procedure. Het gaat in elk van de genoemde gevallen om fasen die kunnen leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie en dus om gevallen die onder het begrip ‘gerechtelijke procedure moeten worden geschaard. [160]
ieder juridisch conflict,
in de zin van een belangentegenstelling tussen partijen, dat kan leiden tot een procedure bij een civiele of administratieve rechter.Volgens haar ziet dit recht op (i) het kunnen verkrijgen van advies inzake de rechtspositie van de verzekerde, (ii) het ondernemen van pre-processuele juridische acties, (iii) het voeren van schikkingsonderhandelingen ter vermijding of beëindiging van een juridische procedure, (iv) het voeren van correspondentie met (de vertegenwoordiger van) de wederpartij, (v) voorbereidingen op de mogelijke procedure bij de civiele rechter, (vi) het voeren van een dergelijke procedure en (vii) het voeren van overleg met de aangewezen advocaat of vertegenwoordiger inzake voormelde onderdelen (i)-(vi).
dezelfde advocaat of vertegenwoordigermoet kunnen laten bijstaan
in de voorbereidende, minnelijke en een eigenlijke gerechtelijke fase / besluitfase van de gerechtelijke procedure.” [161]
Vlaamse Baliesalgemene gelding binnen de Europese Unie. Zij acht dit om verschillende redenen ook wenselijk, waaronder het doel van het vrije keuzerecht, de omstandigheid dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ een autonoom begrip is, en dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd. [verzoekster] verwijst naar een aantal van de omstandigheden die worden genoemd in de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe [162] in de zaak
Vlaamse Baliesgenoemde omstandigheden. [163] De Advocaat-Generaal wijst op een aan de procedure bij de rechter voorafgaande fase waarin, ten einde de rechten van de verzekerde te beschermen, een methode moet worden geboden
nietdat alles wat voorafgaat aan een gerechtelijke procedure in eigenlijke zin of alle handelingen die tot een dergelijke procedure kunnen leiden moeten worden beschouwd als ‘gerechtelijke procedure’. [168] Gewone correspondentie, ingebrekestellingen en onderhandelingen vallen
nietonder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ omdat daarbij geen sprake is van de vereiste kenmerken ter bevordering van de coherentie met het begrip ‘administratieve procedure’. Er ontstaat bovendien een spanning met de letterlijke betekenis van ‘gerechtelijke procedure’ indien ook dergelijke handelingen onder dat begrip worden geschaard.
onder aRichtlijn 2009/138/EG), tenzij sprake is van een belangenconflict (art. 201 lid Pro 1,
onder bRichtlijn 2009/138/EG). Het onderscheid tussen art. 3 lid Pro 2, onder c, van Richtlijn 87/344/EEG en art. 4 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 87/344/EEG blijkt met name uit het
Eschig-arrest, daar waar het Hof overweegt dat eerstgenoemde bepaling verzekerden ruimere rechten verleent dan de laatstgenoemde bepaling. [169] Een ruime uitleg zou volgens SAR ook niet bijdragen aan de doestellingen van het recht op vrije advocaatkeuze. SAR concludeert dat de begrippen gerechtelijke procedure en administratieve procedure in de rechtspraak van het Hof van Justitie steeds betrekking hadden op een wettelijke procedure, ook als het ging om een fase die aan een procedure bij een rechter voorafging. Daarbij gaat het om fasen die in materiële zin een geïntegreerd onderdeel vormen van de gerechtelijke procedure in eigenlijke zin en daar dus mee samenhangen. [170]
eerste prejudiciële vraagontkennend te worden beantwoord, nu uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ niet beperkt is tot de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geregelde dagvaardings- en verzoekschriftprocedure. [171]
prejudiciële vraag 2ais afhankelijk van de context. Of een fase die voorafgaat aan een (eigenlijke) gerechtelijke procedure onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ valt, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder of sprake is van een wettelijke procedure, betrokkenheid van een rechterlijke instantie bij de fase in kwestie, de mate waarin de fase een (geïntegreerd) onderdeel vormt van de procedure bij de rechterlijke instantie en de mate waarin de fase resulteert in een uitkomst met dezelfde gevolgen als een vonnis. [172]
prejudiciële vraag 2bvoert SAR aan dat het vrije keuzerecht ten aanzien van een gerechtelijke procedure pas kan ontstaan met de werkzaamheid die wordt verricht met het oog op, en direct verband houdt met een concrete aankomende gerechtelijke procedure. Het dient te gaan om werkzaamheden die functioneel behoren tot het procesdossier, de procesvoorbereiding of de formele proceshandeling. Het valt echter niet in zijn algemeenheid te zeggen op welk moment duidelijk is dat een gerechtelijke procedure moet worden gevoerd, maar dat zal volgens SAR doorgaans zo zijn als een analyse van een van haar eigen juristen uitwijst dat minnelijk overleg waarschijnlijk niet voldoende is om een gerechtelijke procedure af te wenden. [173] Wat niet onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’ valt, zijn werkzaamheden die worden verricht op het moment dat “
niet evident is” dat een gerechtelijke procedure gevoerd zal moeten worden. [174]
Massar/DASen
AK/Achmeavolgt dat de begrippen administratieve procedure en gerechtelijke procedure van elkaar moeten worden onderscheiden. Ten aanzien van het arrest
Vlaamse Baliesvoert DAS aan dat hetgeen het Hof van Justitie daar voor recht heeft verklaard, is toegesneden op de Belgische (bemiddelings)procedure die in die zaak aan de orde was en dat in het arrest wordt benadrukt dat een rechterlijke instantie betrokken was (of kon zijn). [183] Gelet op de eerdere rechtspraak ligt het niet voor de hand om aan te nemen dat het Hof heeft bedoeld dat het recht op vrije advocaatkeuze geldt vanaf het eerste moment waarop een conflict ontstaat. [184] In de lezing van DAS bevestigt het arrest
Vlaamse Baliesslechts dat het recht op vrije advocaatkeuze óók bestaat in een
procedurevoor gerechtelijke of buitengerechtelijke bemiddeling waarbij een rechter betrokken is of kan zijn, ook als deze procedure strikt genomen niet wordt gevoerd ten overstaan van deze rechter, maar wel wordt begeleid door een erkende bemiddelaar. [185]
eerste prejudiciële vraagte beperkt geformuleerd en kan die vraag daarom niet bevestigend worden beantwoord. [186] Bij de
prejudiciële vragen 2a en 2bgaat het erom dat de kern van het geschil is of het recht op vrije advocaatkeuze ook geldt in een fase die aan een gerechtelijke procedure vooraf kan gaan. Dat is niet het geval. Een zo ruime uitleg van de reikwijdte van het recht op vrije advocaatkeuze moet zowel op taalkundige gronden als gelet op de structuur en de totstandkomingsgeschiedenis van Richtlijn 87/344/EEG en Richtlijn 2009/138/EG worden verworpen, en volgt evenmin uit de rechtspraak van het Hof. [187] Acceptatie van bedoelde ruime uitleg zou tot nieuwe (afbakenings)vragen leiden, terwijl de praktijk juist behoefte heeft aan helderheid wat betreft die afbakening. [188] DAS betoogt voorts dat de prejudiciële vragen niet in algemene zin door de rechter kunnen worden beantwoord en zich ook niet lenen voor beantwoording bij wege van prejudiciële beslissing. De Hoge Raad kan wel beslissen dat het keuzerecht zich
nietuitstrekt tot een fase voorafgaand aan een gerechtelijke procedure. Dat is ook de beantwoording die DAS voorstaat. [189]
Verbondgeeft in de kern dezelfde uitleg van het recht op vrije advocaatkeuze als SAR en DAS. De door [verzoekster] bepleite opvatting is om verschillende redenen niet houdbaar. [190] Dat blijkt allereerst uit de omstandigheid dat het Hof van Justitie in zijn arresten steeds heeft onderzocht of sprake was van een gerechtelijke of administratieve
procedure. In de benadering die [verzoekster] voorstaat, zou een dergelijk onderzoek niet nodig zijn. [191] Uit de arresten
Massar/DASen
AK/Achmea, moet volgens het Verbond worden afgeleid dat het Hof de behoefte aan rechtsbescherming beslissend acht. [192] Uit het arrest
Vlaamse Baliesleidt het Verbond af dat betrokkenheid van een rechterlijke instantie maatgevend is voor het aannemen van een recht op vrije advocaatkeuze. [193] Het arrest moet worden gelezen in de context van de specifieke Belgische procedure die het onderwerp was van de betreffende zaak. [194] De door [verzoekster] voorgestane benadering leidt ertoe dat de naturaverzekering in wezen een kostenverzekering wordt, terwijl de verschillende ‘modellen’ juist gelijkwaardig zijn. [195]
eerste prejudiciële vraagbevestigend worden beantwoord. Daartoe voert het Verbond het volgende aan:
Vlaamse Baliesvolgt weliswaar dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ niet kan worden beperkt tot uitsluitend niet-administratieve procedures voor een gerecht in eigenlijke zin. Maar het moet daarbij wel gaan om een wettelijk gereguleerde procedure met een verplicht karakter, waarin de rechtspositie van de verzekerde definitief kan worden vastgesteld. De verzoekschrift- en de dagvaardingsprocedure zijn de enige twee procedures in Nederland die zonder meer aan deze voorwaarden voldoen.” [198]
vragen 2a en 2bmoeten ontkennend worden beantwoord: onder een gerechtelijke procedure valt niet een fase die aan een dagvaardings- of verzoekschriftprocedure voorafgaat. Daarnaast staat het verzekerden niet vrij om (op kosten van de verzekeraar en in geval van een naturapolis) een zelfgekozen advocaat hun belangen te laten behartigen tijdens de voorbereiding op een gerechtelijke procedure in eigenlijke zin en ook niet bij onderhandelingen ter voorkoming van een dergelijke procedure. [199]
NOvAmerkt op dat het arrest
Vlaamse Baliesduidelijkheid biedt over het begrip ‘gerechtelijke procedure’ in die zin dat het recht op vrije advocaatkeuze geldt voor de bemiddelingsprocedure die nauw is verweven met een gerechtelijke procedure. Onduidelijk is echter nog het algemene criterium dat het Hof van Justitie in het arrest heeft geformuleerd, namelijk dat
elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, geacht moet worden onder het begrip gerechtelijke procedure te vallen (punt 31 van het arrest). De NOvA geeft aan dat inzet van een gespecialiseerde advocaat in een vroeg stadium van een geschil het belang van toegang tot het recht dient, nu dit kan bijdragen aan de doelmatigheid en (kosten)efficiëntie van de procedure. [200] Goede advisering kan zelfs betekenen dat een procedure wordt voorkomen. De-escalatie en een snelle en rechtvaardige oplossing is over het algemeen ook in het belang van de cliënt. [201]
De polisvoorwaarden genoemd in de derde prejudiciële vraag
eerste polisvoorwaardeniet strookt met art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG en/of art. 4:67 lid Pro 1, onder a, Wft. [206] Zij wijst in dit verband op het doel van Richtlijn 2009/138/EG (adequate bescherming van de belangen van verzekerden) en op de noodzaak de in de richtlijn vervatte rechten van verzekerden ruim uit te leggen. [207] Volgens [verzoekster] kan de verzekerde het recht op vrije keuze van rechtshulpverlener niet geldend maken als de verzekeraar besluit dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft. [208] Zij onderkent dat dit het risico met zich brengt dat verzekerden kansarme procedures zullen gaan voeren op kosten van de verzekeraar en dat dit vervolgens kan leiden tot een hogere premie, maar daarmee dient bij de uitleg van Richtlijn 2009/138/EG geen rekening te worden gehouden. Zelfs als deze overweging wel bij de beoordeling zou worden betrokken, zouden verzekeraars maatregelen kunnen nemen om kostenstijgingen te beperken. [209]
tweede polisvoorwaardebetreft moet het volgens [verzoekster] in beginsel mogelijk zijn voor de verzekeraar om bij puur financiële claims de gevorderde schade te vergoeden, als de verzekeraar van oordeel is dat die schade lager is dan de verwachte kosten van een gerechtelijke procedure, aangezien hiermee de kosten worden beperkt. Volgens [verzoekster] is echter wel vereist dat de verzekerde vooraf zijn recht op vrije advocaatkeuze heeft kunnen uitoefenen en van de door hem gekozen rechtshulpverlener advies heeft verkregen of kunnen verkrijgen over het bedrag dat hij van de wederpartij kan vorderen. De schadeloosstelling moet naar het oordeel van [verzoekster] met dat bedrag overeenkomen. In geval van een claim die niet louter financieel van aard is, is schadeloosstelling volgens [verzoekster] alleen mogelijk met instemming van de verzekerde, nadat hem de mogelijkheid is geboden om het recht op vrije advocaatkeuze uit te oefenen. [210]
Achmea,
DASen het
Verbondachten deze beide polisvoorwaarden toelaatbaar. In dat verband wordt gewezen op de aard van de rechtsbijstandverzekering – een schadeverzekering in de zin van art. 7:944 BW Pro en een bijzondere overeenkomst in de zin van titel 7.17 BW – en in algemene zin op de contractsvrijheid. [212] Voorts betogen deze partijen dat de polisvoorwaarden los moeten worden gezien van het recht op vrije keuze van rechtshulpverlener. [213] De beide polisvoorwaarden zijn noodzakelijk om een doelmatige inzet van premiegelden te waarborgen, op die manier de premie betaalbaar te kunnen houden en daarmee de toegang tot het recht betaalbaar te houden. [214]
eerste voorwaardeeen rol vervult bij het (eruit) ‘filteren’ van dossiers met geen of lage slagingskans. Zij wijst op de mogelijkheid van gebruik van de geschillenregeling (als bedoeld in art. 4:68 Wft Pro) bij verschil van mening tussen de verzekeraar en de verzekerde hierover. [218] In verband met de toelaatbaarheid van deze polisvoorwaarde verwijst SAR ook nog naar de wetsgeschiedenis bij art. 4:68 Wft Pro, waaruit blijkt dat de wetgever ervan uitging dat rechtsbijstandverzekeringen een voorwaarde bevatten zoals hier aan de orde. [219] Als sprake is van een zaak met weinig tot geen kans van slagen, dan voldoet de zaak niet aan de dekkingsvoorwaarden en komt men aan de vraag naar het recht op vrije keuze van rechtshulpverlener niet toe. [220]
tweede voorwaardebetreft voert SAR aan dat het belang vergelijkbaar is met de voorwaarde dat alleen dekking bestaat bij een redelijke kans op succes en dat de voorwaarde dus ook toelaatbaar is. Een andere opvatting zou ingaan tegen de aard van de schadeverzekering. [221] Daarnaast is ook deze voorwaarde naar het oordeel van SAR redelijk en noodzakelijk, aangezien de kosten en de premies ook zonder deze voorwaarde zouden stijgen, hetgeen niet zou bijdragen aan de betaalbaarheid en toegankelijkheid van rechtshulp, noch aan rechtsgelijkheid en beperking van conflicten. [222] SAR concludeert in verband met beide voorwaarden dat als daar niet aan is voldaan, geen dekking bestaat en men dus ook niet toekomt aan de vraag naar de vrije keuze van rechtshulpverlener. [223]
Verbondwijst in verband met de
eerste voorwaardeerop dat geen recht op vrije advocaatkeuze kan worden aangenomen om vast te stellen of dekking bestaat op grond van de polis. Daarvoor is de geschillenregeling bedoeld (art. 4:68 Wft Pro). Het Verbond wijst er ook op dat de eerste polisvoorwaarde – zoals in de derde prejudiciële vraag geformuleerd en anders dan de verwijzende rechter in die vraag lijkt te veronderstellen –
nietis opgenomen in de in deze zaak toepasselijke polisvoorwaarden van SAR.
tweede voorwaardeniet in strijd met het recht op vrije advocaatkeuze. Het betreft een manier om de schadelast en daarmee de premie te beheersen en daaraan staan de Europese richtlijnen niet in de weg. [226] Zou deze voorwaarde niet zijn toegestaan, dan zou dit ingaan tegen de aard van de rechtsbijstandverzekering (een schadeverzekering). [227]
De reactie van de procespartijen op de schriftelijke opmerkingen
[verzoekster]op overweging 16 van de considerans van Richtlijn 2009/138/EG. [228] Zij betoogt dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ blijkens die overweging en gelet op de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe in de zaak
Vlaamse Baliesruim en verdragsautonoom moet worden uitgelegd. [229]
Vlaamse Baliesafleidt en waaraan volgens het Verbond moet zijn voldaan om te kunnen spreken van een gerechtelijke procedure, niet uit dat arrest volgen. [237] Wel is juist dat de behoefte aan rechtsbescherming centraal staat. [238] Ook de stelling van het Verbond dat aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of sprake is van een gerechtelijke procedure, moet volgens [verzoekster] niet worden gevolgd, nu dit niet in lijn is met hoe het in de praktijk gaat. [239] Verder geeft het Verbond volgens [verzoekster] aan dat de woorden "
zodra hij uit hoofde van de overeenkomst het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen" pas een recht doen ontstaan zodra (en pas nadat) de verzekeraar heeft vastgesteld dat dit zo is. [verzoekster] is van oordeel dat dit recht ook achteraf kan worden vastgesteld, zoals in het onderhavige geval aan de orde, en dat haar dan ook niet de toegang tot de overheidsrechter mag worden onthouden. [240] De stelling van Achmea dat een externe advocaat meer uren pleegt te besteden aan een zaak dan een
inhouseadvocaat en een economische prikkel heeft om dat te doen, [241] kan volgens [verzoekster] niet worden gevolgd, gelet op de voor advocaten geldende regelingen, waar de NOvA in de schriftelijke opmerkingen naar verwijst. [verzoekster] betoogt dat een
inhouseadvocaat (van de verzekeraar) doorgaans belang zal hebben bij snelle afhandeling van de zaak en wijst op het risico dat bij een medewerker van een verzekeraar of bij een netwerkadvocaat een prikkel ontstaat om een zaak als weinig kansrijk te beoordelen om die zaak zo snel als mogelijk af te kunnen doen. [242] Tot slot merkt [verzoekster] op dat vanuit de praktijk veel tegenwerking wordt ervaren wat betreft de door SAR verleende rechtsbijstand. [243]
Eschig. Volgens SAR verklaart dit perspectief wel dat [verzoekster] het standpunt inneemt dat de verzekerde het recht heeft om een advocaat te kiezen vanaf het eerste moment dat een juridisch geschil rijst of dreigt te rijzen en de verzekerde ingevolge de polisvoorwaarden aanspraak kan maken op rechtsbijstand. Deze opvattingen berusten op een onjuist uitgangspunt, namelijk dat het recht op vrije advocaatkeuze reeds geldt vanaf de eerste aanspraak onder de verzekering. [245] SAR voert aan dat het recht op vrije advocaatkeuze tot doel heeft de verzekerde in staat te stellen om een advocaat te kiezen in een gerechtelijke procedure tegen een wederpartij, maar dat het recht niet van toepassing is in de verdere contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekerde. [246] Voorts merkt SAR op dat [verzoekster] in de schriftelijke opmerkingen sterk leunt op de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe in
Vlaamse Balies. [247] Volgens SAR biedt die conclusie geen steun voor de opvattingen van [verzoekster] , omdat het Hof de (ruimere) opvatting van de A-G niet heeft gevolgd. [248]
NOvAschrijft SAR dat voor zover daarin wordt verondersteld dat er een kwaliteitsverschil zou bestaan of bezwaren worden gesuggereerd ten aanzien van de onafhankelijkheid, dit geen stand houdt, gelet op de punten die SAR tegen deze standpunten van [verzoekster] heeft aangevoerd. [249] Verder laat de NOvA het perspectief van de verzekeringsovereenkomst en de contractsvrijheid onbesproken, terwijl dit perspectief volgens SAR wel moet worden meegenomen bij de beantwoording van de aan de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen. [250]
6.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Analyse en voorgestelde beantwoording van de prejudiciële vragen
Vlaamse Baliesalleen relevant is voor de daarin beschreven Belgische bemiddelingsprocedures.
Vlaamse Baliesgegeven uitleg niet per definitie beperkt tot de daarin aan de orde zijnde Belgische bemiddelingsprocedures. Dat leid ik af uit de herformulering van de prejudiciële vraag door het Hof (in punt 19 van het arrest) en uit het antwoord (in punt 42 en het dictum van het arrest). Weliswaar moet het arrest worden begrepen tegen de achtergrond van de beide bemiddelingsprocedures, maar er volgt duidelijk uit dat het begrip ‘gerechtelijke procedure’ niet is beperkt tot een gerechtelijke procedure ‘in eigenlijke zin’. Die uitkomst heeft algemene gelding. Een procedure waarbij een rechterlijke instantie betrokken is, hetzij bij het inleiden van de procedure, hetzij na afloop ervan (zoals bij het homologeren van een tussen partijen bereikt akkoord), valt onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’. Het Hof legt dat begrip daarom ruim uit in die zin dat het recht op vrije advocaatkeuze
onder bepaalde omstandighedenal bestaat voorafgaand aan de start van een procedure bij een gerechtelijke instantie. Daarom kan dit recht niet worden beperkt tot dagvaardings- en verzoekschriftprocedures, zoals geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
de eerste vraagals volgt te beantwoorden:
de eerste plaatsde situatie waarin er nog geen procedure bij de overheidsrechter is gestart, maar zo’n procedure mogelijk later kan komen. De vraag is wat er nodig is om te kunnen bepalen of de verzekerde het recht op vrije advocaatkeuze in die voorfase reeds kan uitoefenen. Daartoe stel ik de volgende criteria voor: de rechtsbijstandverzekerde kan een advocaat of andere rechtshulpverlener kiezen voor het ontvangen van rechtsbijstand zodra objectief kan worden vastgesteld (i) dat het aannemelijk is (ii) dat een procedure bij een gerechtelijke instantie aanhangig zal worden gemaakt, (iii) waarin de rechtspositie van de verzekerde kan worden bepaald. Vereist is dus een verband met een bij een gerechtelijke instantie te voeren procedure zonder dat reeds moet vaststaan dat een procedure daadwerkelijk zal volgen (dat laatste hoeft dus niet ‘evident’ te zijn [252] ), én dat in een te verwachten procedure de rechtspositie van de verzekerde bindend wordt vastgesteld. De vereisten (i)-(iii) gelden ongeacht of de verzekerde in een procedure eisende of verwerende partij zal zijn, hoewel de discussie over het beginpunt van het recht op vrije advocaatkeuze vooral speelt als de verzekerde een procedure zal starten.
nietreeds bestaat voor rechtsbijstand bestaande uit werkzaamheden die worden verricht kort nadat een verzekerde een geschil bij zijn rechtsbijstandverzekeraar heeft gemeld, zoals:
welvoor werkzaamheden die ná het in nr. 6.9 omschreven moment worden verricht, zoals:
tweede plaatsis er een categorie van procedures die een alternatief vormen voor een procedure bij de overheidsrechter maar waarin de rechtspositie van de verzekerde in wezen definitief kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de verzekerde beperkte mogelijkheden heeft daartegen op te komen bij de rechter. Een voorbeeld van deze categorie is de
bindend adviesprocedure. Met het sluiten van een bindend-adviesovereenkomst wordt in principe afstand gedaan van het recht op toegang tot de overheidsrechter. Een bindend advies kan door de overheidsrechter (slechts) marginaal worden getoetst. Mijns inziens moet een bindend adviesprocedure daarom voor de toepassing van het recht op vrije advocaatkeuze worden gelijkgesteld met een procedure bij de overheidsrechter. Hetzelfde geldt mijns inziens voor
arbitrageprocedures. Ook dat zijn procedures die een alternatief vormen voor procedures bij de overheidsrechter en die de weg daarnaartoe in beginsel afsluiten. Ik zou, met enige aarzeling,
mediationook in dat rijtje willen scharen. Mediation is een alternatieve manier van geschillenbeslechting die, indien succesvol, ertoe kan leiden dat de rechtspositie van de verzekerde persoon wordt vastgesteld. Mediation kan een alternatief zijn voor een procedure bij de overheidsrechter. Anders dan bij een bindend advies en een arbitrage wordt bij mediation geen afstand gedaan van het recht op toegang tot de overheidsrechter. Dat verschil zou mijns inziens geen reden moeten zijn om het recht op vrije advocaatkeuze niet op een mediationprocedure van toepassing te laten zijn.
stel ik voor de vragen 2a en 2b als volgt te beantwoorden:
Sneller/DASgeoordeeld dat een contractueel beding waarin is bepaald dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen rechtshulpverlener alleen worden vergoed als de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed, niet in lijn is met art. 4 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 87/344/EEG (thans art. 201 lid Pro 1, onder a, van Richtlijn 2009/138/EG). [255]
Sneller/DAScentraal stond. Die voorwaarde raakte het
bestaanvan het vrije keuzerecht, net als de tweede prejudiciële vraag in deze zaak. De twee voorwaarden die zijn voorgelegd in de derde prejudiciële vraag, betreffen eerder de
uitoefeningvan dat recht. Het gaat hier om twee – klaarblijkelijk gebruikelijke – (typen) polisvoorwaarden, [256] waarmee wordt beoogd de kosten van natura rechtsbijstandverzekeringen te beheersen. [257] Dat kan in het belang zijn van de collectiviteit van rechtsbijstandverzekerden en daarom zonder meer een legitiem doel zijn.
niet van haar inhoud wordt beroofd(zie hiervoor nrs. 4.30, 4.32 en 4.43). Dat laatste doet zich volgens het Hof voor als de toepasselijke beperking het voor de verzekerde in de praktijk
onmogelijkzou maken om een redelijke keuze wat betreft zijn vertegenwoordiger te maken. [258] In wezen gaat het daarbij om een evenredigheidstoets, met als
bottom linedat het vrije keuzerecht niet van zijn inhoud mag worden beroofd. [259] Het is tegen deze achtergrond dat de twee polisvoorwaarden moeten worden beoordeeld.
eerste polisvoorwaarde, op grond waarvan de verzekeraar kan toetsen of een zaak bij de rechter een redelijke kans op succes heeft (de ‘haalbaarheidstoets’), is een middel om onnodige kosten te vermijden. De voorwaarde tast het vrije keuzerecht van de verzekerde als zodanig niet aan.
Sneller/DASging over de situatie waarin het voeren van een procedure wél noodzakelijk werd geacht, maar de verzekerde zijn vertegenwoordiger ook in dat geval niet zelf kon kiezen. Mede in het licht van dit verschil tussen beide zaken meen ik dat de hier besproken eerste polisvoorwaarde stand houdt. Dat is temeer zo omdat bij verschil van mening tussen de verzekeraar en de verzekerde over de slagingskansen van een procedure beroep kan worden gedaan op de geschillenregeling in de polisvoorwaarden. In dat geval is het niet de verzekeraar die het laatste woord heeft over de kans van slagen van de zaak, maar de scheidsrechter. Met andere woorden, ook indien moet worden aangenomen dat het vrije keuzerecht door deze voorwaarde wordt beperkt, is die beperking mede door de geschillenregeling niet onevenredig.
tweede polisvoorwaarde, die de verzekeraar de mogelijkheid biedt de verzekerde af te kopen door hem een schadeloosstelling aan te bieden, merk ik op dat die voorwaarde bijdraagt aan het vergoeden van de door de verzekerde geleden vermogensschade. Dat strookt met het feit dat de rechtsbijstandverzekering een schadeverzekering is (art. 7:944 BW Pro). Koopt de verzekeraar het verlenen van rechtsbijstand af door een schadeloosstelling te betalen, dan heeft de verzekerde geen advocaat meer nodig om een gerechtelijke procedure te voeren tegen de partij die anders die schade had behoren te vergoeden. Het voeren van een procedure is dan niet meer nodig. [260] De aangeboden schadeloosstelling dient wel volledig te zijn.
Is er aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie?
de eerste vraagvan het Hof Den Bosch, zoals door mij opgevat, ontkennend moet worden beantwoord. Die vraag ziet ook niet (duidelijk) op een vraag van Unierecht. Het is daarom niet noodzakelijk die vraag naar Luxemburg door te verwijzen.
Vlaamse Balies, doet de vraag rijzen hoe ver dat keuzerecht precies reikt en met name, of een stap verder moet worden gezet in die zin dat reeds in een vroeg advies- of onderhandelingsstadium aanspraak bestaat op een zelf gekozen advocaat. Ik heb getracht die vraag van een beredeneerd antwoord te voorzien (zie hiervoor, nr. 6.9 e.v.), maar pretendeer uiteraard niet dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over ‘de’ juiste uitleg. [261] In zoverre is er geen
acte clairen kan er aanleiding bestaan voor het stellen van een prejudiciële vraag over de uitleg van het begrip ‘gerechtelijke procedure’, zoals toe te spitsen op de context van deze zaak, daarbij inbegrepen het naturakarakter van de rechtsbijstandverzekering in kwestie. Voor zover ik heb kunnen nagaan zijn er op dit moment bij het Hof van Justitie geen prejudiciële zaken aanhangig over een vergelijkbare kwestie. Er lijken dus geen lopende zaken te zijn waarvan de uitkomst kan worden afgewacht.
daarvooreen eigen advocaat had ingeschakeld. De nadruk van het namens haar gevoerde betoog ligt op de stelling dat de vrije advocaatkeuze al bestaat vanaf het eerste stadium van de behandeling van een dossier, ongeacht of er een concreet zicht op het voeren van een procedure bestaat.
acte éclairé). Een door het Hof gegeven
éclairagevan een bepaald Unierechtelijk begrip lokt vaak weer nieuwe vragen of een roep om verdere verfijningen uit. Het is de vraag of dit dialectische proces van vragen, antwoorden en nieuwe vragen de rechtsontwikkeling altijd ten goede komt. Indien enigszins mogelijk verdient het mijns inziens de voorkeur, ook in deze zaak, dat de nationale rechter tracht de bestaande rechtspraak toe te passen op de voorliggende casus zodat van het opnieuw stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien. Dit neemt niet weg dat het zonder meer goed voorstelbaar is dat naar aanleiding van de tweede prejudiciële vraag (en eventueel de derde vraag) van het Hof Den Bosch wél vragen aan het Hof van Justitie worden gesteld.