ECLI:NL:PHR:2026:646

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
25/04563
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.12 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over toepassing Fagoed-methode bij overname erfpachtrecht in inkomstenbelasting

Deze zaak betreft de fiscale behandeling van de overname van een erfpachtrecht door belanghebbende en de vraag of de Fagoed-methode toegepast kan worden bij de jaarwinstberekening in de inkomstenbelasting over de jaren 2014-2017.

Belanghebbende had het erfpachtrecht van een voormalige erfpachter overgenomen, waarbij dezelfde erfpachtvoorwaarden bleven gelden. De Inspecteur corrigeerde de aftrek van de geïndexeerde schuldindexering, omdat belanghebbende geen schuld had overgenomen en er geen sprake was van een terugkooprecht zoals in het Fagoed-arrest. Rechtbank en Hof verklaarden het beroep ongegrond en bevestigden dat de Fagoed-methode niet van toepassing was.

In cassatie voerde belanghebbende vijf middelen aan, waaronder schending van het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en misbruik van recht. De Procureur-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep, stellende dat belanghebbende juridisch en economisch geen schuld had overgenomen en dat de Fagoed-methode een uitzondering is die beperkt moet worden uitgelegd.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en bevestigt dat de fiscale verwerking van de erfpachtovereenkomst door belanghebbende niet gelijk is aan die in het Fagoed-arrest, waardoor de indexeringslast niet in aftrek kan worden gebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Fagoed-methode wordt niet toegepast op de overname van het erfpachtrecht zonder schuldovername.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04563
Datum26 juni 2026
BelastingkamerA
Onderwerp/tijdvakInkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014-2017
Nr. Gerechtshof 24/3799 t/m 24/3806
Nr. Rechtbank 22/3663;22/3664;23/7614;24/3180;24/3181;24/3182;24/3183;24/3588
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën

1.Inleiding

1.1
Deze zaak is onderdeel van een cluster van acht zaken waarin ik conclusies neem. Daarin staat de reikwijdte van de Fagoed-jurisprudentie centraal. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of de partij die een erfpachtrecht heeft overgenomen, ook in aanmerking komt voor een fiscale jaarwinstberekening op basis van het Fagoed-arrest van 10 april 1996 (de Fagoed-methode). De conclusies in deze zaken zijn gelijkluidend, afgezien van data, bedragen en het geslacht van de betrokkenen.
1.2
In de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusies behandel ik op hoofdlijnen de Fagoed-jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij het Fagoed-arrest en de arresten van de Hoge Raad van 27 september 2024 aan bod komen. Ook sta ik in die bijlage uitgebreider stil bij de specifieke Fagoed-voorwaarden en onderzoek ik de vraag of belanghebbenden in aanmerking (zouden moeten) komen voor toepassing van de Fagoed-methode.
1.3
In hoofdstuk ‎2 van deze conclusie behandel ik de feiten en het geding in feitelijke instanties. In hoofdstuk ‎3 bespreek ik de gronden die belanghebbende aanvoert tegen de uitspraak van het Hof in het beroepschrift en de standpunten die de Staatssecretaris inneemt in het verweerschrift.
1.4
In hoofdstuk ‎4 beoordeel ik de vijf door belanghebbende aangedragen cassatiemiddelen, welke zich mijns inziens lenen voor gezamenlijke behandeling. Ik kom tot de slotsom dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van de Fagoed-methode en dat de middelen moeten worden verworpen.
1.5
Het mag zijn (‎4.3) dat belanghebbende de economische eigendom van de grond en het terugkooprecht 1-op-1 heeft overgenomen van de voormalige erfpachter, maar belanghebbende heeft niet een schuld van die erfpachter overgenomen; juridisch niet en ook niet als men met een louter economische bril op naar de situatie kijkt. Een ondernemer kan niet een indexeringslast in aanmerking nemen ter zake van een schuld die hij niet heeft. Daarom heeft de Inspecteur die last terecht niet in aftrek toegelaten.
1.6
Ik meen daarom (‎4.4) dat belanghebbende niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan het Fagoed-arrest (middel 1), dat het oordeel van het Hof dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is aan die van de belastingplichtige in het Fagoed-arrest niet onbegrijpelijk is (middel 2) en dat daardoor ook het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden (middel 3). Ook de middelen 4 en 5 treffen mijns inziens geen doel.
1.7
Ik concludeer tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

2.De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1
De onderstaande feiten komen grotendeels overeen met de feiten in de zaken met nummers 25/04559 en 25/04566 (ouders (fiscaal partners) en zoon zijn maten in dezelfde maatschap).
2.2
Belanghebbende is de fiscaal partner van [A] (de partner).
2.3
Op 1 mei 1995 zijn belanghebbende en de partner gestart met de exploitatie van een akkerbouwbedrijf vorm van een maatschap.
2.4
Op 20 december 2001 heeft belanghebbende met toestemming van de grondeigenaar een recht van erfpacht op percelen grond (het recht van erfpacht) gekocht van [B] (de voormalige erfpachter). De aankoopsom voor het recht van erfpacht bedroeg € 377.836. Na de overdracht van het recht van erfpacht zijn dezelfde erfpachtvoorwaarden blijven gelden. Het recht van erfpacht wordt door belanghebbende in zijn persoonlijke onderneming buiten de maatschap gehouden.
2.5
De voormalige erfpachter was tot 8 september 1999 (vol) eigenaar van de grond waarop het recht van erfpacht is gevestigd (de grond). Op 8 september 1999 heeft de voormalige erfpachter de grond, onder voorbehoud van het recht van erfpacht, verkocht aan [C] N.V. (thans: [D] N.V. ([D])). Hij kreeg daarbij van [D] een koopprijs betaald van f 2.156.445, en verplichtte zich tot betaling van een erfpachtcanon van 2,95% van de koopprijs (f 65.579) per jaar, geïndexeerd tegen een CBS-prijsindexcijfer.
2.6
De voormalige erfpachter verwierf zich hierbij het recht de ‘erfpachtzaak’ (d.w.z. de eigendom) van [D] terug te kopen bij het einde van de erfpachtperiode (na 26 jaar). De terugkoopprijs is in artikel 23 van Pro de overeenkomst van 8 september 1999 vastgesteld op het bedrag van de jaarlijkse canon geldend, na indexering, ten tijde van de terugkoop vermenigvuldigd met 100 en gedeeld door 2,95. Bij terugkoop na 26 jaar geldt dat als de berekende terugkoopprijs hoger is dan de waarde van de grond vrij van gebruiksrecht, de terugkoop plaatsvindt tegen laatstgenoemde waarde. Verder voorziet de overeenkomst in beëindiging van de erfpacht onder meer ingeval de erfpachter gedurende twee achtereenvolgende jaren de canon niet betaalt en bij faillissement of surseance van betaling van de erfpachter.
2.7
Op 1 mei 2011 is de zoon van belanghebbende en diens partner, [E] (de zoon), toegetreden tot de maatschap. Op het moment van toetreden van de zoon heeft belanghebbende het recht van erfpacht ingebracht in de maatschap. Belanghebbende was voor 50 procent gerechtigd tot de winst van de maatschap en de stille reserves. Per 1 mei 2015 is de gerechtigdheid tot de stille reserves in de maatschap gewijzigd en is belanghebbende voor 45 procent gerechtigd tot de stille reserves.
2.8
Na de overname van het erfpachtrecht in 2001 is het recht van erfpacht niet als activum opgenomen op de balans van de maatschap en evenmin op de fiscale balans in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) van belanghebbende inzake de onderhavige jaren. Op die balansen is daarentegen de grond geactiveerd en daartegenover een schuld gepassiveerd (de schuld). De aankoopsom voor het recht van erfpacht, € 377.836, is verhoogd met een bedrag van € 439.864 tot een actiefpost ‘grond’ van € 819.523, en daartegenover is een schuld van € 439.864 gepassiveerd. Laatstgenoemd bedrag is de jaarcanon in 2001 (€ 12.976) vermenigvuldigd met 100/2,95. Belanghebbende heeft voor deze verwerking in de balans aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 10 april 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1866; het Fagoed-arrest).
2.9
De schuld is jaarlijks geïndexeerd. De jaarlijkse indexering is in de aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2014 tot en met 2017 telkens ten laste van het hem toekomende resultaat van de maatschap gebracht.
2.1
Per 1 mei 2015 zijn de in de maatschap aanwezige activa geherwaardeerd in verband met een wijziging van de winstverdeling.
2.11
De Inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2014 en 2015 opgelegd conform de ingediende aangiften.
2.12
Naar aanleiding van e-mailcorrespondentie in 2020 tussen de Inspecteur en de adviseur van de maten over de aangiften IB/PVV 2016 van de maten, heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat het recht van erfpacht niet kan worden verwerkt als geïndexeerde geldlening.
2.13
De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2016 en 2017 opgelegd en navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 en 2015 opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur het in aftrek gebrachte bedrag met betrekking tot de genoemde indexering voor alle belastingjaren gecorrigeerd naar nihil.
2.14
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2014, 2015 en 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 gegrond verklaard en de aanslagen verminderd. De bijbehorende beschikkingen belastingrente zijn dienovereenkomstig verminderd. Het bezwaar inzake 2016 is gegrond verklaard, omdat de Inspecteur bij zijn correctie rekening bleek te hebben gehouden met een te hoog bedrag aan indexering.
2.15
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
Rechtbank Noord-Holland [1]
2.16
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de in aftrek gebrachte indexering terecht heeft gecorrigeerd en heeft de beroepen ongegrond verklaard.
2.17
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof Amsterdam [2]
2.18
Voor het Hof was in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 en 2015 terecht zijn opgelegd en of de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2016 en 2017 naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek was in geschil of de Inspecteur de in aftrek gebrachte indexering van de schuld terecht heeft gecorrigeerd.
2.19
Het Hof heeft allereerst de voorwaarden op een rij gezet waaronder het de toepassing van de Fagoed-methode mogelijk acht. Het Hof overwoog:
“5.2. Het Hof stelt het volgende voorop. In het Fagoed-arrest was sprake van de verkoop van de eigendom van landbouwgrond onder voorbehoud van een recht van erfpacht en met een recht op terugkoop van de grond, waarbij mag worden aangenomen dat het terugkooprecht zijn waarde zal behouden en de bloot-eigendom van de grond in het vermogen van de ondernemer zal terugkeren tegen betaling van het van de koper/erfpachtfinancier ontvangen bedrag nadat daarop de overeengekomen indexatie was toegepast; dan wel - indien dit is overeengekomen - tegen betaling van een bedrag gelijk aan de vrije waarde van de grond (als die op het moment van terugkoop lager is dan de geïndexeerde koopsom) of de oorspronkelijke koopsom, indien deze bij terugkoop hoger is dan de vrije waarde (vgl. HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1157 [3] , r.o. 4.2). De in dat arrest beschreven methode komt erop neer dat de belastingplichtige de volledige eigendom van de grond als actiefpost op de balans houdt en een bedrag gelijk aan de voor de bloot-eigendom ontvangen koopsom als passiefpost opneemt als ware het een schuld uit hoofde van een geldlening. Deze passiefpost dient jaarlijks aan te groeien met een bedrag ter grootte van de indexatie van de terugkoopprijs. Deze aangroei wordt als financieringslast ten laste van de winst gebracht.
5.3.
De Hoge Raad kwam in het Fagoed-arrest tot deze methode vanwege de aldaar vertoonde sterke overeenkomst met een geïndexeerde geldlening (zie r.o. 3.7 van het Fagoed-arrest, geciteerd in onderdeel 20 van de rechtbankuitspraak). Naar het oordeel van het Hof is deze sterke overeenkomst gelegen in de omstandigheid dat in de Fagoed-casus de financier een som geld overmaakt aan de belastingplichtige die deze te gelegener tijd (vermeerderd met een indexatie) weer aan de financier terugbetaalt, terwijl het economische belang bij de grond voor een groot deel bij de belastingplichtige blijft berusten. Daarbij levert de belastingplichtige bij aanvang de bloot-eigendom van de grond aan de financier, zodat dit - als ware het een zekerheidsrecht - terugbetaling van de geldsom waarborgt. Bij terugbetaling van de geldsom volgt ook teruglevering van de grond.”
2.2
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat – in tegenstelling tot de situatie in het Fagoed-arrest – de situatie van belanghebbende geen sterke overeenkomst vertoont met een geïndexeerde geldlening. Het Hof heeft daarvoor van belang geacht dat belanghebbende het risico toekomt van de grondwaardeverandering boven de vaste geïndexeerde koopprijs, maar dat een terugkooprecht zoals in de Fagoed-casus niet aanwezig is; belanghebbende is nooit eigenaar geweest van de grond, zodat niet gesproken kan worden van een ‘terugkeren’ daarvan in zijn onderneming. Het Hof heeft daarbij benadrukt dat belanghebbende ook geen geld van [D] heeft ontvangen bij een verkoop van de grond; in deze zaak ontbreekt een dergelijke verkoop door belanghebbende. Er wordt derhalve geen geldsom
terugbetaald door belanghebbende bij de uitoefening van zijn kooprecht. Belanghebbende is, in andere woorden, niet door [D] gefinancierd – aldus het Hof.
2.21
Het Hof heeft, onder verwijzing naar de oordelen van de Rechtbank, geoordeeld dat de Fagoed-methode een uitzondering betreft die beperkt moet worden uitgelegd. Volgens het Hof zijn de verschillen tussen de situatie van belanghebbende en de situatie in het Fagoed-arrest zodanig, dat in de situatie van belanghebbende de Fagoed-methode niet mag worden toegepast. Het Hof heeft daarom geen ruimte gezien voor de door belanghebbende voorgestane indexering ten laste van de winst.
2.22
Het Hof is tot de slotsom gekomen dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

3.Het geding in cassatie

3.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek.
Beroepschrift belanghebbende
3.2
Belanghebbende heeft vijf middelen van cassatie aangedragen. Deze middelen hebben alle betrekking op de toepasselijkheid van de Fagoed-methode.
3.3
Middel 1 betoogt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Volgens het middel worden erfpachtovereenkomsten in de (agro-)praktijk bijna altijd fiscaal verwerkt in lijn met het Fagoed-arrest. Het middel stelt dat belanghebbende een dergelijke overeenkomst in zijn geheel (1-op-1) heeft overgenomen en dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de voornoemde fiscale verwerking voortgezet kon worden.
3.4
Middel 2 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat voor toepassing van de Fagoed-methode geen ruimte bestaat, doordat belanghebbende geen geldsom heeft ontvangen en er geen ‘terugkeer’ zal zijn van de juridische (blote) eigendom van de grond in het vermogen van belanghebbende. Volgens het middel heeft belanghebbende namelijk de economische eigendom van de grond en het (terug)kooprecht 1-op-1 overgenomen. Het middel acht de situatie van belanghebbende vergelijkbaar met die in het Fagoed-arrest. Volgens het middel impliceert het oordeel van het Hof dat de uitkomst anders was geweest als de voormalige erfpachter (i) eerst zijn schuld had afgelost en daarmee de juridische (blote) eigendom van de grond had verworven, (ii) vervolgens de volledige eigendom aan belanghebbende had overgedragen en (iii) belanghebbende daarna de grond zou hebben verkocht aan [D] onder voorbehoud van een erfpachtrecht voor de resterende erfpachttermijn met gelijktijdige vestiging van een terugkooprecht (hierna genoemd: de hypothetische erfpachttransactie). Het middel stelt dat met deze handelingen hetzelfde financiële eindresultaat zou worden bereikt, en dat het niet zo kan zijn dat een andere vormgeving van de transactie(s) bepalend is voor de fiscale gevolgen. Dat het Hof (net als de Rechtbank) niet is ingegaan op deze (hypothetische) stelling, is volgens het middel onbegrijpelijk.
3.5
Middel 3 klaagt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het middel betoogt – naar ik begrijp – dat de erfpachtovereenkomst reeds bij de voormalige erfpachter voldeed aan de Fagoed-voorwaarden en dat deze fiscaal als financieringsvorm werd verwerkt. Volgens het middel heeft belanghebbende deze verwerking ook na de overdracht mogen voortzetten. Ik vat dit betoog zo op dat het middel deze situaties (vóór en ná de overdracht) als gelijke gevallen beschouwt.
3.6
Middel 4 betoogt dat goed koopmansgebruik toestaat om de overgenomen economische eigendom van de grond te activeren en een schuld in relatie tot het terugkooprecht te passiveren. Volgens het middel is het onbegrijpelijk dat het Hof daarvan niet is uitgegaan.
3.7
Middel 5 stelt dat in het Fagoed-arrest geen rekening is gehouden met situaties waarin een erfpachtovereenkomst in zijn geheel (1-op-1) wordt overgedragen. Het niet van toepassing verklaren van het Fagoed-arrest in een geval als dat van belanghebbende, is volgens het middel misbruik van recht. Volgens het middel blijft de situatie na de overdracht van de erfpachtovereenkomst ongewijzigd.
Verweerschrift Staatssecretaris
3.8
De Staatsecretaris bestrijdt het betoog van belanghebbende dat ook in diens situatie de Fagoed-methode kan worden toegepast. Uit het Fagoed-arrest en het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1157, leidt de Staatssecretaris af dat een belastingplichtige die een landbouwbedrijf uitoefent in de zin van artikel 3.12 Wet IB 2001 de Fagoed-methode mag toepassen indien aan drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan, namelijk (1) het verkregen terugkooprecht zal zijn waarde behouden, (2) de blote eigendom van de grond zal in het vermogen van de verkopende ondernemer terugkeren en (3) die terugkeer zal plaatsvinden tegen betaling van de eerdere koopsom nadat daarop de overeengekomen indexatie is toegepast, dan wel, indien overeengekomen, tegen betaling van een bedrag gelijk aan de vrije waarde van de grond of de oorspronkelijke koopsom. Alleen een dergelijke situatie komt volgens de Staatssecretaris zozeer overeen met die waarin een geïndexeerde geldlening zou zijn aangegaan, dat de erfpachttransactie ook als zodanig in de fiscale jaarwinstbepaling mag worden verwerkt.
3.9
Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof terecht geoordeeld dat in het geval van belanghebbende geen sterke parallel bestaat met een geïndexeerde geldlening. Aan de hierboven onder 2 en 3 genoemde voorwaarden is volgens de Staatssecretaris niet voldaan. Daarbij gaat de Staatssecretaris niet mee in de stelling van belanghebbende dat diens positie economisch gezien hetzelfde is als de positie van iemand die het recht van erfpacht heeft gevestigd. Voorts bestrijdt de Staatssecretaris het betoog van belanghebbende met betrekking tot de hypothetische erfpachttransactie (‎3.4). De Staatssecretaris deelt het oordeel van het Hof dat het Fagoed-arrest beperkt moet worden uitgelegd. Voor een beperkte uitleg pleit ook het door de Rechtbank gehanteerde argument dat de Fagoed-methode een uitzondering is op de hoofdregel van het economisch eigendomsrecht, aldus de Staatssecretaris.
Conclusie van repliek belanghebbende
3.1
Belanghebbende is van mening dat zijn situatie economisch gezien overeenkomst met die van de voormalige erfpachter. Dat betekent volgens belanghebbende dat (ook) hij de Fagoed-methode mag toepassen. Onder verwijzing naar de vormgeving van het terugkooprecht, betoogt belanghebbende dat het economische belang bij de grond bij hem berust in de zin van het Fagoed-arrest. Belanghebbende geeft bovendien aan dat hij bij het ontbreken van een terugkooprecht nooit zoveel voor de erfpachtovereenkomst had betaald.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Belanghebbende heeft vijf middelen van cassatie aangedragen (‎3.2-‎3.7). Mijns inziens lenen de cassatiemiddelen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2
In de kern betogen deze middelen namelijk dat het Hof de voorwaarden voor toepassing van de Fagoed-methode onjuist heeft geïnterpreteerd en toegepast. Voorts klagen de middelen over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat voor toepassing van de Fagoed-methode geen ruimte bestaat, doordat belanghebbende geen geldsom heeft ontvangen en er geen ‘terugkeer’ zal zijn van de juridische (blote) eigendom van de grond in het vermogen van belanghebbende. Dit omdat belanghebbende de economische eigendom van de grond en het (terug)kooprecht 1-op-1 heeft overgenomen van de voormalige erfpachter die reeds voldeed aan de Fagoed-voorwaarden. De middelen achten de situatie van belanghebbende vergelijkbaar met die van de belastingplichtige in het Fagoed-arrest. De middelen betogen dat het niet zo kan zijn dat de fiscale gevolgen van de hypothetische erfpachttransactie (‎3.4) anders zouden zijn dan de fiscale gevolgen voor belanghebbende.
4.3
Mijns inziens moet dat betoog worden verworpen (zie 3.12-3.15 van de gemeenschappelijke bijlage). Het mag zijn dat belanghebbende de economische eigendom van de grond en het terugkooprecht 1-op-1 heeft overgenomen van de voormalige erfpachter, maar belanghebbende heeft niet een schuld van die erfpachter overgenomen; juridisch niet en ook niet als men met een louter economische bril op naar de situatie kijkt. Een ondernemer kan niet een indexeringslast in aanmerking nemen ter zake van een schuld die hij niet heeft. Daarom heeft de Inspecteur die last terecht niet in aftrek toegelaten.
4.4
Ik meen daarom dat belanghebbende niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan het Fagoed-arrest (middel 1), dat het oordeel van het Hof dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is aan die van de belastingplichtige in het Fagoed-arrest niet onbegrijpelijk is (middel 2) en dat daardoor ook het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden (middel 3).
4.5
Met betrekking tot middel 4 kan in aanvulling op het voorgaande nog het volgende worden gezegd. Het middel betoogt dat goed koopmansgebruik meebrengt dat ‘het toegestaan is om de overname van economisch eigendom en het daaraan gekoppeld terugkooprecht resp. op de balans te activeren en te passiveren’. Voor wat betreft de activering van deze vermogensrechten ben ik het graag met belanghebbende eens, maar waar het hier om gaat is of er een te passiveren schuld is. Economische eigendom van grond en een daaraan gekoppeld (terug)kooprecht van die grond, behoren tot de te activeren vermogensbestanddelen van een ondernemer. Zij behoren niet tot diens te passiveren vreemd vermogen. De oorspronkelijke erfpachter heeft een bedrag ineens ontvangen, welk bedrag hij passiveert als schuld. Belanghebbende heeft geen bedrag ineens ontvangen; er valt daarom voor hem niets te passiveren.
4.6
Te aanzien van middel 5 kan nog het volgende worden gezegd, wederom in aanvulling op ‎4.2 en ‎4.3. Het middel doet een beroep op het leerstuk van misbruik van recht. Belanghebbende betoogt dat in het Fagoed-arrest de feitelijke situatie wordt beschreven waarin het land terugkeert in de onderneming van de belastingplichtige en dat die situatie zozeer overeenkomt met die waarin een geïndexeerde geldlening is aangegaan, dat die ook als zodanig mag worden behandeld. Het was in dat arrest niet nodig om de situatie van volledige in de plaats stelling te beschrijven die zich bij belanghebbende voordoet. Het hiermee geen rekening houden is volgens belanghebbende misbruik van recht omdat er sprake blijft van een geïndexeerd terugkoopbedrag, volledige economische eigendom en het vrijwel zeker uiteindelijk aankopen van het land door de erfpachter. Ook in het kader van dit middel gaat belanghebbende eraan voorbij dat er
geensprake is van financiering met vreemd vermogen van de onderneming van belanghebbende door de verzekeraar. Er is daarom geen ruimte voor het in aanmerking nemen van een indexeringslast ter zake van een schuld. Het verwijt van misbruik van recht dat belanghebbende kennelijk het Hof of de Inspecteur wil maken, treft reeds daarom geen doel.
4.7
Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat de middelen falen en dat het cassatieberoep ongegrond is.

5.Conclusie

Ik concludeer tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Holland 2 oktober 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:10133.
2.Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2025, nummers 24/3799 tot en met 24/3806.
3.In de uitspraak van het Hof staat abusievelijk: 1257.