ECLI:NL:PHR:2026:616

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/01862
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 21 Regeling Wapens en MunitieArt. 2 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete voor bezit van stroomstootwapens wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het meermalen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, door het bezit van twee stroomstootwapens. Het hof baseerde zijn oordeel op een doorzoeking van de woning van de ouders van de verdachte, waar de wapens in een plastic tas werden aangetroffen, samen met GPS-trackers en een kogelwerend vest. Uit een getapt telefoongesprek tussen de verdachte en zijn broer bleek dat de verdachte het bezit van het kogelwerend vest en de taser erkende, en het hof achtte het aannemelijk dat ook de stroomstootwapens van de verdachte waren.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte had vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer dat in het tapgesprek werd gebruikt, en dat uit het gesprek niet kon worden afgeleid dat de verdachte de stroomstootwapens voorhanden had. De Hoge Raad verwierp deze klachten en oordeelde dat het hof zijn bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd en dat de feiten en omstandigheden een redelijke grond boden voor de conclusie dat de verdachte de wapens bezat.

De Hoge Raad constateerde echter dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde geldboete. De conclusie van de procureur-generaal strekte daarom tot vernietiging van het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, geldboete verminderd wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01862
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 25 april 2024 (parketnr. 23-003093-21) wegens "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 1.100,-, subsidiair 21 dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslissingen genomen omtrent verschillende in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest beschreven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/02809. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat P.A. van der Waal heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 14 mei 2021 te [plaats] , meerdere wapens van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten twee stroomstootwapens (merk KT), zijnde voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier doorgenummerde pagina’s 3.194 tot en met 3.195, met fotobijlagen tot pagina 3.226.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisanten of één van hen:
Op 14 mei 2021, omstreeks 07.00 uur waren wij verbalisanten, belast met het doorzoeken van een woning, gelegen aan de [a-straat 1] .
In de woning bevond zich een trap die leidt naar bovenste verdieping. Wij doorzochten de bovenste verdieping van de woning. Wij liepen vervolgens verder, liepen door een deurspui en kwamen uit op een soort centrale hal. Wij zagen dat aan de kapstok in deze centrale hal, een zwart kleurige tas hing. Wij maakten deze tas open en zagen dat hier een veiligheidsvest, ook wel een kogel/steek werend vest inzat.
In de centrale hal bevond zich een deur, welke leidde naar een kleinere ruimte. Wij zagen een bak met hierin meerdere plastic zakken. Wij pakten een plastic tas en maakten deze open. Wij zagen dat hier twee witte doosjes in zaten. Wij maakten deze doosjes open en zagen dat er per doosje drie cartridges en één taser in zat.
Wij zagen dat er nog vier bruine doosjes in deze zwarte plastic tas zaten. Wij zagen dat er twee wat grotere doosjes in zaten. Op deze twee wat grotere doosjes zagen wij dat er ‘Haicom GPS, Real Time Tracker' stond.
2. Een proces-verbaal onderzoek wapen van 14 mei 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier doorgenummerde pagina’s 7.022-7.024.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
Op 14 mei 2021 is tijdens een doorzoeking op de [a-straat 1] een stroomstoot wapen aangetroffen.
Ik, verbalisant, zag dat het inbeslaggenomen voorwerp een stroomstootwapen is en de volgende kenmerken heeft:
Dit voorwerp is een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Het voorwerp is geen medisch hulpmiddel. De vrijstelling als bedoeld in artikel 21 Regeling Pro Wapens en Munitie is niet van toepassing. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid Pro 1, categorie II onder 5° van de Wet Wapens en Munitie.
Omdat er tweemaal hetzelfde wapen is aangetroffen heb ik, verbalisant, één proces-verbaal van technisch onderzoek opgemaakt.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier doorgenummerde pagina’s 7.270-7.271.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
Na de aanhouding van [medeverdachte] is er een telefoontap aangesloten op zijn persoonlijke teliolijn vanuit de Penitentiaire Inrichting [plaats] . Op 24 mei 2021 neemt [medeverdachte] contact op met de gebruiker van het [telefoonnummer] . [medeverdachte] is aangegeven als [verdachte] :
[verdachte] : ze hebben wel kogelvrij vest gevonden en een taser.
[betrokkene 1] : bij mijn ouders thuis gevonden en dat is van mij.
[medeverdachte] zegt dat er een kogelvrij vest en een taser is aangetroffen, [betrokkene 1] zegt dat dit bij zijn ouders thuis is gevonden en dat dit van hem is. Op de [a-straat 1] is tijdens de doorzoeking op 14 mei 2021 bij de ouders van [verdachte] een kogelwerend vest en een taser aangetroffen.
Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat [verdachte] de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer] .
4. Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2024
Ik sliep deze nacht bij mijn ouders in de slaapkamer op de derde verdieping. Het klopt dat in een kleine ruimte boven in de woning onder andere peilbakens en een kogelwerend vest zijn gevonden. De peilbakens en het kogelwerend vest zijn van mij.”
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde.
De raadsman heeft overeenkomstig de rechtbank vrijspraak bepleit voor het onder feit 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte het bezit van de stroomstootwapens ontkent en niet is gebleken dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.
Het hof oordeelt als volgt.
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat in een kleine ruimte op de bovenste verdieping van de woning aan de [a-straat] (onder meer) een plastic tas is aangetroffen met daarin twee stroomstootwapens en twee GPS-trackers. Op diezelfde verdieping is een kogelwerend vest aangetroffen. Hoewel de verdachte bekent dat het kogelwerend vest en de GPS-trackers van hem zijn, ontkent hij dat de stroomstootwapens van hem zijn en stelt hij niet te hebben geweten dat die stroomstootwapens in dezelfde plastic tas als zijn GPS-trackers zaten. Uit een getapt telefoongesprek tussen de verdachte en zijn broer [medeverdachte] . blijkt echter dat wanneer broer [medeverdachte] . de verdachte voorhoudt dat ‘ze een kogelvrij vest en een taser hebben gevonden’, de verdachte reageert dat dat bij zijn ouders thuis is gevonden en dat dat van hem is.
Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte twee stroomstootwapens voorhanden heeft gehad.”

3.De bespreking van het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd tot een bewezenverklaring is gekomen. In de toelichting op het middel worden twee deelklachten opgeworpen.
3.2
De eerste deelklacht houdt in dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van [telefoonnummer] was, zodat het tapgesprek niet kan bijdragen aan het bewijs dat de verdachte de stroomstootwapens voorhanden heeft gehad. Indien het hof wel heeft kunnen vaststellen dat de verdachte degene was die aan het tapgesprek deelnam, volgt volgens de tweede deelklacht uit de inhoud van dit gesprek niet dat de verdachte twee stroomstootwapens voorhanden heeft gehad.
3.3
Voor wat betreft de eerste deelklacht is van belang dat het hof een getapt telefoongesprek tussen de broer van de verdachte [medeverdachte] en de gebruiker van het [telefoonnummer] voor het bewijs heeft gebezigd (bewijsmiddel 3). In dit gesprek zegt de broer van de verdachte blijkens het proces-verbaal: “ze hebben wel kogelvrij vest gevonden en een taser”. Zijn gesprekspartner reageert daar vervolgens op met de opmerking “bij mijn ouders thuis gevonden en dat is van mij”. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tijdens de doorzoeking op 14 mei 2021 bij de ouders van de verdachte een kogelwerend vest en twee tasers zijn aangetroffen. Dat het hof op basis van deze feiten en omstandigheden heeft vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van het [telefoonnummer] was, acht ik geenszins onbegrijpelijk.
3.4
De eerste deelklacht faalt.
3.5
Met het oog op de tweede deelklacht merk ik op dat het hof blijkens zijn bewijsvoering heeft vastgesteld dat:
i) op 14 mei 2021 een doorzoeking werd verricht in de woning aan de [a-straat 1] ;
ii) bij deze doorzoeking in een kleine ruimte op de bovenste verdieping van de woning een plastic tas met daarin twee stroomstootwapens en twee GPS-trackers is aangetroffen;
iii) bij deze doorzoeking eveneens op de bovenste verdieping een kogelwerend vest is aangetroffen;
iv) in een getapt telefoongesprek tussen de verdachte en zijn broer, de verdachte op de opmerking dat “ze een kogelvrij vest en een taser hebben gevonden” reageert dat dat bij zijn ouders thuis is gevonden en dat dat van hem is;
v) de verdachte heeft verklaard dat hij de nacht van de doorzoeking bij zijn ouders sliep en dat de peilbakens en het kogelwerend vest van hem zijn.
3.6
Dat het hof de opmerking “bij mijn ouders thuis en dat is van mij” kennelijk zo heeft uitgelegd dat daarmee zowel het kogelvrije vest als de twee stroomstootwapens wordt bedoeld, acht ik niet onbegrijpelijk. Met de opmerking reageerde de verdachte immers in algemene bewoordingen op de mededeling van zijn broer dat “ze een kogelvrij vest en een taser hebben gevonden”, zonder daarbij te specificeren dat de opmerking (enkel) betrekking had op het kogelvrije vest. Daar komt bij dat het hof ook heeft vastgesteld dat de stroomstootwapens en de peilbakens in één plastic tas zijn aangetroffen en dat de verdachte heeft verklaard dat deze peilbakens van hem zijn. Dat het hof uit deze feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat de verdachte de stroomstootwapens op 14 mei 2021 voorhanden heeft gehad, is niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.
3.7
De tweede deelklacht faalt.
3.8
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt. Aangezien het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [1]
4.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 8 mei 2024 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. [2]
4.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
2.Een geval waarin door de Hoge Raad geen vermindering van de opgelegde straf wordt toegepast, doet zich hier niet voor. Zie HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,