ECLI:NL:PHR:2026:607

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/01441
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OpiumwetArt. 359 lid 2 SvArt. 359a lid 1 SvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bestuurlijke controles en redelijk vermoeden van schuld bij hennepgerelateerde goederen

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het hof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld wegens medeplegen van het te koop aanbieden en voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor het plegen van strafbare feiten onder de Opiumwet. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken door de politierechter, die bewijsuitsluiting toepaste vanwege vermeend misbruik van bevoegdheden door de politie tijdens twee bestuurlijke controles bij het bedrijf [A].

De eerste controle vond plaats op 14 november 2018, waarbij meerdere verbalisanten aanwezig waren ter ondersteuning en veiligheid, en de tweede op 6 juni 2019, waarbij één verbalisant als 'sterke arm' meeging. De verdediging stelde dat na de eerste controle al een redelijk vermoeden van schuld bestond, waardoor de politie bij de tweede controle misbruik maakte van haar bevoegdheden (détournement de pouvoir). Dit zou leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak.

Het hof oordeelde echter dat op en na 14 november 2018 geen redelijk vermoeden van schuld bestond en dat de politie bij de tweede controle niet strafrechtelijk optrad maar enkel de gemeentelijke toezichthouders begeleidde. Hoewel de politie zonder gegronde reden mee naar binnen ging, achtte het hof dit een gering vormverzuim zonder invloed op het opsporingsonderzoek of vervolging. De politierechter werd daarom vernietigd wegens onterechte bewijsuitsluiting.

De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep faalt, onder meer omdat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld en het middel feitelijke grondslag mist. Tevens is de redelijke termijn overschreden, maar dit leidt niet tot andere gevolgen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01441
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden bij arrest van 2 april 2024 (parketnr. 21-005271-21) veroordeeld wegens “medeplegen van voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Ook heeft het hof een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer. In eerste aanleg is de verdachte door de politierechter vrijgesproken.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01442 en 24/01443. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Zevenboom, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 14 november 2018 en op 6 juni 2019 vindt een tweetal bestuurlijke controles (“integrale controles”) plaats bij het bedrijf [A] (hierna: [A] ). Bij de eerste controle zijn meerdere verbalisanten aanwezig “ter ondersteuning en veiligheid” en bij de tweede controle één verbalisant “als sterke arm”. Door de verdediging is onder meer betoogd dat na de eerste controle een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan en dat de politie misbruik heeft gemaakt van bevoegdheden (détournement de pouvoir) door bij de tweede controle “als sterke arm” mee te gaan. In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat in afwijking van het standpunt van de verdediging op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat tijdens of na de eerste controle op 14 november 2018 reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, waardoor ook bij de tweede bestuurlijke controle op 6 juni 2019 nog geen sprake was van verdenking van een strafbaar feit en het betreden van de bedrijfsruimte op die laatstgenoemde datum evenmin als strafrechtelijk optreden kan worden aangemerkt.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de raadsman van de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt strekkende tot vrijspraak, althans dat het oordeel van het hof over het niet bestaan van een redelijk vermoeden van schuld op en na 14 november 2018 zonder een nadere motivering onbegrijpelijk is.
3.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde en aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in: [1]
“2. Cliënt is in eerste aanleg bij vonnis van 19 november 2021 door de Politierechter te [plaats] vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. In het kort kwam het pleidooi van de verdediging er op neer dat het bewijs dat ten gevolge van beide bestuurlijke controles en het tussenliggende opsporingsonderzoek, door misbruik van bevoegdheden en schending van het vertrouwensbeginsel is verkregen. Dit levert ex art. 359a Sv een onherstelbaar vormverzuim op, hetgeen dient te worden gecompenseerd met het rechtsgevolg bewijsuitsluiting.
3. De politierechter is in dit verweer meegegaan, en stelt twee vormverzuimen vast. Ten eerste is de Politierechter van oordeel dat de politie door de vastgestelde gang van zaken controle- en toezichtbevoegdheden uit de Awb feitelijk heeft aangewend ten behoeve van strafrechtelijke opsporing. Dit levert détournement de pouvoir op.
4. De politierechter stelt ten tweede vast dat ‘de autoriteiten’ naar aanleiding van de laatste controle (d.d. 6 juni 2019) geen stappen hebben ondernomen in de richting van [A] . Door de situatie voort te laten duren is bij cliënt het vertrouwen ontstaan dat hij zich niet strafbaar maakte aan het overtreden van de Opiumwet. Kortom, het vertrouwensbeginsel is geschonden.
5. Beide onherstelbare vormverzuimen raken het recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM Pro, hetgeen leidt tot de conclusie bewijsuitsluiting, en dus vrijspraak. De verdediging acht de overwegingen van de Politierechter de enige juiste juridische conclusie, en persisteert bij hetgeen zij in eerste aanleg heeft aan gevoerd.
[…]
8. In de kern komt de discussie neer op de vraag met welke reden de politie - en op grond van welke wettelijke grondslag - het pand van [A] heeft betreden. Was dit (zoals het OM stelt) enkel in het kader van de handhaving van de openbare orde? Of heeft de politie (zoals de verdediging stelt) in feite de ruimere bevoegdheden van de Awb misbruikt om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen? De verdediging meent dit laatste.
9. Het moge duidelijk zijn dat de politie het bedrijf van cliënt voorafgaand aan de bestuurlijke controle van 6 juni 2019 ‘op de korrel’ had. Zij zijn immers niet voor niets na de bestuurlijke controle van 14 november 2018 gestart met controleren van kentekens. Dit is gebeurd op verzoek van [verbalisant 1] , omdat hij samen met collega’s in het pand een groot aantal kweekmiddelen zag die zij
‘herkenden als artikelen die bij de (illegale) hennepteelt gebruikt worden.’Tenminste een van de gecontroleerde kentekens werd in verband gebracht met de georganiseerde hennepteelt. Er was dus sprake van een redelijk vermoeden van schuld.
10. Vervolgens worden de ambtenaren van de gemeente tijdens de tweede bestuurlijke controle opnieuw vergezeld door de politie. De vraag is waarom? De gegeven reden voor de aanwezigheid van de politie is de handhaving van de openbare orde. Echter was er tijdens beide bestuurlijke controles helemaal geen risico op verstoringen hiervan. [A] is gevestigd in een regulier bedrijfspand, wat zonder braak/verbreking geopend kond worden, en waarbij er geen enkel risico was op geweld jegens de gemeenteambtenaren. In ieder geval was dit bij de tweede controle het geval, nu de eerste controle zonder enig incident is verlopen. De medewerkers van [A] hebben overal aan meegewerkt.
[…]
13. Op basis van het dossier kan in de onderhavige zaak niet worden vastgesteld dat de aanwezigheid van de politie – in het kader van de handhaving van de openbare orde – noodzakelijk was. De ambtenaren van de gemeente hadden het pand van [A] alléén moeten betreden, en de hadden de politie pas moeten inschakelen wanneer dit noodzakelijk was. De politie heeft door toch mee te gaan bij de controles – uitgaande van een reeds vastgesteld redelijk vermoeden van schuld – de Awb misbruikt. Zij hadden daar op dat moment niets te zoeken, maar het is mijns inziens duidelijk waarom men daar was.
14. Het bovenstaande levert een ernstig en onherstelbaar vormverzuim op. […]
15. De verdediging stelt echter dat in de onderhavige zaak niet alleen sprake is van een schending van art. 8 EVM Pro (hetgeen gelet op het bovenstaande op zichzelf als tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden), maar dat er ook de sprake is van een schending van art. 6 EVRM Pro. De onderhavige zaak is met twee bestuurlijke controles, de inzet van opsporingsmiddelen én een schending van het vertrouwensbeginsel namelijk vele malen ernstiger van aard. Deze cocktail van vormverzuimen brengt een schending van het recht op een eerlijk proces met zich mee. Deze vormverzuimen zijn buitengewoon ernstig van aard, en raken cliënt rechtstreeks. Zoals u weet blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt dat in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met een lichter rechtsgevolg dan bewijsuitsluiting.
16. Concludeert verzoekt de verdediging u om het vonnis van de Politierechter te bevestigen, waar nodig aan te vullen, en om cliënt integraal vrij te spreken.”
3.3
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met behoud van de originele voetnoot, die is vernummerd):

Overweging met betrekking tot het bewijs
[…]
Verweer verdediging: onherstelbare vormverzuimen
Door de verdediging van verdachte is naar voren gebracht dat sprake is van twee vormverzuimen.
[…]
In de tweede plaats heeft de politie misbruik gemaakt van bevoegdheden (détournement de pouvoir). Na de bestuurlijke controle van 14 november 2018 was er volgens de verdediging sprake van een redelijk vermoeden van schuld. De politie heeft dan ook de Algemene wet bestuursrecht misbruikt door op 6 juni 2019 “als sterke arm” mee te gaan bij de tweede bestuurlijke controle.
Beide vormverzuimen zijn onherstelbaar en leveren een schending van artikel 6 en Pro artikel 8 EVRM Pro op.
Dit dient in de visie van de verdediging te leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak van het tenlastegelegde.
Vaststelling van de feiten
Op 14 november 2018 heeft het interventie team van de gemeente [plaats] een bestuurlijke controle gehouden op het bedrijventerrein [B] in [plaats] . Ook de Belastingdienst was betrokken bij deze controle. Hierbij is onder andere het bedrijf [A] bezocht.
De administratie werd door medewerkers van de Belastingdienst bekeken en de medewerkers van het interventieteam van de gemeente controleerden de bedrijfsvoering, de aanwezige personen en de aanwezige middelen/ artikelen in het pand. Voornoemde personen hebben zich laten vergezellen door de politie “ter ondersteuning en veiligheid”. In de loods werd een groot aantal kweekartikelen aangetroffen welke door de verbalisanten herkend werden als artikelen die bij de (illegale) hennepteelt gebruikt worden, onder meer een grote hoeveelheid kweekaarde, groeimiddelen, pompen, ventilatoren, slangen en koppelstukken. [2]
Op 6 juni 2019 heeft opnieuw een bestuurlijke controle plaatsgevonden bij het bedrijf [A] op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Een verbalisant was opnieuw mee “als sterke arm”.
Verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren aanwezig in het pand en verklaarden werkzaam te zijn voor het bedrijf [A] .
Op het moment dat de aanwezige verbalisant overal goederen zag staan die hem deden denken aan hennepkwekerijen, heeft hij contact opgenomen met een collega die werkzaam was voor het hennepteam van basisteam […] . Laatstgenoemde verbalisant zag meerdere goederen waarvan hij wist dat ze gebruikt worden voor hennepteelt. Na toestemming van de officier van justitie werden alle goederen die gebruikt konden worden voor hennepteelt, in beslag genomen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat niet in debat is dat de gemeenteambtenaren van de gemeente [plaats] bevoegd waren tot het controleren van [A] op 14 november 2018 en op 6 juni 2019. Het hof beperkt zich dan ook tot het bespreken van de verweren zoals deze zien op de aanwezigheid van de politieambtenaren bij deze controles.
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat op 14 november 2018, tijdens of na de controle, reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het proces-verbaal omvat weinig informatie over deze controle, maar de in het proces-verbaal genoemde aangetroffen goederen zijn niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. Ook overigens blijkt uit het procesdossier niet dat er door de politie handelingen zijn verricht die wijzen op het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek op of na 14 november 2018.
Dat op 9 november 2018 (dus voorafgaand aan de eerste controle) negen kentekens zijn genoteerd van voertuigen die bij het bedrijfspand te zien waren, maakt dit niet anders. Het noteren van kentekens past bij het verzamelen van informatie over een bepaalde locatie en is geen handeling die in deze context aangemerkt dient te worden als een opsporingshandeling.
[…]
Nu op en na 14 november 2018 geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, kan de tweede bestuurlijke controle niet worden aangemerkt als strafrechtelijk optreden.
Ook op het moment dat de toezichthouder de bedrijfsruimte betrad op 6 juni 2019, was er nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit.
Niet aannemelijk is geworden dat de politie op 6 juni 2019 een ander doel voor ogen had dan het op dat moment vergezellen van de gemeentelijke ambtenaren “als sterke arm”.
Hét hof kan zich voorstellen dat er bij de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit snel sprake kan zijn van een beschermingsbehoefte voor de toezichthouder, in dit geval de gemeentelijke ambtenaren, Het dossier bevat op dit punt echter geen onderbouwing. Deze motivering was, gelet op de naar het lijkt soepel verlopen eerste controle, in deze specifieke situatie wel gewenst.
Nu niet is geverbaliseerd of anderszins is gebleken dat op het moment van binnentreden door de gemeentelijk toezichthouder de assistentie van de politie bijvoorbeeld uit het oogpunt van personele veiligheid van die toezichthouder en/of andere gemeentemedewerkers gewenst was, moet het er op basis van de inhoud van het dossier voor worden gehouden dat de politiefunctionaris op dat moment zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan.
Gelet op het navolgende acht het hof het echter niet opportuun om de behandeling van de zaak aan te houden voor het laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal op dit punt.
De constatering dat de politiefunctionaris zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan is van belang, nu de politie eigen wettelijke bevoegdheden heeft die strafrechtelijk zijn genormeerd en waarmee dus prudent moet worden omgegaan. In zoverre is er sprake van een vormfout. Uit het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.4.4.) kan worden afgeleid dat een rechtsgevolg aan een verzuim als dit op zijn plaats kan zijn indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.
Het hof oordeelt dat het door de binnentredende politiefunctionaris begane verzuim in deze zaak geen invloed heeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De gemeentelijke toezichthouders zijn de bedrijfsruimte rechtmatig binnen gegaan en zouden zonder de aanwezigheid van de politie anders – afgaande op de aangetroffen soort artikelen en de hoeveelheid daarvan in de bedrijfsruimte van [A] – zelf een constatering hebben gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit. Zij waren immers alert in het waarnemen tijdens de controle en zouden de 1 aanwezigheid van de goederen die te linken waren aan de professionele teelt van hennep hebben opgemerkt. Als de politiefunctionaris niet mee naar binnen was gegaan maar buiten was blijven wachten was deze slechts enkele momenten later op de hoogte geraakt van de bevindingen van de toezichthouders. Het resultaat was in die situatie hetzelfde geweest. Ook de ernst van het verzuim acht het hof gering. De toezichthouder betrad rechtmatig een niet-afgesloten bedrijfsruimte. De politiefunctionaris die de toezichthouder vergezelde, is verder niet actief opgetreden en heeft op het moment van en direct na zijn binnentreden geen opsporings- of onderzoekshandelingen verricht.
Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om enig gevolg aan het verzuim te verbinden. Volstaan kan worden met de enkele constatering van het verzuim. Om die reden dient het vonnis van de politierechter te worden vernietigd, nu deze ten onrechte tot bewijsuitsluiting is overgegaan.”
3.4
Het in voetnoot 1 van het arrest van het hof genoemde Aanvullend proces-verbaal van bevindingen [3] houdt voor zover van belang het volgende in:
“Wij, verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren het volgende:
Op woensdag 14 november 2018 waren wij, verbalisten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , mee als ‘sterke arm’ voor het interventie team van de gemeente [plaats] . Die dag vond er een bestuurlijke controle / onderzoek plaats op zeker twee plaatsen op bedrijventerrein [B] in [plaats] . Het gemeentelijk interventieteam voerde samen met de belastingdienst een integraal onderzoek uit naar bedrijven die mogelijk een faciliterende rol vervulden met betrekking tot het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen. Wij waren enkel aanwezig ter ondersteuning en veiligheid. Bij voornoemde controle waren drie medewerkers van de belastingdienst, een veiligheidsadviseur van de politie en drie medewerkers van het interventieteam van de gemeente [plaats] betrokken.
De controles vonden plaats bij het bedrijf […] [A] aan [a-straat 1] te [plaats] .
[…]
Bij de controle van het pand van voornoemde [A] werd de administratie door medewerkers van de Belastingdienst bekeken.
De medewerkers van het interventieteam van de gemeente controleerden de bedrijfsvoering, de aanwezige personen en de aanwezige middelen / artikelen in het pand. Het pand is niet doorzocht, van een doorzoeking was geen sprake.
In het pand zagen wij een verkoopbalie en een grote loods. In deze loods zagen wij een groot aantal kweekartikelen die wij herkenden als artikelen die bij de (illegale) hennepteelt gebruikt worden. Wij zagen onder meer een grote hoeveelheid kweekaarde, groeimiddelen, pompen, ventilatoren, slangen en koppelstukken.
Of er vanuit de politie mededelingen gedaan zijn ten aanzien van de hennep gerelateerde goederen richting de aanwezige personen kunnen wij ons niet meer herinneren.
De medewerkers van het interventieteam van de gemeente [plaats] hebben van beide voornoemde controles een rapport opgemaakt.
Omdat er in het bedrijfspand van [A] een grote hoeveelheid kweekmaterialen aanwezig was, heb ik, [verbalisant 1] , binnen het basisteam waar bedrijventerrein [B] onder valt, een verzoek uitgezet onder collega’s om kentekens te noteren van voertuigen die hij het bedrijfspand te zien waren.
In verband met drukte is er maar op een (1) dag opvolging gegeven aan dit verzoek, namelijk 9 november 2018. Hierbij werden negen kentekens genoteerd die voor het bedrijfspand of in de directe nabijheid werden gezien. Uit de politiesystemen kwam uit onderzoek geen informatie naar voren dat een (1) van deze kentekens iets met illegale hennepteelt te maken had.”
3.5
Het hof heeft in de bewijsoverweging onder meer vastgesteld dat er “op en na 14 november 2018 geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld” en overwogen dat de tweede bestuurlijke controle (op 6 juni 2019) om die reden niet kan worden aangemerkt als strafrechtelijk optreden, dat ook op het moment dat de toezichthouder op 6 juni 2019 de bedrijfsruimte betrad er nog geen sprake was van een verdenking van een strafbaar feit en dat niet aannemelijk is geworden dat de politie op 6 juni 2019 een ander doel voor ogen had dan het op dat moment vergezellen van de gemeentelijke ambtenaren “als sterke arm”. Volgens de steller van het middel is “deze vaststelling” door het hof – over het op of na 14 november 2018 niet bestaan van een redelijk vermoeden van schuld,
PHvK– onbegrijpelijk, omdat het hof ten onrechte niet (p. 41 van) het proces-verbaal van [verbalisant 3] waarop de verdediging een beroep heeft gedaan in zijn overweging heeft betrokken.
3.6
Voor zover wordt geklaagd dat de motivering van het hof niet voldoet aan het in art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv gegeven motiveringsvoorschrift voor uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a lid 1 Sv. [4]
3.7
Ook overigens faalt het middel. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt op p. 4 in dat de raadsman van de verdachte zich aansluit bij het door de raadsman van de medeverdachte ingenomen standpunt over bewijsuitsluiting. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt echter niet in dat het hof in de onderhavige zaak heeft ingestemd met het als herhaald en ingelast beschouwen van dit standpunt. [5] Gelet daarop mist het middel feitelijke grondslag voor zover er daarbij van wordt uitgegaan dat het hof ten onrechte niet p. 41 van het proces-verbaal van [verbalisant 3] , waarop enkel door de verdediging van de medeverdachte een beroep is gedaan, in zijn overweging heeft betrokken.
3.8
Ten overvloede merk ik op dat uit mijn conclusies in de met de onderhavige zaak samenhangende zaken 24/01442 en 24/01443 blijkt waarom het gewraakte oordeel van het hof mijns inziens in cassatie stand kan houden.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt. Gezien de vrijspraak door de politierechter ligt het niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn vestreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 april 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM Pro. [6]
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep (p. 4) houdt in dat de raadsman van de verdachte zich aansluit bij het door de raadsman van de medeverdachte ingenomen standpunt over bewijsuitsluiting. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt echter niet in dat het hof heeft ingestemd met het als herhaald en ingelast beschouwen van dit standpunt.
2.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen p.1.
3.Proces-verbaal van bevindingen PL0900-2019166-006-15, opgemaakt en afgesloten door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 11 november 2021.
4.Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052,
5.Vgl. HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2687,
6.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,