ECLI:NL:PHR:2026:576

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
25/00598
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 SrArt. 6:106 BWArt. 242 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over immateriële schadevergoeding na seksueel binnendringen bij verminderd bewustzijn

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, wegens seksueel binnendringen van een persoon die zich in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht bevond. Het hof kende daarnaast een immateriële schadevergoeding toe aan de benadeelde partij.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de toewijzing van de immateriële schadevergoeding en de daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel. Hij voerde aan dat het oordeel van het hof over de aantasting van de persoon op grond van artikel 6:106 BW Pro onjuist en onvoldoende gemotiveerd was, mede omdat de benadeelde partij reeds voor het delict psychische klachten had en het verband met het strafbare feit niet vaststond.

De advocaat-generaal concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat de aard en ernst van de normschending zodanig waren dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof had de immateriële schadevergoeding billijk vastgesteld op €5.000,- met wettelijke rente. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd benadrukt dat de ernst van het delict en de blijvende impact op het slachtoffer voldoende grond vormen voor toewijzing van de schadevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de immateriële schadevergoeding van €5.000,- wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00598
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 6 februari 2025 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-000132-24) wegens "met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de (gedeeltelijke) toewijzing door het hof van de gevorderde immateriële schadevergoeding en de oplegging van een daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel. Volgens de steller van het middel getuigt het oordeel van het hof dat “de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon, in de zin van art. 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek [1] , kan worden aangenomen”, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel – mede gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – ontoereikend gemotiveerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 24 december 2020 tot en met 25 december 2020 te [plaats] , gemeente
[plaats] , met [aangeefster] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten het brengen en houden van zijn penis in haar vagina.”
2.3
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring onder meer overwogen:
“De verdachte was in de avond van 24 december 2020 samen met [aangeefster] (hierna: aangeefster), [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) in de woning van aangeefster. Aangeefster heeft die bewuste avond een behoorlijke hoeveelheid alcohol gedronken. Verdachte heeft erkend dat ook hij heeft waargenomen dat aangeefster die avond alcohol heeft genuttigd.
[getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster heeft overgegeven, dat ze niet meer de trap op kon en dat hij haar in zijn armen naar boven naar een slaapkamer heeft gedragen en haar daar op bed heeft gelegd. [getuige 2] heeft verklaard dat [getuige 1] had verteld dat aangeefster dronken was en had overgegeven. Zij en de verdachte stonden samen in de deuropening toen [getuige 1] aangeefster naar boven bracht. Zij kon zien dat aangeefster ontzettend dronken was. Aangeefster kon niet meer op haar benen staan en lag met haar gezicht tegen de borst van [getuige 1] , helemaal slap. [getuige 1] heeft verklaard dat hij, nadat hij aangeefster op bed had gelegd, aan de verdachte had medegedeeld dat aangeefster helemaal ‘out’ was. Niet lang daarna, binnen het tijdsbestek van een kwartier tot een half uur, maximaal een uur, is de verdachte naar de slaapkamer waar aangeefster lag gegaan en heeft hij seks met haar gehad. Voor zover dit is tenlastegelegd als “het brengen en houden van zijn penis in haar vagina” heeft de verdachte dit erkend. Aangeefster heeft verklaard dat zij tijdens de geslachtsgemeenschap niet in staat was om te bewegen en dat zij zich ‘als lood’ voelde liggen. [getuige 1] heeft de verdachte bovenop aangeefster aangetroffen. [getuige 1] zag dat aangeefster knock-out lag en dat ze niks zei. De verdachte had zijn hand op haar mond. Nadat de verdachte uit de kamer was gegaan, heeft [getuige 1] aan aangeefster gevraagd wat er was gebeurd, maar hij kreeg geen reactie. Ze maakte wel geluid, maar er kwamen geen woorden uit.”
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer overwogen:
“De verdachte is seksueel binnengedrongen in het lichaam van het slachtoffer, terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht verkeerde. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft zich kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die ter zitting is voorgelezen, blijkt hoezeer zij nog steeds de gevolgen ondervindt van die bewuste avond.
Hoewel het bewezenverklaarde ten tijde van het feit in het Wetboek van Strafrecht (nog) niet als verkrachting werd omschreven, is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde voor wat betreft de aard en ernst daarvan wel in hoge mate daarmee kan worden gelijkgesteld.”
2.5
In een formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ staat aangegeven dat de benadeelde partij een vergoeding van immateriële schade vordert voor een bedrag van € 7.000,00. In de bijgevoegde toelichting staat – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende:

[aangeefster], hierna ook te noemen verzoeker, heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Zij wenst dat verzoek nader toe te lichten.
Verzoeker is van mening dat de feiten waarvan aangifte is gedaan tegenover haar een onrechtmatige daad opleveren. Zij stelt dat er sprake is een/meerdere inbreuk(en) op een haar toekomend recht dan wel van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, zonder de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Op of omstreeks 24 december 2020 is verzoeker het slachtoffer geworden van seksueel geweld, een en ander zoals beschreven in de dagvaarding. Als gevolg van het handelen van verdachte(n) heeft verzoeker letsel opgelopen. Dit misdrijf vormt een ernstige inbreuk op de integriteit van verzoeker.
(…).
Gevolgen
Om reden dat [aangeefster] uiteindelijk van mening is dat wat verdachte heeft gedaan niet door de beugel kan en dat hij goed moet weten dat wat hij heeft gedaan echt niet kan, heeft zij uiteindelijk de grote stap gezet om aangifte te doen van seksueel geweld.
Seksueel geweld : daden van seksuele aard ‘zonder wederzijds goedvinden’, art 36 lid 1 en Pro 2 Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijke geweld, Istanbul, 11-05-2011.
Seksueel geweld is zeer ernstig en een zware aantasting van het recht tot zelfbeschikking en de
fysieke en mentale integriteit van het slachtoffer.
Seksueel geweld treft het seksuele lichaam dat gewoonlijk gekenmerkt wordt door de mogelijkheid van intimiteit en verbintenis tot anderen, en kan juist daarom zoveel impact hebben. [Bergoffen, D., Exploiting the dignity of the vulnerable body: Rape as a weapon of war, Philosophical Papers, 2009, 38 (3), p. 307-325 ]
Het besluit tot het doen van aangifte heeft ook tot gevolg dat verzoeker een groot deel van haar privacy ‘prijsgeeft’. Al met al is het onrechtmatig handelen van verdachte, waarbij hij enkel oog heeft gehad voor het bevredigen van zijn eigen verlangen, zéér ingrijpend.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel geweld daar langdurig
psychische klachten aan over (kunnen) houden.
Psychische gevolgen van het misbruik, zoals depressies, een laag zelfbeeld en PTSS kunnen leiden tot een gevoel van hopeloosheid en onverschilligheid, het niet meer in staat zijn tot assertiviteit of het begrijpen van de emotionele betekenis van seksualiteit. Dit vergroot de kans op herhaald slachtofferschap. [ E. Mulder, M. Cense en W.T.M. van Berlo, seksueel geweld bij volwassenen, in Van Doorne e.a. Slachtoffers: Onderzoek, beleid en praktijk, hoofdstuk 8, p. 188 ]
Als gevolg van het onrechtmatig handelen van verdachte heeft verzoeker psychisch letsel opgelopen waarvoor zij hulp heeft gezocht in de geestelijke gezondheidszorg. De uiteindelijk vastgestelde diagnose is PTSS, wat geleid heeft tot een langdurige en intensieve behandeling.
(…).
Immateriële schade
“Voor
nadeel dat niet in vermogensschadebestaat, heeft de benadeelde recht op een naar
billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon
het oogmerk hadzodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde
lichamelijk letselheeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of
op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. ……… .”
Het feit waarvan door verzoeker aangifte is gedaan heeft tot gevolg gehad dat zij psychisch letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in haar persoon is aangetast, artikel 6:106 BW Pro.
Ten aanzien van de onderbouwing van de ‘aantasting een en ander als bedoeld in van de persoon op andere wijze’ verwijst verzoeker naar hetgeen is vermeld productie 1 en hetgeen in het voorgaande is vermeld. [aangeefster] stelt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [ HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o 2.4.5.]”
2.6
Namens de verdachte is met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende aangevoerd:
“34. Ik verzoek u de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren danwel af te wijzen. Daartoe geldt het volgende.
35. gelet op de complexiteit van de vordering zou dit nader onderzoek naar de omvang van de gevorderde schade een uitgebreide nadere behandeling vereisen, terwijl het strafgeding zich thans niet meer leent voor uitstel of aanhouding om een en ander nader uit te diepen. De behandeling van de vordering levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op.
36. Uit het schrijven van de Hoop GGZ d.d. 1 december 2023 volgt dat aangeefster al ruime tijd voor het tenlastegelegde feit in behandeling is geweest en onderzoek is geweest naar ASS en er eerder sprake zou zijn van stemmingsklachten en relatieproblemen. Niet staat vast dat de gestelde geestelijke schade verband houden met de vermeende onrechtmatige gedraging, omdat benadeelde partij ook reeds voor de datum van het tenlastegelegde feit te kampen had met psychische klachten. Dat de gestelde PTSS samenhangt met het tenlastegelegde en de schade rechtstreeks door het strafbare feit is ontstaan staat derhalve ook niet vast. De vordering is dan ook onvoldoende onderbouwd.
37. Daarbij is er een fors tijdsverloop m.b.t. het schrijven van de Hoop GGZ, het moment van het tenlastegelegde en de voordien reeds bestaande behandelingen van benadeelde. Dat de thans bestaan de klachten nog altijd samenhang zouden hebben met het tenlastegelegde staat ook niet vast.
38. De uitspraak waar benadeelde partij een beroep op doet ziet daarbij op een geheel andere tenlastelegging, te weten art. 242 Sr Pro en niet art. 243 Sr Pro en ziet op geheel andere feiten en omstandigheden.
39. Dat de benadeelde partij een trauma zou hebben opgelopen ten gevolge van het tenlastegelegde feit volgt niet uit het strafdossier en wordt ook niet ook met behulp van medische gegevens worden aangetoond. Dat de PTSS zou samenhangen met het tenalstegeldge3 volgt niet uit het schrijven van de Hoop GGZ d.d. 1 december 2023. de gestelde psychische schade kan dan ook niet worden vastgesteld.
40. De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen op grond van de thans beschikbare gegevens evenmin als zodanig ernstig worden aangemerkt dat reeds daarom kan worden aangenomen dat van de in artikel 6:106. aanhef en onder b. BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Voor toewijzing van de vordering van de benadeelde partij zou daarom nadere bewijslevering nodig zijn. Het zou in dit stadium van de zaak een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om het onderzoek ter terechtzitting daartoe te heropenen.
41. Psychische schade. Volgens de wet is het verhalen (op daders) van negatieve gevoelens alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Verder is onduidelijk wat de huidige (geestelijke/lichamelijke) situatie van aangeefster is nu stukken hieromtrent ontbreken.”
2.7
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat van de benadeelde partij nog het volgende naar voren gebracht:
“Mijn cliënte heeft op 24 december 2024 een slachtofferverklaring opgesteld. Zij schrijft daarin het volgende: “De dag dat ik dit schrijf is het precies 4 jaar geleden. Dat trekt me tot aan de grond. Ik heb therapie gevolgd. Ik ben op een punt dat het teveel gevraagd is, bijvoorbeeld groepstherapie met veel mannen. De confrontatie is te groot. Ik bevroor. De arbo-arts heeft mij anderhalf jaar geleden afgekeurd, ondanks dat ik antidepressiva slik. Ik denk eraan om niet meer te leven. Het liefst bagatelliseer ik hoe ik mij voel. Mijn kinderen zijn de reden dat ik nog opsta. Het is niet gemakkelijk zo.”
De vordering tot schadevergoeding wordt gehandhaafd. De immateriële schade is gebaseerd op hetgeen billijk is.”
2.8
Het hof heeft met betrekking tot de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij als volgt overwogen:

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]
In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.362,08, bestaande uit € 362,08 materiële schade en € 7.000,- immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
(…).
Het hof is voor wat betreft de gevorderde vergoeding van immateriële schade van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon, in de zin van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, kan worden aangenomen. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de leeftijd van het slachtoffer alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”
2.9
Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
(...)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
2.1
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.” [2]
De bespreking van het middel
2.11
In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat de verdachte seksueel is binnengedrongen in het lichaam van de benadeelde partij terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht verkeerde. In de strafmotivering heeft het hof vastgesteld dat de verdachte door de bewezenverklaarde gedraging een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde. Het hof overweegt dat het delict ten tijde van het plegen van het feit in het Wetboek van Strafrecht (nog) niet als verkrachting werd omschreven, maar oordeelt dat het bewezenverklaarde wat betreft de aard en ernst ervan in hoge mate daarmee gelijk kan worden gesteld. Verder heeft het hof vastgesteld dat de benadeelde partij blijkens de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring nog steeds de gevolgen ondervindt van de bewuste avond. Deze verklaring houdt onder meer in dat de benadeelde partij eraan denkt om niet meer te leven, dat haar kinderen de reden zijn dat ze nog opstaat en dat ze “op een punt [is] dat het teveel gevraagd is, bijvoorbeeld groepstherapie met veel mannen. De confrontatie is te groot”.
2.12
Het hof is niet ingegaan op het door de benadeelde partij gestelde geestelijk letsel, maar heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending in een geval als dit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon, in de zin van art. 6:106 aanhef Pro en onder b, BW kan worden aangenomen. De steller van het middel betoogt dat deze grond in de onderhavige zaak geen basis biedt voor toewijzing van de vordering en verwijst ter onderbouwing van dat standpunt naar (de verschillen met) de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1496. Hij schrijf in dit kader:
“In HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1496 had de verdachte zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige verkrachting, waarbij hij het slachtoffer tijdens die verkrachting bedreigde en mishandelde. (…) In casu is van verkrachting geen sprake; het gaat om het seksueel binnendringen van iemand die in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Op dat feit was een aanzienlijk lagere straf gesteld dan op verkrachting. Daarbij komt dat (bedreiging met) geweld in dezen evenmin aan de orde is, terwijl ook niet blijkt dat het bewezenverklaarde gevoelens van grote angst of veel stress bij aangeefster veroorzaakte.”
2.13
Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. Dat op art. 242 (oud) Sr een hogere straf was gesteld dan op art. 243 (oud) Sr en in dit geval niet blijkt van (bedreiging met) geweld, maakt niet dat in een geval als het onderhavige geen sprake kan zijn van een normschending waarvan de aard en de ernst meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De overeenkomsten tussen de onderhavige zaak en die in voornoemd arrest zijn wat mij betreft relevanter: overtreding van zowel art. 242 (oud) Sr als art. 243 (oud) Sr wordt bedreigd met een forse gevangenisstraf en in beide zaken was (mede) vanwege het seksueel binnendringen door de verdachte sprake van een ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit van de benadeelde partijen. Kortom, de aard en de ernst van de normschending zijn van een bijzonder groot gewicht. Voor zover de nadelige gevolgen hiervan niet reeds voor de hand liggen, merk ik op dat – hoewel het hof dat bij de bespreking van de vordering niet expliciteert – uit de strafmotivering blijkt van de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij. [3] In het licht van hetgeen ik onder 3.2 heb vooropgesteld, getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW niet van een onjuiste rechtsopvatting. [4]
2.14
De steller van het middel voert verder aan dat het oordeel van het hof niet toereikend is gemotiveerd vanwege de concrete omstandigheden van het geval, die door het hof in het midden zouden zijn gelaten. De steller van het middel refereert onder meer aan de in hoger beroep aangevoerde omstandigheden dat de verdachte en aangeefster meerderjarig waren, dat zij in het recente verleden met wederzijdse instemming seks met elkaar hadden en dat er op de betreffende avond een seksuele aantrekkingskracht tussen hen was. Ik wijs er in dat verband op dat het hof heeft overwogen dat de verklaring van de verdachte dat er eerder op de avond ‘chemie’ was tussen hem en de aangeefster, de verdachte geen vrijbrief geeft om in de gegeven situatie – waarin hij wist dat de aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht verkeerde – zich op de tenlastegelegde wijze te vergrijpen aan de aangeefster. Kortom, de door de verdachte en zijn raadsman naar voren gebrachte omstandigheden disculperen de verdachte niet. Mede bezien tegen de achtergrond van de vaststellingen van het hof die ik hiervoor onder 2.11 heb opgenomen, is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hierna ook: BW.
2.Zie verder ook N.A. Schipper & L.A.J. Kock,
3.Daarmee bevindt de onderhavige zaak zich op de grens tussen de tweede en derde categorie zoals onderscheiden in HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, rov. 3.5.5 en 3.5.6.
4.Vgl. ook HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73.