ECLI:NL:PHR:2026:551

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/02787
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 10 WzdArt. 26 lid 7 WzdArt. 38 lid 5 WzdArt. 38 lid 9 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechterlijke machtiging voortgezet verblijf ondanks onvolledig zorgplan Wzd

Betrokkene, lijdend aan de ziekte van Huntington, was onderwerp van een verzoek tot opvolgende rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf in een accommodatie op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had de rechtbank verzocht deze machtiging te verlenen, waarbij een zorgplan was overgelegd dat niet volledig de vormen van onvrijwillige zorg bevatte.

De rechtbank verleende de machtiging en wees het verweer van betrokkene af dat het verzoek moest worden afgewezen of aangehouden vanwege het onvolledige zorgplan. De rechtbank oordeelde dat de besluitvorming over onvrijwillige zorg bij de zorgprofessionals ligt en dat het zorgplan geen belemmering vormde voor de beoordeling van het verzoek.

In cassatie klaagde betrokkene dat dit oordeel in strijd was met diverse artikelen van de Wzd en het EVRM, en onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad concludeerde dat de wet en wetsgeschiedenis geen grond bieden om een verzoek om machtiging af te wijzen of aan te houden vanwege een onvolledig zorgplan. De rechterlijke machtiging ziet op opname en verblijf, terwijl onvrijwillige zorg een afzonderlijk regime kent. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rechtbank over voldoende informatie beschikte om te beslissen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt verworpen en de opvolgende rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02787
Zitting29 mei 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
het Centrum Indicatiestelling Zorg,
hierna: het CIZ,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. R. de Graaff.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wzd-zaak heeft de rechtbank op verzoek van het CIZ een opvolgende rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf voor betrokkene verleend. In cassatie klaagt betrokkene dat de rechtbank het verzoek van het CIZ had moeten afwijzen dan wel aanhouden omdat het bij het verzoek overgelegde zorgplan niet (volledig) de vormen van onvrijwillige zorg vermeldt. Volgens betrokkene is het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 26 lid 7 Wzd Pro in samenhang met artikel 38 lid 5 en Pro lid 9 Wzd en artikel 10 Wzd Pro en in samenhang met artikel 5 lid 1 aanhef Pro, en onder e, EVRM en artikel 6 lid 1 EVRM Pro, althans is het oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
1.2
Ik meen dat het middel faalt. Uit de wet, wetsgeschiedenis, rechtspraak en het systeem van de Wzd kan geen regel worden afgeleid dat de rechtbank de behandeling van een verzoek om een rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf moet aanhouden of dit verzoek moet afwijzen als het zorgplan niet (volledig) de vormen van onvrijwillige zorg bevat. In de wet worden juist afzonderlijke beoordelingskaders gesteld voor onvrijwillige zorg enerzijds en onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf anderzijds. De rechtbank was, mede gelet op het partijdebat, ook niet gehouden tot een nadere motivering van haar overwegingen op dit punt.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Betrokkene lijdt aan de ziekte van Huntington, een gelijkgestelde aandoening in de zin van de Wzd (artikel 1 lid 4 Wzd Pro). [1]
2.2
Bij beschikking van 22 mei 2024 is door de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) een opvolgende machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 22 mei 2025. [2]
2.3
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2025, heeft het CIZ de rechtbank verzocht wederom een opvolgende machtiging voor betrokkene te verlenen voor de duur van een jaar. Bij het verzoekschrift zijn gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 6 december 2023;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 18 april 2025;
- de op 8 april 2025 ondertekende medische verklaring van de onafhankelijke arts;
- het zorgplan.
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 mei 2025. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een arts gehoord. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat van betrokkene ter zitting het volgende verweer gevoerd:
“De
advocaatheeft ter zitting naar voren gebracht:
De advocaat vraagt zich af of het cliëntplan het zorgplan is? Nu blijkt dat het cliëntplan het zorgplan betreft, stel ik vast dat de Wzd-maatregelen niet in het zorgplan zijn opgenomen. Dit is van belang bij een rechterlijke machtiging. Het verzoek voldoet daarom niet aan de wettelijke vereisten. Het zorgplan moet worden ingebracht en daarin moeten de Wzd-maatregelen zijn opgenomen. De interne rechtspositie van cliënt wordt meer beperkt dat hij zou willen. Er vindt een inbreuk op zijn fundamentele vrijheden plaats, met name door de Wzd-maatregelen. Volgens het EHRM moet er oog zijn voor deze fundamentele inbreuken. Omdat ik niet weet welke Wzd-maatregelen er worden opgelegd, kan ik niet met cliënt overleggen wat hij met die beperking van vrijheden wil doen. Hij is niet agressief uit zichzelf, maar door de beperkingen die hem worden opgelegd. (…) De rechterlijke machtiging kan alleen worden verleend als aan het recht is voldaan. (…) Daarnaast wil cliënt meer verlof. Hij is alleen niet in staat om dit zelf op adequate wijze aan te geven. Ik probeer om cliënt naar de cliëntvertrouwenspersoon te krijgen. De curator vindt het verder wel een rustig dossier. Het verlof is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder en niet van de curator. De zorginstelling verschuilt zich achter de curator en de curator achter de zorginstelling. Cliënt is van oorsprong heel actief. (…) Zijn passiviteit is een gevolg van zijn ziekte, maar het is ook een protest tegen het niet beschermen van zijn interne en externe rechtspositie. De advocaat vraagt primair om afwijzing van het verzoek en subsidiair om aanhouding van het verzoek zodat het complete zorgplan kan worden aangeleverd, waarin alle Wzd-maatregelen zijn opgenomen.”
2.6
Bij beschikking van 21 mei 2025 [3] (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 20 mei 2026.
2.7
Met betrekking tot het zorgplan vermeldt de bestreden beschikking het volgende:

Standpunten ter zitting
(…)
De advocaat vraagt zich af of het zorgplan wel aan het dossier is toegevoegd, enkel is aanwezig een cliëntplan. Het verzoek voldoet niet aan de wet, omdat de vormen van onvrijwillige zorg niet (volledig) in het zorgplan zijn opgenomen.
(…)
De advocaat vraagt primair om afwijzing van het verzoek, omdat cliënt niet in de instelling wil verblijven. Subsidiair vraagt de advocaat om aanhouding dan wel afwijzing van het verzoek, omdat een compleet zorgplan ontbreekt en dit zorgplan eerst moet worden aangevuld voordat een beslissing kan worden genomen.
(…)
De arts bevestigt dat het document dat cliëntplan heet, het zorgplan is. Het is de arts niet bekend dat alle vormen van onvrijwillige zorg in het zorgplan opgenomen moeten worden. Als het nodig is dan kan zij de stukken alsnog aanvullen.
Beoordeling
Op 22 mei 2024 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 22 mei 2025.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek aan te houden of af te wijzen, omdat sprake zou zijn van een incompleet zorgplan. In het geval een rechterlijke machtiging wordt aangevraagd voor een cliënt die al in een accommodatie verblijft, verstrekt het CIZ bij die aanvraag ook het zorgplan. De rechtbank stelt vast dat het zorgplan is verstrekt. Zoals de arts ter zitting heeft toegelicht is het cliëntplan het zorgplan. Dan is het vervolgens de vraag of dit zorgplan dusdanige gebreken vertoont dat de rechtbank geen beslissing kan nemen op het verzoek. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aan de orde is. Anders dan in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is er in de Wzd voor gekozen om de besluitvorming over de vormen van vrijwillige zorg bij de zorgprofessionals te leggen. Voor zover er daarom een gebrek in het zorgplan zou zijn, vormt dit geen aanleiding voor een aanhouding of afwijzing van het verzoek, omdat de rechtbank de voor haar besluit benodigde informatie heeft.
(…)”
2.8
Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 21 augustus 2025 [4] , heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 21 mei 2025.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank geciteerd onder 2.7 (onder het kopje Beoordeling), waarin de rechtbank het verzoek van de advocaat van betrokkene om het verzoek van het CIZ af te wijzen of aan te houden in verband met de gebrekkige inhoud van het zorgplan, van de hand wijst. Betrokkene klaagt dat deze overwegingen in strijd zijn met artikel 26 lid 7 Wzd Pro in samenhang met artikel 38 lid 5 en Pro lid 9 Wzd en artikel 10 Wzd Pro en in samenhang met artikel 5 lid 1 aanhef Pro, en onder e, EVRM en artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Althans, zo vervolgt betrokkene, zijn deze overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
3.2
Naar ik begrijp, wordt in de kern geklaagd dat de rechtbank de behandeling van het verzoek om een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie had moeten aanhouden dan wel het verzoek had moeten afwijzen, nu het overgelegde zorgplan niet de vormen van onvrijwillige zorg bevat.
3.3
De door betrokkene gegeven toelichting op het middel vat ik als volgt samen.
3.4
Het CIZ moet een afschrift van het zorgplan overleggen (art. 26 lid 7 Wzd Pro). Onvrijwillige zorg moet worden opgenomen in het zorgplan (art. 10 Wzd Pro). Het zorgplan, dat niet ondertekend is door betrokkene, de zorgverantwoordelijke of curator, bevat geen Wzd-maatregelen. Daarmee voldoet het zorgplan niet aan de wet. Ondanks het aanbod van de arts ter zitting om het zorgplan aan te vullen, is de rechtbank daarop niet ingegaan. De rechtbank had echter geen beslissing mogen nemen over de gevraagde machtiging. Door de machtiging wordt cliënt veel meer in zijn vrijheid beperkt dan hij zou willen. Het zorgplan vermeldt daar niets over en is daarom incompleet met betrekking tot onvrijwillige zorg en dus verdere vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen. Mede gelet op artikel 5 lid 1 aanhef Pro, en onder e, EVRM had de rechtbank op basis van het zorgplan dus geen beslissing kunnen nemen.
3.5
In cassatie staat niet ter discussie dat het cliëntplan heeft te gelden als het zorgplan.
3.6
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
Onvrijwillige zorg
3.7
Artikel 2 lid 1 Wzd Pro definieert onvrijwillige zorg als zorg waartegen de betrokkene of zijn vertegenwoordiger zich verzet. De mogelijke vormen van onvrijwillige zorg zijn in diezelfde bepaling opgesomd onder a tot en met i, zoals het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten.
3.8
De zorgverantwoordelijke draagt zorg voor het opstellen, het vaststellen, het uitvoeren, het evalueren en zo nodig het periodiek aanpassen van een zorgplan en het voeren van overleg met de betrokkene voorafgaand daarover (art. 5 lid 2 Wzd Pro). Op grond van artikel 7 lid 1 Wzd Pro stelt de zorgverantwoordelijk na overleg met de betrokkene een zorgplan vast, waarin de afspraken met de betrokkene zijn vastgelegd.
3.9
De zorgverantwoordelijke kan in het zorgplan als uiterste middel onvrijwillige zorg opnemen, indien aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden van artikel 10 lid 2 Wzd Pro is voldaan.
3.1
Anders dan onder de Wvggz, is voor het verlenen van onvrijwillige zorg geen rechterlijke machtiging vereist. De vraag of onvrijwillige zorg in de zin van de Wzd mag worden verleend, is door de wetgever overgelaten aan de zorgverlener. Artikel 13 Wzd Pro bepaalt dat de zorgverlener slechts uitvoering geeft aan de in het zorgplan opgenomen onvrijwillige zorg, indien de zorgverlener heeft vastgesteld dat: a) het in het zorgplan beschreven ernstig nadeel zich daadwerkelijk voordoet, en b) er in de gegeven omstandigheden geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.11
Betrokkene kan bij de klachtencommissie een klacht indienen over een beslissing over het in het zorgplan opnemen van onvrijwillige zorg, de instemming met en het informeren over de verlening van onvrijwillige zorg door de zorgverantwoordelijke en het uitvoeren van het zorgplan (art. 55 lid Pro 1, onder b en c, Wzd). Bij een verzoek als bedoeld in artikel 55 Wzd Pro kan de betrokkene tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken (art. 56g lid 1 Wzd).
3.12
Nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen of indien de klachtencommissie niet tijdig een beslissing heeft genomen, kan de betrokkene een verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht (art. 56c lid 1 Wzd). [5] Bij een verzoek als bedoeld in artikel 56c lid 1 Wzd kan de betrokkene tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken. De rechter kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen en kan ook ambtshalve tot schadevergoeding door de zorgaanbieder besluiten. Van de beslissing van de rechter op een verzoek tot schadevergoeding staat hoger beroep en eventueel cassatie open. [6]
Onvrijwillige opname en verblijf
3.13
Opname en verblijf in een accommodatie zijn geen vorm van onvrijwillige zorg in de zin van artikel 2 lid 1 Wzd Pro. [7] Dat is anders dan in de Wvggz, waarin opname in een accommodatie een van de wettelijke vormen van verplichte zorg is (art. 3:2 lid Pro 2, onder j Wvggz).
3.14
Voor onvrijwillige opname en verblijf of voortgezet verblijf bevat de Wzd een afzonderlijke regeling (art. 24 Wzd Pro e.v.). Onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf vereisen een rechterlijke machtiging (art. 24 lid 1 Wzd Pro). [8] Die rechterlijke machtiging ziet niet op de mogelijke vormen van onvrijwillige zorg in de zin van artikel 2 Wzd Pro. Dit betekent dat voor het verlenen van onvrijwillige zorg aan een betrokkene die op basis van een rechterlijke machtiging verblijft in een accommodatie, voldaan moet zijn aan de afzonderlijke wettelijke vereisten voor die onvrijwillige zorg (zie hiervoor onder 3.7 e.v.).
3.15
De keuze van de wetgever voor afzonderlijke regelingen in de Wzd voor onvrijwillige zorg in de zin van artikel 2 Wzd Pro enerzijds en voor onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf anderzijds, is ingegeven door wensen van uniforme rechtsbescherming en van het verlenen van extramurale zorg op maat, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis: [9]
“De rechtsbescherming die dit wetsvoorstel biedt in gevallen waarin onvrijwillige zorg wordt verleend, wordt in dit voorstel niet beperkt tot situaties waarin de cliënt in een accommodatie van een zorgaanbieder is opgenomen, maar strekt zich ook uit tot de extramurale zorgverlening. Het maakt dus niet uit waar de zorg wordt geboden. Zoals in de inleiding al is uiteengezet, heeft de wens te komen tot een uniforme regeling – en daarmee uniforme rechtsbescherming – te maken met de toenemende verscheidenheid aan woonvormen voor mensen met dementie of een verstandelijke beperking. Daarmee vervaagt het onderscheid tussen intra- en extramuraal. Bovendien is in de Wet bopz een rechtstreekse koppeling gelegd tussen opname en dwangbehandeling. Uit de tweede evaluatie van de Wet bopz bleek echter dat zorgverleners op de werkvloer vaak geen inzicht hebben in de juridische status van bewoners. Vrijheidsbeperkingen worden toegepast als zorgverleners dat noodzakelijk achten in het belang van de cliënt of anderen en daarbij wordt lang niet altijd onderscheid gemaakt tussen mensen mét en zonder machtiging tot opname krachtens de Wet bopz. Gevolg is dat een grote groep bewoners wel wordt geconfronteerd met vrijheidsbeperkingen, maar niet de daarbij behorende rechtsbescherming geniet. De voorgestelde regeling brengt daar aanzienlijke verbetering in aan, doordat zij van toepassing is op álle mensen die zorg ontvangen in verband met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke beperking.
Wat tot slot ook een rol speelde bij het besluit om de reikwijdte van dit wetsvoorstel uit te breiden tot zorgsituaties buiten de muren van speciale voorzieningen, is de omstandigheid dat het bij mensen met dementie of een verstandelijke beperking vaak om stabiele zorgsituaties gaat. (…) In het algemeen kennen de zorgverleners hun cliënten niet alleen goed, maar weten zij ook welk gedrag of welke houding ze van die cliënten kunnen verwachten. Zij kunnen vaak inschatten wanneer zich daarin een verandering zal voordoen. Juist dat maakt het ook haalbaar om mensen bij wie soms onvrijwillige zorg moet worden toegepast toch buiten de muren van een grote instelling te verzorgen of te begeleiden.
Om het onderhavige wetsvoorstel ook van toepassing te laten zijn op zorg die losstaat van een gedwongen opname, wordt in het voorstel een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de opname, die alleen in daartoe geregistreerde accommodaties kan plaatsvinden, en anderzijds het zorgproces zelf, waarin het nodig kan zijn iemand tegen zijn wil te verzorgen of in zijn vrijheid te beperken.”
3.16
De rechter kan op grond van artikel 24 lid 3 Wzd Pro een machtiging verlenen voor opname en verblijf in een geregistreerde accommodatie indien het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel, als bedoeld in artikel 1 lid 2 Wzd Pro, de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt is om dat ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden. [10]
3.17
Blijkens wetsgeschiedenis is het van belang dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek om een rechterlijke machtiging over zoveel mogelijk relevante informatie beschikt. [11] Bij het verzoek om een rechterlijke machtiging, dat gedaan wordt door het CIZ, moet daarom een aantal documenten worden gevoegd, zoals een medische verklaring van een onafhankelijke, ter zake kundige arts die de betrokkene met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht (art. 26 lid Pro 6, onder d, Wzd). Als de betrokkene zich al (vrijwillig of onvrijwillig) in een accommodatie bevindt, schrijft artikel 26 lid 7 Wzd Pro voor dat het CIZ ook een afschrift van het zorgplan als bedoeld in artikel 5 Wzd Pro moet overleggen. De wetsgeschiedenis van de Wzd vermeldt geen specifieke reden voor dit laatste vereiste. [12]
3.18
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.19
De rechtbank moest beoordelen of zij op basis van de stukken over voldoende informatie beschikte om te kunnen beoordelen of voldaan is aan de vereisten voor een opvolgende rechterlijke machtiging van artikel 24 lid 3 Wzd Pro. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit het geval was. Zij heeft vastgesteld dat sprake is van een gelijkgestelde aandoening, te weten de ziekte van Huntington, die leidt tot ernstig nadeel en waaruit dat ernstig nadeel bestaat. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de voortzetting van het verblijf in de accommodatie noodzakelijk en geschikt is om het ernstig nadeel af te wenden, dat daarvoor geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn en dat betrokkene zich verzet tegen voortzetting van het verblijf.
3.2
De rechtbank is in de bestreden beschikking ingegaan op het verweer van de advocaat van betrokkene dat de behandeling van het verzoek moet worden aangehouden of het verzoek moet worden afgewezen, omdat sprake zou zijn van een incompleet zorgplan (zie hiervoor onder 2.7). De rechtbank ziet geen aanleiding het verweer te honoreren. Daartoe overweegt de rechtbank 1) dat het zorgplan is verstrekt; 2) dat dit niet dusdanige gebreken vertoont dat de rechtbank geen beslissing kan nemen op het verzoek; en 3) voor zover er een gebrek in het zorgplan zou zijn, dit geen aanleiding vormt voor een aanhouding of afwijzing van het verzoek, omdat de rechtbank de voor haar besluit benodigde informatie heeft. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, anders dan in de Wvggz, er in de Wzd voor is gekozen om de besluitvorming over de vormen van onvrijwillige zorg bij de zorgprofessionals te leggen.
3.21
Dit oordeel is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk, zoals ik hierna zal toelichten.
3.22
De rechtsopvatting dat een verzoek om een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf moet worden afgewezen of de behandeling ervan moet worden aangehouden als in het zorgplan de vormen van onvrijwillige zorg niet (volledig) vermeld staan, vindt geen steun in het recht. Een en ander volgt niet uit de wet, wetsgeschiedenis of de rechtspraak en is bovendien niet passend in het systeem van de Wzd. Daarin bestaan immers afzonderlijke kaders voor onvrijwillige zorg enerzijds en voor onvrijwillige opname en (voortgezet) anderzijds verblijf (zie hiervoor onder 3.13-3.15).
3.23
Het was dus aan de rechtbank om te bepalen of zij in dit geval over voldoende informatie beschikte om het verzoek van het CIZ tot verlening van een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf te beoordelen, mede gelet op het verweer over de gebreken in het zorgplan. Ook het aanbod van de arts ter zitting het zorgplan zo nodig aan te vullen noopte daarmee niet tot het bieden van de gelegenheid daartoe.
3.24
Of al dan niet onvrijwillige zorg verleend kan worden of wordt, kan een bij de beoordeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging mee te wegen omstandigheid zijn. Dat is echter niet noodzakelijkerwijs het geval. Ik meen zelfs dat in de meeste gevallen het zorgplan niet strikt noodzakelijk zal zijn voor de beslissing op het verzoek tot opname of (voortgezet) verblijf, omdat de aanwezigheid van de gronden voor het verlenen van een rechterlijke machtiging al uit de andere over te leggen stukken moet blijken. Die stukken, zoals de medische verklaring, zijn immers toegespitst op de vraag of een rechterlijke machtiging moet worden verleend. [13] Het zorgplan is daarentegen gericht op de vraag welke zorg cliënt nodig heeft.
3.25
In dit geval heeft de rechtbank geoordeeld dat informatie over vormen van onvrijwillige zorg in het zorgplan niet nodig is voor de door haar te nemen beslissing, nu de besluitvorming over die vormen van onvrijwillige zorg in de Wzd bij de zorgprofessionals is gelegd. Dat is niet onjuist of onbegrijpelijk, gelet op de voor een rechterlijke machtiging geldende wettelijke eisen voor een rechterlijke machtiging en hetgeen daarover uit de gedingstukken blijkt.
3.26
Ook het partijdebat maakte niet dat de rechtbank gehouden was tot een nadere motivering. Door of namens betrokkene is namelijk niet aangevoerd welke specifieke vormen van onvrijwillige zorg ontbreken in het zorgplan, en waarom deze relevant zouden zijn voor de in deze procedure door de rechtbank uit te voeren beoordeling. Door de advocaat in eerste aanleg is ter zitting met name ingegaan op de beperkingen die aan betrokkene opgelegd worden door middel van Wzd-maatregelen. De onderhavige procedure is echter niet bedoeld voor de toetsing van die maatregelen. Daarvoor kent de Wzd een afzonderlijke klachtenprocedure (zie hiervoor onder 3.11-3.12). Dat mogelijk vormen van onvrijwillige zorg worden verleend waarin het zorgplan niet voorziet, maakt bovendien niet dat andere of hogere eisen gesteld moeten worden aan de motivering van de beslissing tot verlening van een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf.
3.27
Betrokkene wijst in het middel ook op de omstandigheid dat het zorgplan niet door hem, de zorgverantwoordelijke of de curator is ondertekend. Voor zover dit al moet worden gelezen als de klacht dat het zorgplan zonder deze ondertekening gebrekkig is en ook daarom zou moeten leiden tot aanhouding dan wel afwijzing van het voorliggende verzoek, volgt uit het voorgaande dat ook deze klacht van de hand moet worden gewezen. Uit de Wzd volgt bovendien geen eis tot ondertekening van het zorgplan (door bepaalde personen). Ook is het punt van ondertekening in eerste aanleg niet aan de orde gesteld door of namens betrokkene, waardoor ook het partijdebat geen nadere motivering dienaangaande vergde.
3.28
Slotsom is dat de klachten falen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zo volgt uit p. 2 van de bestreden beschikking. Dit wordt in cassatie niet bestreden.
2.Zaak-/rekestnr.: C/09/665620 / FA RK 24-3124.
4.De procesinleiding is op 21 augustus 2025 ingediend. De advocaat van betrokkene heeft op 22 augustus 2025 de procesinleiding opnieuw ingediend met verbetering van de naam van verweerder in cassatie.
5.Zie over de klachtenprocedure en de gang naar de rechter uitgebreid: B.J.M. Frederiks & M. de Visser,
6.HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1044, r.o. 3.2.
7.Aldus ook expliciet de wetgever in
8.In deze conclusie blijven de voorwaarden voor opname en (voortgezet) verblijf van een betrokkene die geen blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe, maar zich er ook niet tegen verzet (art. 21 Wzd Pro) en in crisissituaties (art. 29 Wzd Pro e.v.) buiten bespreking.
10.Zie hierover o.m. B.J.M. Frederiks & M. de Visser,
12.Vgl.
13.Zie in dit verband ook mijn conclusie van 19 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:775, waarin ik in vergelijkbare zin met betrekking tot het (ontbreken van het) indicatiebesluit opmerk dat een medische diagnose ook uit de medische verklaring kan blijken (zie m.n. onder 3.30). Zie ook de conclusie van A-G Lückers met betrekking tot de actualiteit van het zorgplan van 7 augustus 2020, ECLI:NL:PHR:2020:782, onder 2.4.