ECLI:NL:PHR:2026:538

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/01914
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 lid 1 SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt taakstraf ondanks overschrijding redelijke termijn bij openlijke geweldpleging

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, wegens openlijke geweldpleging in vereniging en wederspannigheid. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf vervangen door een taakstraf van 120 uren.

De verdediging stelde in hoger beroep dat de redelijke termijn van berechting was overschreden met meer dan vier jaar, zonder dat dit aan de verdachte kon worden toegerekend. Het hof heeft echter geen gemotiveerde beslissing gegeven over deze overschrijding bij de strafoplegging.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, ook in de cassatiefase, maar acht dit gelet op de opgelegde taakstraf van 60 uren niet reden voor strafvermindering of vernietiging van het arrest. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de taakstraf van 60 uren ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01914
Zitting2 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-000751-18) wegens (1) “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en (2) “wederspannigheid”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest is opgenomen. Voorts heeft het hof beslist op een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en in plaats van die straf een taakstraf voor de duur van 120 uren (30 dagen vervangende hechtenis) bevolen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01913 en 24/01915. Dit betreft zaken tegen de verdachte die in hoger beroep gelijktijdig, maar niet gevoegd met de onderhavige zaak zijn behandeld. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging met betrekking tot de strafoplegging, meer in het bijzonder dat en waarom de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die hiertoe hebben geleid.
2.2
Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 17 april 2024 volgt dat de raadsvrouw het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, waarvan de inhoud als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. De pleitnota, die ziet op de drie zaken die gelijktijdig werden behandeld, houdt voor zover relevant voor de bespreking van het middel het volgende in:
“Straf
Verzoek tot oplegging van een straf die qua onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis (5 maanden) niet te boven gaat, aangevuld met een voorwaardelijk deel en eventueel aangevuld met een taakstraf gelet op:
- (…)
- De zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM Pro
- (…)
- 21/000751-18
- Rechtsmiddel aangewend op 5 februari 2018.
Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaren.
- De overschrijding kan niet toegeschreven worden aan enig handelen van cliënt of de complexiteit van de zaak.”
2.3
In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht:
“Ik wil uw hof verzoeken de zaken te voegen, zodat aan verdachte één straf wordt opgelegd.”
2.4
Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich op 1 oktober 2017 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen. Verdachte en zijn mededader hebben door hun gewelddadige optreden inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Voorts hebben zij gevoelens van onveiligheid opgewekt bij dat deel van het publiek dat hier – op straat bij een café, tijdens een stapavond in het weekend – ongewild getuige van is geweest. Daarnaast is dergelijk openlijk gewelddadig optreden in het algemeen – en in vereniging in het bijzonder – zeer bedreigend en versterkt het de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verzet tegen zijn aanhouding naar aanleiding van het hiervoor genoemde geweld. Met dit handelen heeft hij een inbreuk gemaakt op het ambtelijk gezag. Dit alles rekent het hof de verdachte aan.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte – blijkens een zijn betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 maart 2024 – eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Bovendien is het onderhavige feit gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling.
Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte zich tijdens de terechtzitting bij het hof gemotiveerd heeft getoond voor gedragsverandering en heeft aangegeven dat hij schoon schip wil maken. Tevens heeft het hof geconstateerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.”
2.5
Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. [1] Nu zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6 EVRM Pro bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf (een taakstraf van zestig uren) kan worden volstaan met die constatering en is er geen aanleiding daaraan een ander rechtsgevolg te verbinden. [2]

3.Slotsom

3.1
Het middel is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de in art. 6 EVRM Pro bedoelde redelijke termijn voor de behandeling van de zaak ook in de cassatiefase is overschreden, namelijk op 14 mei 2026. Gelet op de mate van overschrijding en de hoogte van de opgelegde taakstraf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. bijv. HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:413.
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2 onder C en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.