ECLI:NL:PHR:2026:52
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatie tegen rechtmatige inbeslagneming 3-CMC na opname in Opiumwet
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin het klaagschrift van de klager tegen de inbeslagneming van 331 kg 3-CMC ongegrond werd verklaard. De inbeslagneming vond plaats op 10 juli 2023, terwijl 3-CMC pas op 12 september 2023 op lijst I van de Opiumwet werd geplaatst, waardoor het bezit en de handel strafbaar werden.
De klager voerde aan dat hij de stof legaal had geïmporteerd en verkocht, mede omdat hij vooraf bij overheidsinstanties had geïnformeerd en geen aanwijzingen had gekregen dat het product strafbaar was. De rechtbank oordeelde echter dat er op het moment van inbeslagneming al een verdenking bestond op grond van artikel 174 of Pro 175 Sr, omdat de stof schadelijk is en het verboden is dergelijke stoffen op de markt te brengen zonder dit schadelijke karakter te melden.
De Hoge Raad bevestigt dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft en dat de rechtbank niet hoeft voor te sorteren op het oordeel in de hoofdzaak. Het cassatiemiddel dat de rechtbank nadere vaststellingen had moeten doen over het redelijk vermoeden van schuld faalt. Ook de klacht dat de rechtbank niet had moeten motiveren waarom het beslag niet disproportioneel is, wordt verworpen omdat de klager onvoldoende concreet heeft gesteld waarom zijn belangen zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep faalt en verklaart het beroep ongegrond. De vernietiging van de stof en het feit dat de klager de stof niet terug wil omdat dit strafbaar zou zijn, maken het cassatieberoep ontvankelijk maar niet gegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de inbeslagneming van 3-CMC wordt als rechtmatig bevestigd.