Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:461

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/02319
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 RvArt. 284 RvArt. 6:1 WvggzArt. 19 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsrecht en motivering bij verlenging zorgmachtiging Wvggz

In deze zaak gaat het om de verlenging van een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene betwistte gemotiveerd de feiten waarop de zorgmachtiging is gebaseerd en voerde aan dat de rechtbank onjuist en onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel.

De rechtbank had een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van een jaar. Tijdens de mondelinge behandeling werden betrokkene, zijn advocaat, een arts en een casemanager gehoord. De advocaat voerde aan dat de feiten onvoldoende waren onderbouwd en dat oudere incidenten onterecht werden meegenomen. De arts benadrukte dat het oordeel over ernstig nadeel niet gebaseerd is op afzonderlijke incidenten, maar op de actuele staat van betrokkene en het risico op dreigend ernstig nadeel.

De Hoge Raad overwoog dat het bewijsrecht van artikel 149 Rv Pro e.v. niet onverkort van toepassing is in Wvggz-procedures en dat de rechter vrij is in de waardering van de verkregen informatie, ook als betwiste feiten niet nader worden bewezen. De rechtbank had voldoende gemotiveerd dat de stoornis van betrokkene leidt tot ernstig nadeel en dat de toelichting van de arts ter zitting volstaat. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verlenging van de zorgmachtiging blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02319
Zitting8 mei 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. D. Rijpma,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak is een aansluitende zorgmachtiging verleend voor betrokkene voor de duur van een jaar. In cassatie klaagt betrokkene dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ernstig nadeel, gelet op de gemotiveerde betwisting van bepaalde feiten door betrokkene, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Betrokkene voert in dit verband aan dat de betreffende feiten door de gemotiveerde betwisting niet zijn komen vast te staan (art. 149 Rv Pro in samenhang met art. 284 Rv Pro).
1.2
Ik meen dat het cassatieberoep niet slaagt. Het middel gaat ten onrechte uit van een onverkorte toepasselijkheid van het bewijsrecht van artikel 149 Rv Pro e.v. in Wvggz-procedures. Dat deze bepalingen niet onverkort van overeenkomstige toepassing zijn, volgt uit de beschikking van de Hoge Raad naar aanleiding van een eerder cassatieberoep van betrokkene. [1] In dat cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank waarbij de vorige zorgmachtiging is verleend, zijn klachten van gelijke strekking als in deze procedure voorgesteld. De Hoge Raad heeft dat cassatieberoep verworpen.
1.3
De bestreden beschikking voldoet verder aan de door de Hoge Raad in de hiervoor genoemde beschikking gestelde motiveringseis en het oordeel van de rechtbank is ook overigens niet onvoldoende gemotiveerd.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Ten aanzien van betrokkene zijn meerdere (voortgezette) crisismaatregelen en (aansluitende) zorgmachtigingen verleend. [2]
2.2
Bij beschikking van 1 november 2024 heeft de rechtbank Amsterdam voor de duur van zes maanden een zorgmachtiging verleend tot en met 1 mei 2025. [3] Tegen deze beschikking is destijds door betrokkene cassatieberoep ingesteld. In die cassatieprocedure zijn klachten van gelijke strekking als in de onderhavige procedure voorgesteld. De Hoge Raad heeft dat eerdere cassatieberoep verworpen. [4]
2.3
De officier van justitie heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) bij verzoekschrift van 14 maart 2025 verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor betrokkene.
2.4
De advocaat van betrokkene heeft op 24 maart 2025, de dag voor de mondelinge behandeling, een brief, inhoudende verweer, ingediend. [5] Deze brief vermeldt, voor zover in cassatie van belang, het volgende:
“Mij is gebleken dat zowel in het zorgplan als in de medische verklaring de feiten wederom niet onderbouwd worden en bovendien ook weer zaken worden aangevoerd die al meermalen door cliënt zijn weersproken c.q. gaat het om oude feiten, zonder dat dat erbij vermeld wordt. Het gaat om de volgende feiten/waarnemingen:
Medische verklaring
1. Er wordt gesteld dat katatonie eerder bij cliënt is voorgekomen. Het is relevant om te melden dat de laatste opname met katatonie dateert van mei 2022. Bij de laatste opname is katatonie niet vastgesteld en ook niet door de rechtbank overgenomen (zie beschikking).
2. Er wordt gesteld dat de algemene veiligheid van goederen en personen in gevaar is bij een psychotische ontregeling. Er wordt niet verder benoemd wanneer er voor het laatst een psychotische ontregeling heeft plaatsgevonden en op welke wijze toen de algemene veiligheid van goederen en personen in gevaar was. Wat is er toen gebeurd?
3. Er wordt gesteld dat er een risico op brandgevaar is. Cliënt zou een keer een kookplaat hebben aan laten staan. Wanneer dat zou hebben plaatsgevonden, wat er precies aan de hand was wordt niet duidelijk gemaakt. Dit is (voor zover ik het correct heb) eerder aan de orde geweest en toen door cliënt weersproken.
Zorgplan
4. In het zorgplan wordt gesproken over seksueel grensoverschrijdend gedrag en gedesorganiseerd gedrag. Niet toegelicht wordt wat op welk moment heeft plaatsgevonden.
5. In het zorgplan wordt gesteld dat cliënt in het verleden een ravage heeft aangericht op zijn woonplek. De ravage die cliënt zou hebben aangericht dateert van november 2021. Deze informatie is te oud om ten grondslag gelegd te worden aan een zorgmachtiging (zie ook beschikking februari 2024).
6. In het zorgplan wordt ook gesproken over de kookplaat. Ook in het zorgplan is voor dit incident geen onderbouwing te vinden.
7. In het zorgplan wordt gesproken over het opsluiten van zijn vriendin, het roepen vanaf een balkon, geluidsoverlast veroorzaken in de woning. Deze informatie komt uit de medische verklaring van 14 maart 2023 en werd toen ook niet nader onderbouwden voor zover ik het correct heb is hier al meermalen op gereageerd door cliënt. Cliënts reactie wordt niet verwerkt, of weersproken door onderzochte feiten.”
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 maart 2025. Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord: betrokkene, de advocaat van betrokkene, een arts en de casemanager. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is vermeld dat de advocaat van betrokkene een pleitnota heeft overgelegd en dat deze aan het proces-verbaal gehecht zal worden. [6]
2.6
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt met betrekking tot de aanwezigheid van ernstig nadeel en de daaraan ten grondslag liggende feiten het volgende: [7]

Arts:Een jaar geleden is de zorgmachtiging afgewezen, waarna wij hebben geobserveerd hoe het de daaropvolgende maanden zonder zorgmachtiging verliep. Wij zagen dat bij betrokkene wederom psychotische symptomen ontstonden, zoals achterdocht en desorganisatie. In augustus 2024 is betrokkene twee keer opgenomen, maar hij verblijft nu al enige tijd op zijn woonlocatie. Opnames zijn bij betrokkene vaak van korte duur, omdat hij dan geen cannabis kan gebruiken en dan stabiliseert hij snel. Betrokkene krijgt iedere drie maanden depotmedicatie en is momenteel redelijk stabiel. De zorg die wij bieden kan niet op vrijwillige basis plaatsvinden, aangezien betrokkene van mening is dat hij niet ziek is. Hij vindt dan ook niet dat hij medicijnen nodig heeft of hoeft te gebruiken. Wat betreft de bijwerkingen die betrokkene ervaart, kunnen wij in gesprek gaan, maar hij weigert dit omdat hij geen andere medicatie wil innemen. Gedurende de afgelopen maanden is er geen overleg geweest over de bijwerkingen, maar aan het einde van zijn vorige depot heb ik extra medicatie voorgeschreven om de bijwerkingen te verlichten. Betrokkene heeft deze medicatie echter niet ingenomen, omdat hij geen extra medicijnen wil gebruiken. Zonder zorgmachtiging kan ik niets ondernemen. Dan zou ik betrokkene weer vier maanden kunnen monitoren en zijn achteruitgang kunnen constateren, maar dat brengt ons niet verder.
(…)
Advocaat:Ter inleiding van mijn standpunt wil ik het volgende naar voren brengen. De Wvggz-rechtspraktijk heeft een problematische verhouding met het vaststellen van de feiten. De onderbouwing voor feiten is doorgaans flinterdun. Vaak wordt niet vermeld wie getuige is geweest van een bepaald feit, wanneer het feit zou hebben plaatsgevonden en onder welke omstandigheden het feit zou hebben plaatsgevonden. Onderzoek naar de juistheid van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten wordt niet verricht. Betwiste feiten worden evenmin nader onderzocht; ook niet met het oog op een nieuwe zitting. Integendeel, ondanks de betwisting worden de weersproken feiten steeds maar weer opnieuw aangevoerd, zonder te vermelden dat de feiten betwist worden. Ook worden feiten aangevoerd die al heel oud zijn, zonder te vermelden dat het om heel oude feiten gaat. In het geval een vordering wordt ingediend voor een zorgmachtiging aansluitend op de eerdere zorgmachtiging wordt niet ingebracht wat er besproken is bij de bij behandeling van de crisismaatregel, de behandeling van de voortzetting van de crisismaatregel en de zorgmachtiging aansluitend op de voortzetting crisismaatregel; alsof de vordering voor de zorgmachtiging uit de lucht komt vallen. Het is goed te begrijpen dat deze problematische omgang met de feiten voor cliënt bijzonder frustrerend is en dat deze procedure voor cliënt Kafkaësk aan doet. Het vaststellen van feiten is de kern van het werk van een rechter en ik verzoek u dan ook bij de beoordeling van de huidige vordering nauwkeurig na te gaan wat vastgesteld kan worden en op basis van welke onderdelen van het dossier dat vastgesteld kan worden. Dit is niet alleen de kern van het werk van de strafrechter, maar van elke rechter, wat voor rechtsgebied dan ook aan de orde is. Ik verwijs u naar mijn brief die ik u gisteren gestuurd heb. In deze brief ben ik ingegaan op de bewijseisen van de Wvggz. Kort en goed gelden dezelfde eisen als in elke andere verzoekschriftprocedure. Art. 150 Rv Pro is van toepassing. Dat betekent dat het aan de verzoekende partij is om de feiten te stellen die tot het gewenste rechtsgevolg kunnen leiden en bij betwisting die feiten te onderbouwen. Dit is ook al aan de orde geweest op de vorige zitting. De rechtbank heeft toen de psychiater reeds laten weten dat incidenten die opgevoerd worden ter onderbouwing van het verzoek om een zorgmachtiging op papier gezet moeten worden met vermelding van datum en tijdstip en wat er precies gezegd is of gebeurd is. De rechtbank oordeelde dat zij “op dit moment” geen reden had om te twijfelen. Daar gelaten dat je kan discussiëren of in een zaak als deze conclusies getrokken kunnen worden behoudens tegenbewijs, geldt mijns inziens dat het OM en/of de psychiater gewaarschuwd was en dat hen bekend zou moeten zijn dat van hen gevergd zou worden om de feiten te onderbouwen die worden aangevoerd. Voor zover zij dat nog niet wist, zou mijn brief daarover van gisteren duidelijkheid hebben moeten verschaffen. Vastgesteld moet worden dat noch de beschikking van 1 november 2024, noch wat op de vorige zitting besproken is noch mijn brief van 24 maart 2025 ertoe heeft geleid dat OM of psychiater komt met een onderbouwing van de door hen gestelde feiten die allereerst heel oud zijn en verder ook al heel vaak door cliënt betwist zijn. Alvorens u tot een beoordeling toekomt van de vraag of aan de wettelijke eisen is voldaan voor een zorgmachtiging zult u moeten vaststellen welke feiten vastgesteld kunnen worden en op grond waarvan. Er kan immers geen zorgmachtiging toegewezen worden als de psychische stoornis niet tot ernstig nadeel leidt.
(…)
Arts: Wij hebben de brief waar de raadsman naar verwijst niet ontvangen. Ik wil graag reageren op het standpunt dat er oudere incidenten in het zorgplan zijn opgenomen en dat de nieuwe incidenten onvoldoende onderbouwd zijn. Mijn beoordeling richt zich niet op individuele incidenten maar op de vraag of er sprake is van dreigend ernstig nadeel. De informatie over betrokkene die psychotisch ontregelt en daarbij vijandig is en seksueel grensoverschrijdende opmerkingen maakt, komt van zijn woonplek. Wanneer betrokkene psychotisch ontregelt, vertoont hij gedrag dat niet overeenkomt met zijn functioneren wanneer hij stabiel is. Het dreigende ernstige nadeel kan ik verder onderbouwen. Het risico op ernstig lichamelijk letsel is gerelateerd aan een katatoon beeld, wat voor het laatst in 2022 is waargenomen, maar dit blijft een risico. Het risico op maatschappelijke teloorgang is reëel, aangezien betrokkene begeleid woont. Als hij zich seksueel overschrijdend of intimiderend gedraagt, kan hij uit de woongroep worden gezet. We ontvangen waarschuwingen van de woongroep over zijn gedrag. Zo heeft betrokkene bijvoorbeeld de neiging om naast andere bewoners te gaan zitten en hen ongevraagd kusjes te geven of te proberen hen te knuffelen, wat als seksueel grensoverschrijdend wordt ervaren. De situatie waarbij de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt, wordt aan ons verteld door [A], de woongroep van betrokkene. Er wonen meer kwetsbare mensen in zijn woonomgeving en hij wordt door andere vaak niet goed begrepen. Betrokkene is in het verleden ook al opstandig geweest tegenover andere bewoners. De bedreigingen van de woonbegeleiding die ten grondslag ligt aan de vorige zorgmachtiging liggen nu ook ten grondslag. (…)
Advocaat:Feiten moeten onderbouwd worden en het is mijn werk dat te waarborgen. Ik vertrouw erop dat de arts de belangen van betrokkene voorop stelt. Daarnaast heeft de rechtbank ook aangegeven dat er tijd en energie moet worden geïnvesteerd in het onderbouwen van de feiten.
Arts:Het lijkt alsof ik neergezet word als iemand die niet serieus is en zijn werk niet goed uitvoert. Dat vind ik vervelend en onterecht. Dit gaat om een jonge man die psychoses heeft meegemaakt. Er hebben zich situaties voorgedaan bij [A] waarvan ik geen specifieke namen of details heb. Laat me vooropstellen dat ik betrokkene niet wil veroordelen tot een zorgmachtiging. Betrokkene heeft zorg nodig om te voorkomen dat hij zijn hele leven lang psychoses ervaart. Ik kan geen vrijwillige zorg verlenen.
De rechtbank:Het verzoek wordt toegewezen zoals verzocht. Van belang zijn de psychische stoornis en het ernstig nadeel en beide aspecten zijn aanwezig bij het inzien van het dossier. Er is voldoende naar voren gebracht om aan te nemen dat er sprake is van ernstig nadeel. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat een toelichting op de feiten met betrekking tot het ernstig nadeel volstaat. Uit de stukken blijkt voldoende dat betrokkene gedrag kan vertonen dat (psychische) schade kan veroorzaken, niet alleen bij hemzelf maar ook bij anderen, en er is (nog steeds) een risico op katatonie bij betrokkene, hetgeen weer een risico op lichamelijk letsel met zich meebrengt. Dat de laatste Katatone episode in 2022 heeft plaatsgevonden, maakt niet dat dit risico niet meer bestaat, zo begrijpt de rechtbank de arts. De feiten ter onderbouwing van het ernstig nadeel van de algemene veiligheid van personen en goederen en de maatschappelijke teloorgang zijn ook voldoende naar voren gebracht.”
2.7
Bij beschikking van 25 maart 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van een jaar, tot en met uiterlijk 25 maart 2026. [8] Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
“2.2. De rechtbank oordeelt, anders dan de advocaat heeft bepleit, dat de stoornis van betrokkene ook in de actual state of mind leidt tot ernstig nadeel en acht dit voldoende toegelicht. De arts heeft ter zitting verklaard dat niet wordt gekeken naar afzonderlijke incidenten, maar naar de aanwezigheid van ernstig dreigend nadeel. Uit meldingen van [A] blijkt dat betrokkene regelmatig vijandig gedrag vertoont. Betrokkene ontkent psychotische klachten, waardoor bij het stoppen van de zorgmachtiging de kans groot is dat hij zijn medicatie inname staakt. Dit vergroot het risico op ontregeling en katatonie. De arts benadrukt dat de zorg noodzakelijk is om te voorkomen dat de nog jonge betrokkene blijvend psychotische episodes doormaakt. (…)”
2.8
Betrokkene heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van de rechtbank (hierna: de bestreden beschikking). [9] De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 2.2 van de bestreden beschikking.
3.2
Betrokkene klaagt dat de rechtbank niet, niet kenbaar althans onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de betwisting door betrokkene van de feitelijke stellingen die de officier van justitie aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. Betrokkene heeft deze feiten voldoende gemotiveerd betwist, aldus betrokkene. Voor zover de rechtbank haar oordeel dat sprake is van ernstig nadeel (mede) grondt op die betwiste feiten, is haar oordeel onjuist omdat die feiten vanwege de betwisting niet vaststonden (art. 149 Rv Pro in samenhang met art. 284 Rv Pro). Althans is het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ernstig nadeel, niet (voldoende) begrijpelijk, aldus betrokkene.
3.3
De overweging van de rechtbank in r.o. 2.2 dat de arts ter zitting heeft verklaard dat niet wordt gekeken naar afzonderlijke incidenten maar naar de aanwezigheid van ernstig dreigend nadeel, maakt dat niet anders, nu die ‘afzonderlijke incidenten’ (telkens opnieuw) worden opgevoerd als bewijs van het beweerdelijk ernstig nadeel, en dus als feitelijke gronden voor het verzoek van de officier van justitie. Het ernstig nadeel is de conclusie die wordt getrokken uit die feitelijke gronden (de afzonderlijke incidenten). Deze overweging van de rechtbank komt dus neer op een cirkelredenering, en een cirkelredenering kan niet als (behoorlijke) motivering worden aanvaard, aldus betrokkene.
3.4
Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
3.5
De Hoge Raad heeft zich in zijn hiervoor onder 2.2. genoemde beschikking met betrekking tot de vorige ten aanzien van betrokkene verleende zorgmachtiging uitgelaten over de toepasselijkheid van het bewijsrecht in Wvggz-procedures. [10]
3.6
De Hoge Raad overwoog in zijn beschikking in de vorige procedure als volgt:
“3.3 De rechter heeft, naast de informatie uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, de mogelijkheid om zich ter zitting te laten voorlichten. [11] Bij de behandeling ter zitting moet de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene worden getoetst. [12] Op grond van onder meer art. 6:1 leden Pro 5-8 Wvggz kan de rechter onderzoek door deskundigen bevelen, deskundigen en getuigen oproepen, bepaalde personen – zoals de geneesheer-directeur, de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld of de zorgverantwoordelijke – verplichten te verschijnen, en ook andere personen verzoeken om informatie te verschaffen. Hieruit volgt dat de informatie waarop de rechter zijn beslissing om een machtiging te verlenen kan baseren, niet is beperkt tot het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, en dat daartoe ook andere informatie kan behoren, waaronder de informatie die de rechter ter zitting heeft verkregen. De rechter mag zijn beslissing alleen op die informatie baseren als de betrokkene zich daarover voldoende heeft kunnen uitlaten (art. 19 Rv Pro).
3.4
De rechter is vrij in de waardering van de verkregen informatie, ook als de betrokkene die informatie gemotiveerd heeft betwist. De aard van de Wvggz-procedure brengt mee dat de rechter in dat geval niet tot nadere bewijslevering behoeft over te gaan. De negende afdeling (‘Bewijs’) van de tweede titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in zoverre niet van overeenkomstige toepassing (art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met art. 284 lid 1 Rv Pro). Als de rechter aan zijn beslissing tot verlening van een machtiging informatie ten grondslag legt die de betrokkene voldoende gemotiveerd heeft betwist, moet hij zijn beslissing op dat punt motiveren. [13]
3.7
Gelet op deze rechtspraak gaat het middel ten onrechte uit van een onverkorte toepasselijkheid van het bewijsrecht van artikel 149 Rv Pro e.v. in Wvggz-procedures. Voor zover aan de klachten die onjuiste opvatting ten grondslag ligt, stuiten de klachten daarop dus af.
3.8
De bestreden beschikking voldoet verder aan de door de Hoge Raad gestelde motiveringseis (zie hiervoor onder 3.6, r.o. 3.4) en het oordeel van de rechtbank is ook overigens niet onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank diende te beoordelen of op het moment van haar beschikking sprake was van ernstig nadeel. In r.o. 2.2 oordeelt de rechtbank “dat de stoornis van betrokkene ook in de
actual state of mindleidt tot ernstig nadeel”, waarbij zij expliciet overweegt dat zij dit voldoende toegelicht acht. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen de arts ter zitting heeft verklaard. De rechtbank was vrij in de waardering van de verklaring van de arts en mocht deze aan haar beslissing ten grondslag leggen (zie immers r.o. 3.3 en r.o. 3.4 van de beschikking van de Hoge Raad van 12 december 2025, geciteerd onder 3.6). In r.o. 2.2 van de bestreden beschikking ligt besloten dat de rechtbank de toelichting van de arts ter zitting met betrekking tot de aanwezigheid van ernstig nadeel – in aanvulling op het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken – voldoende acht voor het vaststellen van ernstig nadeel en dat de rechtbank de bezwaren van de advocaat met betrekking tot het ernstig nadeel van de hand wijst. Dat blijkt overigens ook uit de weergave van de mondelinge uitspraak van de rechter in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (zie onder 2.6, laatste alinea van citaat). Het oordeel van de rechtbank is daarmee niet onvoldoende begrijpelijk.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883,
2.Zie het historisch overzicht, overgelegd in cassatie als onderdeel van het verzoekschrift van de officier van justitie.
4.HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883,
5.Aldus blijkt uit de verklaring van de advocaat ter zitting (proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2025, p. 2). Zie ook de procesinleiding, p. 2. In de bestreden beschikking wordt geen melding gemaakt van deze brief. Zie over deze brief ook hierna onder 2.5 en voetnoot 6, waar zal blijken dat de brief (ook) ter zitting als pleitnota is overgelegd.
6.Aan het proces-verbaal is de brief van de advocaat van betrokkene van 24 maart 2025 gehecht (hiervoor onder 2.4 genoemd). Ik ga er dus van uit dat de advocaat deze brief (ook) ter zitting als pleitnota heeft overgelegd.
7.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 1-3.
9.De procesinleiding is bij de griffie binnengekomen op 25 juni 2025.
10.HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883,
11.Hier verwijst de Hoge Raad naar
12.Hier verwijst de Hoge Raad naar
13.Hier verwijst de Hoge Raad naar HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, r.o. 3.2.