Conclusie
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. D. Rijpma,
hierna: de officier van justitie.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Arts:Een jaar geleden is de zorgmachtiging afgewezen, waarna wij hebben geobserveerd hoe het de daaropvolgende maanden zonder zorgmachtiging verliep. Wij zagen dat bij betrokkene wederom psychotische symptomen ontstonden, zoals achterdocht en desorganisatie. In augustus 2024 is betrokkene twee keer opgenomen, maar hij verblijft nu al enige tijd op zijn woonlocatie. Opnames zijn bij betrokkene vaak van korte duur, omdat hij dan geen cannabis kan gebruiken en dan stabiliseert hij snel. Betrokkene krijgt iedere drie maanden depotmedicatie en is momenteel redelijk stabiel. De zorg die wij bieden kan niet op vrijwillige basis plaatsvinden, aangezien betrokkene van mening is dat hij niet ziek is. Hij vindt dan ook niet dat hij medicijnen nodig heeft of hoeft te gebruiken. Wat betreft de bijwerkingen die betrokkene ervaart, kunnen wij in gesprek gaan, maar hij weigert dit omdat hij geen andere medicatie wil innemen. Gedurende de afgelopen maanden is er geen overleg geweest over de bijwerkingen, maar aan het einde van zijn vorige depot heb ik extra medicatie voorgeschreven om de bijwerkingen te verlichten. Betrokkene heeft deze medicatie echter niet ingenomen, omdat hij geen extra medicijnen wil gebruiken. Zonder zorgmachtiging kan ik niets ondernemen. Dan zou ik betrokkene weer vier maanden kunnen monitoren en zijn achteruitgang kunnen constateren, maar dat brengt ons niet verder.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
actual state of mindleidt tot ernstig nadeel”, waarbij zij expliciet overweegt dat zij dit voldoende toegelicht acht. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen de arts ter zitting heeft verklaard. De rechtbank was vrij in de waardering van de verklaring van de arts en mocht deze aan haar beslissing ten grondslag leggen (zie immers r.o. 3.3 en r.o. 3.4 van de beschikking van de Hoge Raad van 12 december 2025, geciteerd onder 3.6). In r.o. 2.2 van de bestreden beschikking ligt besloten dat de rechtbank de toelichting van de arts ter zitting met betrekking tot de aanwezigheid van ernstig nadeel – in aanvulling op het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken – voldoende acht voor het vaststellen van ernstig nadeel en dat de rechtbank de bezwaren van de advocaat met betrekking tot het ernstig nadeel van de hand wijst. Dat blijkt overigens ook uit de weergave van de mondelinge uitspraak van de rechter in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (zie onder 2.6, laatste alinea van citaat). Het oordeel van de rechtbank is daarmee niet onvoldoende begrijpelijk.