Conclusie
2.Procesverloop
Het goud
6.De beslissing
3.Bespreking van het cassatiemiddel
beschiktover het goud, althans dat hij daar ten tijde van de hofuitspraak over beschikte. De omstandigheid dat de man in februari 2022 (even) de beschikking had over het goud nadat hij het goud uit de gezamenlijke kluis had gehaald, brengt niet zonder meer een rechtsplicht (of feitelijke mogelijkheid) voor de man mee om thans (de helft van) het goud aan de vrouw af te geven.
Onderdeel 2.2klaagt dat de man voormelde stellingen van de vrouw alleen maar gemotiveerd hoefde te betwisten en dat hij dat heeft gedaan door aan te voeren dat hij het goud, nadat hij dit uit de kluis had gehaald, in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten (waar hij destijds zelf ook nog verbleef) en dat hij er niet mee is blijven rondlopen. Hierna heeft de vrouw de sloten van de woning vervangen en kon de man de woning niet meer in. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat de man niet de bewijslast draagt van de betwisting van de feitelijke grondslag van het verzoek van de vrouw. Voor zover het hof heeft gemeend dat de man de bewijslast draagt van de stelling dat hij het goud in de echtelijke woning heeft achtergelaten, omdat hij zelf
ookeen afgifteverzoek heeft gedaan, klaagt
onderdeel 2.3dat het hof heeft miskend dat de man van deze stelling alleen de bewijslast droeg voor zover deze ten grondslag lag aan zijn
eigen verzoek, maar niet voor zover het de man te doen was om afwijzing van het verzoek van de vrouw. Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat een bijzondere rechtsregel of de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast rechtvaardigt of rechtvaardigen, klaagt
onderdeel 2.4dat dit oordeel onjuist is, althans onbegrijpelijk.
had, terwijl zij volgens het middel ook moet stellen (en zo nodig bewijzen) dat de man het goud nog altijd onder zich
heeft(althans ten tijde van de bestreden beschikking in zijn bezit had).
heeft.Door de vrouw is aangevoerd – en zo staat in cassatie ook vast – dat de man het goud uit de kluis heeft gehaald. Zie het verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg, waar zij onder meer verwijst naar een screenshot van een Whatsapp-gesprek waarin te zien is dat de man een foto heeft gemaakt van een deel van het goud dat hij uit de kluis heeft gehaald [7] . Ook is ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, namens de vrouw het standpunt ingenomen dat de man beschikking over het goud
heeft(‘
Daarmee heeft de vrouw bewijs geleverd dat hij beschikt over het goud’ [8] ; ‘
Hij heeft het goud.’ [9] ,‘
Derhalve meneer heeft het goud.’ [10] ). Bedacht moet daarbij worden dat de man de kluis heeft leeggehaald op 16 februari 2022, iets langer dan een maand voordat hij het echtscheidingsverzoek indiende en de discussie over het goud is gaan spelen [11] . Het is dus niet zo dat de vrouw slechts heeft gesteld dat de man op een willekeurig moment in het verleden even de beschikking over het goud heeft gehad. Kennelijk heeft het hof de stellingen van de vrouw zo begrepen, dat zij heeft gesteld dat de man ook nu nog over het goud beschikt. Die uitleg lijkt mij goed te volgen en tegen die uitleg van de stellingen van de vrouw wordt in cassatie overigens ook niet geklaagd.
heeftover het goud. Dat blijkt uit de passage dat ‘
het hof ervan uitgaat dat de man ook nu nog beschikt over het goud.’ Ook hieruit volgt dat het hof niet heeft miskend dat voor toewijzing van het verzoek tot afgifte de vrouw moest stellen en zo nodig bewijzen dat de man het goud onder zich heeft. Onderdeel 2.1 ketst daarop af.
nee, want’(betwisting) en
‘ja, maar’(bevrijdend verweer). De redenering kan dan zijn
‘ja, ik had beschikking over het goud, maar ik heb het in de woning achtergelaten, dus ik heb er nu geen beschikking meer over.’ Dit kan je echter ook in een
‘nee, want’- formule zetten:
‘nee, ik heb geen beschikking over het goud, want ik heb het goud in de woning achtergelaten.’Dat doet geen recht aan de kern van dit onderscheid.
‘ja, maar’- en
‘nee, want’-formuleringen niet goed weergeven waar het hier in de kern om gaat. Die kern is of de gedaagde of verweerder zich op een bepaald
rechtsgevolgberoept dat
los staat van de grondslagvan de vordering of het verzoek, maar wél de toewijzing daarvan blokkeert [12] . Conform de hoofdregel van art. 150 Rv Pro draagt de partij die zich op de
rechtsgevolgenvan de door haar gestelde feiten of rechten beroept immers de bewijslast van die feiten of rechten.
nietonder zich heeft, omdat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Daarmee betwist de man de stelling van de vrouw dat hij het goud
welonder zich zou hebben. Dat vormt een
betwistingvan een stelling die de vrouw aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en die nodig is voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg en is dan ook een
grondslagverweer [13] . Hier is geen sprake van een situatie waarin de man zich op een rechtsgevolg beroept dat los staat van de grondslag van het verzoek van de vrouw. Onderdeel 2.2 treft doel.
Het goud’ in rov. 5.7-5.12 niet genoemd, het betreft louter een beoordeling van het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw en het verweer van de man daartegen; het hof expliciteert in rov. 5.11 ook dat het het subsidiaire verzoek van de vrouw zal toewijzen. Dus deze tegenwerping moet stranden. Na verwijzing zal nader moeten worden onderzocht of sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting door de man, zodat belang bestaat bij deze klacht, die als gezegd slaagt in mijn ogen.