In deze zaak gaat het om de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime tussen de man en de vrouw, waarbij Marokkaans recht van toepassing is. De rechtbank had bepaald dat de vrouw een bedrag aan de man moest betalen uit de verkoopopbrengst van een woning in Salé, Marokko, en dat partijen ieder voor de helft verantwoordelijk waren voor een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Het hof vernietigde deze beslissingen en wees de verzoeken van partijen af, waarbij het niet kon vaststellen wie eigenaar was van de woning en de draagplicht voor de SVB-schuld onduidelijk bleef.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte geen inzicht heeft gegeven in de toepassing van het Marokkaanse bewijsrecht en dat de klacht hierover niet voldoet aan de formele eisen. Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat het hof onterecht onderdelen van het dictum van de rechtbank heeft vernietigd met betrekking tot de SVB-schuld, aangezien de rechtbank terecht had geoordeeld dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. De Hoge Raad herstelt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het onderdeel toe dat de vrouw de WWB-schuld draagt, zoals in de herstelbeschikking van 4 januari 2016 is opgenomen.
De overige klachten in het cassatieberoep worden verworpen omdat deze niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het incidentele beroep van de vrouw wordt eveneens verworpen. De Hoge Raad doet zelf de zaak af door het dictum van de rechtbank te bekrachtigen en de herstelbeschikking te volgen.