Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nodig hebben voor eigen doeleinden.
Onderdeel 1.1.betoogt, zo meen ik het te kunnen begrijpen, dat het hof ambtshalve, met aanvulling van rechtsgronden, bij de uitleg en de beoordeling van de opzegging(sbepaling) had dienen te betrekken dat het Samenwerkingsverband rechtspersoonlijkheid heeft en dat uit het Samenwerkingsverband rechtens de verplichting voor de Parochie volgt deze zusters te huisvesten. Het onderdeel voert aan dat in het licht daarvan “het hof ten onrechte en onbegrijpelijk [heeft] geoordeeld en beslist dat de Parochie niet op grond van het Samenwerkingsverband verplicht is om zusters te huisvesten, en het Samenwerkingsverband ook niet betekent dat het huisvesten van zusters, die niet bij de Parochie in dienst zijn, ‘in redelijkheid als een van de eigen doeleinden van de parochie’ in de zin van art. 14b van de erfpachtakte kan worden beschouwd”.
een aantalverplichtingen impliceert (dus verplichtingen met zich kan brengen), maar dat dit niet betekent dat het huisvesten van zusters die niet bij haar in dienst zijn, in redelijkheid als een van de eigen doeleinden van de Parochie in de zin van artikel 14b van de erfpachtakte kan worden beschouwd. Het hof sluit ook niet uit dat dit anders kan zijn, namelijk
alshet Samenwerkingsverband wél een verplichting meebrengt om de zusters te huisvesten. Dat die verplichting er is, is volgens het hof echter ‘gesteld noch gebleken’ (en tegen dat oordeel wordt in cassatie niet opgekomen). Hiermee heeft het hof mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat – op basis van hetgeen is aangevoerd en gegeven de uitleg die het hof heeft gegeven aan het opzeggingsbeding – de Parochie in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat zij het erfpachtobject nodig had voor eigen doeleinden. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag. Over de uitleg van het beding merk ik nog het volgende op. Het hof heeft in r.o. 3.13, mede gelet op de voorbeelden die worden genoemd, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat onder ‘eigen doeleinden’ in de zin van art. 14b van de erfpachtakte in redelijkheid niet is te verstaan een situatie waarin de erfverpachter (de Parochie) zich andermans belang of noden aantrekt. Het moet dus echt (ook) gaan om een
eigendoeleinde van de Parochie.
kanvoortvloeien, is het niet zo dat alle verplichtingen van een Samenwerkingsverband ook daadwerkelijk verplichtingen van een deelnemende Parochie zijn. Dat de verplichting om de zusters te huisvesten er daadwerkelijk is, is volgens het hof gesteld noch gebleken.
onderdeel 1.2niet slagen, nu het onder verwijzing naar onderdeel 1.1. aanvoert dat het oordeel van het hof in r.o. 3.11, dat de huisvesting van een aantal paters in redelijkheid niet als een van de eigen doeleinden van de Parochie valt aan te merken, tevens onjuist en onbegrijpelijk is.
onderdeel 3kom ik allereerst toe aan het oordeel van het hof in r.o. 3.9 dat de door de Parochie aangevoerde financiële opzeggingsgrond niet opgaat, omdat haar behoefte aan meer inkomsten uit het perceel in redelijkheid niet kan worden aangemerkt als een nodig hebben voor eigen doeleinden in de zin van art. 14b van de erfpachtakte. In dat kader heeft het hof overwogen dat hierbij bedacht dient te worden dat deze bepaling ook gold vóór het einde van de looptijd van de canon per 1 januari 2020, en dat indien de Parochie op grond van financiële argumenten als de onderhavige de erfpacht zou kunnen opzeggen (en tijdens de looptijd van de canon zou hebben kunnen opzeggen), afbreuk zou worden gedaan aan het bepaalde in de erfpachtakte dat de canon niet kan worden geïndexeerd of herzien: de (dreiging met een) opzegging zou alsdan door de Parochie in feite kunnen worden gebruikt om (voor het einde van de looptijd ervan) een hogere canon te bedingen.
nadatde looptijd van de vaste canon was verstreken en de bepaling in de onderhandse akte dat de canon niet kon worden geïndexeerd of herzien dus niet meer van toepassing was.
ookvan toepassing was voor het bij latere akte overeengekomen einde van de looptijd van de canon. Daarmee heeft het tot uitdrukking gebracht dat de opzegbepaling dus voor én na het einde van de later overeengekomen looptijd van de canon van toepassing was. Voor de uitleg en toepassing van de opzegbepaling is dus niet relevant of een opzeggingsverklaring voor of na voormelde looptijd van de canon is gedaan. Bovendien geldt ook hier weer dat het hof als feit heeft vastgesteld dat de erfpachtakte (en de latere akten) geen mogelijkheid bevatten de canon te verhogen. Dat het hof hieruit heeft afgeleid dat partijen met ‘nodig voor eigen doeleinden’ niet bedoeld hebben dat het erfpachtrecht op grond van financiële argumenten kan worden opgezegd, is niet onbegrijpelijk. Zoals ik hiervoor in 3.4 reeds opmerkte, komt het bij de uitleg van de opzegbepaling immers aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Bij de uitleg kan worden betrokken de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende mogelijke interpretaties.
onderdeel 3.2.precies over klaagt, is mij niet duidelijk. [20] Gelet hierop kan het onderdeel niet slagen.
in het geheel niet verdraagtmet de opzegging vanwege de huisvesting van de drie zusters (of paters) tegen een bescheiden vergoeding, ben ik het overigens wel met het hof eens dat het hanteren van beide opzeggingsgronden wat tegenstrijdigs heeft. Als voorzien wordt in de huisvestingsbehoefte van de zusters, wordt nu juist niet tegemoet gekomen aan de financiële behoeften.