Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:420

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/01969
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14b erfpachtakteArt. 766 oud BWArt. 783 oud BWArt. 2:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en toepassing opzeggingsbeding erfpachtrecht bij behoefte voor eigen doeleinden

Deze zaak betreft de opzegging van een erfpachtrecht gevestigd in 1931 voor onbepaalde tijd op een woning aan een adres te een plaats. De erfverpachter, de Parochie, heeft het erfpachtrecht opgezegd op grond van artikel 14b van de erfpachtakte, stellende dat zij de woning nodig heeft voor eigen doeleinden, waaronder huisvesting van zusters en paters en financiële redenen.

De rechtbank en het hof Amsterdam oordeelden dat de Parochie niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zij de woning nodig had voor eigen doeleinden. Het hof stelde dat het oordeel van de Parochie marginaal getoetst moet worden, maar dat financiële motieven en de huisvesting van zusters en paters onvoldoende onderbouwd waren. Ook werd overwogen dat het hanteren van beide opzeggingsgronden tegenstrijdig is.

In cassatie betoogt de Parochie dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld over de uitleg van het opzeggingsbeding en de noodzaak voor eigen doeleinden, met name met betrekking tot het Samenwerkingsverband en de huisvesting. De Hoge Raad volgt de motivering van het hof en verwerpt het cassatieberoep, waarbij wordt benadrukt dat de uitleg van het beding objectief moet zijn en dat de Parochie onvoldoende feiten en onderbouwing heeft geleverd om de opzegging te rechtvaardigen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Parochie het erfpachtrecht niet rechtsgeldig heeft opgezegd wegens onvoldoende redelijke noodzaak voor eigen doeleinden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01969
Zitting17 april 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
Parochie H.H. Martelaren van Gorcum
tegen
[verweerster]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Parochie respectievelijk [verweerster] .

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak gaat over een erfpachtrecht dat voor onbepaalde tijd is gevestigd en dat sinds 1982 toekomt aan [verweerster] . De Parochie is de erfverpachter. De Parochie heeft het erfpachtrecht onder meer op grond van artikel 14b van de erfpachtakte opgezegd omdat zij de woning nodig heeft voor eigen doeleinden. In navolging van de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat de Parochie in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat zij de woning nodig heeft voor eigen doeleinden, en dat zij het erfpachtrecht dus niet heeft kunnen opzeggen. In cassatie wordt tegen dit oordeel opgekomen. Mijns inziens kunnen de klachten niet tot cassatie leiden.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) [verweerster] heeft op 1 december 1982, samen met haar in 2022 overleden echtgenoot, een recht van erfpacht verkregen, dat in 1931 voor onbepaalde tijd is gevestigd op het perceel, met de daarop gebouwde woning, aan het [a-straat 1] te [plaats 1] (hierna ook: de woning). De Parochie is de erfverpachter en [verweerster] de erfpachter.
(ii) De erfpachtakte van 1 mei 1931 (hierna: de erfpachtakte) en latere akten waarbij vrijwillig een wijziging van de canon is overeengekomen, bevatten geen mogelijkheid de canon te verhogen. Verder is in de erfpachtakte bepaald, voor zover relevant:
“(…) 14. b. De eigenares van die terreinen is voorts gerechtigd, indien zij naar haar oordeel de in erfpacht uitgegeven terreinen met de opstallen hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk voor eigen doeleinden noodig heeft, het erfpachtsrecht zonder rechterlijke tusschenkomst, hetzij geheel, hetzij voor eenig perceel afzonderlijk te doen eindigen. (…)”
(iii) [verweerster] en wijlen haar echtgenoot hebben op 12 april 1988 ingestemd met een verhoging van de canon. Deze canonverhoging is vastgelegd in een onderhandse akte tussen partijen van 23 maart 1990. In die akte is een vaste canon overeengekomen van (omgerekend) € 746,00 per jaar, die niet geïndexeerd of herzien kon worden. De looptijd van de canon is daarbij vastgesteld op het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 1 januari 2020.
(iv) Na het eindigen van voormelde looptijd van de canonafspraak heeft [verweerster] de Parochie een voorstel gedaan voor een canonverhoging naar € 2.000,00 per jaar.
(v) Op 23 juli 2021 heeft de Parochie [verweerster] een voorstel gedaan om een erfpachtcanon van € 8.000,00 per jaar overeen te komen, inclusief een jaarlijkse indexering. De Parochie heeft deze – volgens haar marktconforme – canon berekend op basis van de WOZ-waarde en de methode die de gemeente Amsterdam hanteert om een eeuwigdurende erfpachtcanon te berekenen.
(vi) [verweerster] heeft dit voorstel op 12 augustus 2021 afgewezen. Zij heeft daarbij een nieuw voorstel gedaan: ofwel een canon van € 1.375,50 per jaar, die vervolgens elk jaar geïndexeerd zou worden, ofwel, zoals eerder voorgesteld, een vaste canon van € 2.000,00 per jaar.
(vii) Op 26 augustus 2021 heeft de Parochie [verweerster] (onder meer) geschreven dat het de vraag is of zij de erfpachtrelatie nog wil voorzetten, als partijen niet tot overeenstemming komen over een redelijke vergoeding. Hierbij heeft de Parochie aangegeven anders de erfpachtrelatie te willen opzeggen. Dit was volgens haar mogelijk bij deze eeuwigdurende erfpacht na dertig jaar op grond artikel 783 jo Pro. artikel 766 oud Pro Burgerlijk Wetboek.
(viii) [verweerster] heeft de Parochie bij brief van 14 september 2021 meegedeeld dat volgens haar de Parochie niet gerechtigd is om de erfpacht op te zeggen op grond van artikel 766 (oud) BW, maar alleen op grond van artikel 14b van de erfpachtakte, als de Parochie de grond geheel of gedeeltelijk voor eigen doeleinden nodig heeft.
(ix) Bij brief van 6 oktober 2021 heeft de Parochie betoogd dat opzegging op grond van artikel 766 (oud) BW wel mogelijk is, maar dat discussie hierover niet nodig is omdat zij ook een huisvestingsprobleem heeft voor drie zusters en daarom gebruik wil gaan maken van de opzeggingsbevoegdheid op grond van artikel 14b van de erfpachtakte.
(x) De Parochie heeft bij brief van 9 november 2021 (bij exploot van 11 november 2021 aan [verweerster] betekend) het erfpachtrecht beëindigd per 1 januari 2023. Deze brief (hierna: de opzeggingsbrief) luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Het erfpachtrecht wordt beëindigd op grond van artikel 14 sub b van Pro de vestigingsakte. Cliënte heeft het perceel naar haar oordeel nodig voor eigen doeleinden. (…)
Het erfpachtrecht wordt voorts beëindigd op grond van artikel 766 jo Pro. 783 (oud) BW. Er is sinds de uitgifte van dit erfpachtrecht in 1931 een periode van meer dan dertig jaar verstreken, het erfpachtrecht is voor onbepaalde tijd gevestigd en er zijn in de (…) akte geen bedingen of bepalingen opgenomen omtrent het eindigen van de erfpacht.” [2]
(xi) [verweerster] heeft de Parochie bij brief van 19 november 2021 meegedeeld de opzegging niet te accepteren, omdat er geen geldige opzeggingsgrond is.
(xii) [verweerster] heeft ir. [onderzoeker/adviseur] op onder meer het gebied van grondwaardes en canonberekening, verzocht haar ter zake te adviseren. Op 30 augustus 2022 heeft deze [onderzoeker/adviseur] een advies voor de canonberekening gegeven.
(xiii) Hierna heeft [verweerster] de Parochie laten weten bereid te zijn het eerdere voorstel van de Parochie voor een erfpachtcanon van € 8.000,00 over te nemen, mede gelet op de verklaring van deskundige [onderzoeker/adviseur] . De Parochie is hiermee niet akkoord gegaan en heeft bij de opzegging gepersisteerd.
2.2
[verweerster] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de Parochie de erfpacht niet rechtsgeldig heeft opgezegd, dat de opzegging geen effect heeft gesorteerd en dat het erfpachtrecht van [verweerster] voor onbepaalde tijd doorloopt. Door de Parochie is verweer gevoerd.
2.3
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 18 januari 2023 de door [verweerster] gevorderde verklaring voor recht afgegeven en de Parochie in de proceskosten verwezen. De rechtbank heeft kort samengevat overwogen dat de vangnetbepaling van art. 783 jo Pro. 766 (oud) BW niet van toepassing is en de Parochie de erfpacht niet op die grond rechtsgeldig kon opzeggen (r.o. 4.2 – 4.5), en dat de Parochie de erfpacht niet op grond van artikel 14b van de erfpachtakte mocht opzeggen, nu de Parochie niet voldoende heeft aangetoond dat zij de woning nodig heeft voor haar eigen doeleinden (r.o. 4.6 – 4.13).
2.4
De Parochie heeft, onder aanvoering van vijf grieven, hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank. [verweerster] heeft verweer gevoerd.
2.5
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 februari 2025 [3] het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof het volgende overwogen:
“3.6. Met de grieven 1, 2 en 4 komt de parochie tegen deze overwegingen op, met dien verstande dat zij (terecht) geen grief richt tegen de passage in overweging 4.12 over, kort gezegd, de op haar rustende stelplicht (en bewijslast). De grieven worden tezamen behandeld.
3.7.
Voor zover de parochie stelt dat uit de woorden "naar haar oordeel” in artikel 14b van de erfpachtakte voortvloeit dat zij niet zou hoeven toe te lichten en te onderbouwen waarom zij het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden, merkt het hof op dat een dergelijke letterlijke (grammaticale) uitleg van artikel 14b van de erfpachtakte ertoe zou leiden dat de vraag of de parochie het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden aan elke toetsing, in het bijzonder de rechterlijke, zou worden onttrokken. Dit kan niet de bedoeling van partijen bij vestiging, althans van de rechtsvoorganger van [verweerster] , zijn geweest omdat de erfpachter daarmee in zoverre als het ware aan de willekeur - of liever: de genade - van de parochie zou zijn overgeleverd. Bovendien zou die uitleg ook in strijd zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Een en ander wordt niet anders doordat de parochie overeenkomstig de erfpachtakten een opzeggings- en ontruimingstermijn van (ruim) een jaar heeft aangehouden noch vanwege het feit dat artikel 15 van Pro die akte een vergoedingsregeling bevat. Een redelijke uitleg van de passage 'naar haar oordeel' houdt in de visie van het hof in dat de rechter het oordeel van de parochie dat zij het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden marginaal toetst, dat wil zeggen toetst of de parochie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zij het perceel voor eigen doeleinden nodig heeft.
3.8.
Wat er zij van het oordeel van de rechtbank op dat punt, het hof zal in het navolgende - zoals de parochie wenst - ex nunc beoordelen of de parochie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zij het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden, hetgeen, zoals de parochie op zichzelf terecht opmerkt, ruimer is dan 'eigen gebruik'.
3.9.
De parochie heeft in de toelichting op grief 2 gesteld dat zij al jarenlang een verliesgevende exploitatie heeft en een negatief resultaat. Zij stelt met zowel teruglopende inkomsten als toenemende onderhoudslasten van het kerkgebouw en personeelskosten te kampen te hebben. Ter dekking van de structurele exploitatieverliezen heeft zij inkomsten nodig. Deze kunnen worden gegenereerd door het opgezegde perceel opnieuw, tegen een marktconforme althans een in lijn met de grondwaarde bepaalde canon, uit te geven. Anders gezegd: de parochie stelt dat zij het perceel om financiële redenen nodig heeft. Daargelaten of dit feitelijk zo is, naar het oordeel van het hof kan de parochie haar behoefte aan meer inkomsten uit het perceel in redelijkheid niet aanmerken als een nodig hebben daarvan voor eigen doeleinden in de zin van artikel 14b van de erfpachtakte. Hierbij dient te worden bedacht dat deze bepaling ook gold vóór het einde van de looptijd van de canon per 1 januari 2020. Indien de parochie op grond van financiële argumenten als de onderhavige de erfpacht zou kunnen opzeggen (en tijdens de looptijd van de canon zou hebben kunnen opzeggen), zou afbreuk worden gedaan aan het bepaalde in de erfpachtakte dat de canon niet kan worden geïndexeerd of herzien: de (dreiging met een) opzegging zou alsdan door de parochie in feite kunnen worden gebruikt om (voor het einde van de looptijd ervan) een hogere canon te bedingen.
3.10.
Alvorens in te gaan op de argumenten van de parochie in verband met de huisvesting van een aantal zusters en paters overweegt het hof het volgende. Niet is gesteld of gebleken dat de parochie voor de bewoning van de woning door drie zusters (leden van de congregatie SSpS. Dienaressen van de Heilige Geest) of een aantal paters (leden van de congregatie SVD. Missionarissen van het Goddelijk Woord) een vergoeding zal ontvangen die hoger is dan de destijds tussen partijen overeengekomen canon of de canon die [verweerster] bereid is de parochie te betalen (zie onder 2(n)). Dit ligt overigens ten aanzien van de zusters ook niet voor de hand, omdat deze - zoals blijkt uit de door de parochie bij akte van 25 juni 2024 overgelegde brief van 5 juni 2025 van de vicevoorzitter van het Samenwerkingsverband Clara en Franciscus Amsterdam Oost en Watergraafsmeer (hierna: het Samenwerkingsverband) - zelf geen salaris ontvangen en hun werk niet wordt gesubsidieerd. “Alles wordt betaald vanuit de kerk”, zo staat in deze brief, waarbij met ‘kerk’ kennelijk de tot het Samenwerkingsverband behorende parochies wordt bedoeld. De onderhavige door de parochie aangevoerde reden waarom zij het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden verdraagt zich, gezien het voorgaande, in het geheel niet met het tevens door haar gestelde financiële argument dat het hof zojuist heeft behandeld. Het is van tweeën een: ofwel de parochie wil de woning tegen een marktconforme althans een in lijn met grondwaarde bepaalde canon in erfpacht uitgeven, dan wel verkopen, ofwel zij wil die gebruiken om door zusters of paters tegen - naar moet worden aangenomen - een bescheiden vergoeding te worden bewoond. Door beide argumenten tegelijk te hanteren laadt de parochie de verdenking op zich hoe dan ook van [verweerster] af te willen en het argument dat zij zusters en paters wil herbergen slechts 'pour besoin de la cause' aan te dragen. Niettemin zal het hof in het navolgende inhoudelijk op de desbetreffende argumenten van de parochie ingaan.
3.11.
Voor zover de parochie in hoger beroep nog mocht willen betogen dat zij de woning nodig heeft voor de huisvesting van een aantal paters, is dat beroep niet althans onvoldoende toegelicht. Weliswaar heeft de parochie bij akte van 25 juni 2024 een zogeheten eindafrekening over 2023 inzake de afdracht voor de Regionale Centrale Financiering overgelegd. Maar daaruit blijkt niet - noch uit enig ander stuk - dat de woning nu of binnen korte termijn voor de huisvesting van paters nodig is. Bovendien kan deze huisvesting, zoals onder 3.13 zal worden overwogen, in redelijkheid niet als een van de eigen doeleinden van de parochie worden aangemerkt.
3.12.
De parochie voert ook in hoger beroep aan de woning nodig te hebben voor de huisvesting van drie zusters die deel uitmaken van het Samenwerkingsverband (door de parochie ook personele unie genoemd). Op dit punt heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“4.10. (...) Verder heeft de Parochie op de zitting toegelicht dat de zusters inderdaad nu ergens anders wonen, maar dat [dat] slechts tijdelijk van aard is omdat deze woning niet passend is voor de drie zusters; het zou te klein zijn en de indeling zou niet geschikt zijn voor drie personen die ook ieder een eigen ruimte nodig hebben. (...) de Parochie [heeft] verder geen nadere onderbouwing gegeven anders dan wat zij mondeling ter zitting heeft toegelicht.”
In het licht van deze overweging is — in de toelichting op grief 4 — de verwijzing naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg bepaald te mager. Zo zijn er geen plattegronden en/of foto's overgelegd van de in erfpacht uitgegeven woning en van de woning in de [b-straat] , waarin thans drie zusters wonen, om te kunnen beoordelen of laatstbedoelde woning, zoals de parochie stelt, te klein is om door drie zusters te worden bewoond. Hierbij geldt dat — zoals in de onder 3.10 genoemde brief is vermeld — [zuster 1] , provinciaal van de congregatie SSpS, heeft laten weten dat de woning in de [b-straat] zeer beperkt is (onder andere) 'door het ontbreken van een kapel’, terwijl de parochie niet heeft gesteld - noch is gebleken - dat in de door haar aan [verweerster] in erfpacht uitgegeven woning een kapel zal worden aangebracht en dan (nog steeds) groot genoeg is. Ook ontbreken verklaringen van de te huisvesten zusters over hun behoefte aan huisvesting en de ongenoegzaamheid van hun huidige woning, hetgeen te meer klemt, omdat vaststaat dat een van de drie zusters ( [zuster 2] ) inmiddels naar [plaats 2] is verhuisd en slechts uit een (nota bene door [verweerster] in eerste aanleg in het geding gebrachte) foto zou kunnen worden afgeleid door wie zij is vervangen.
3.13.
Ten slotte geldt, als een geheel zelfstandig argument, het volgende. Het hof wil wel aannemen dat het bestaan van het Samenwerkingsverband voor de parochie een aantal verplichtingen ten opzichte van de andere tot het Samenwerkingsverband behorende parochies en de bij hen werkzame personen impliceert, maar dit betekent niet dat het huisvesten van zusters die - zoals tussen partijen vaststaat - niet bij haar in dienst zijn, in redelijkheid als een van de eigen doeleinden van de parochie in de zin van artikel 14b van de erfpachtakte kan worden beschouwd. Dit kan mogelijk anders zijn, indien de parochie met andere parochies zou zijn gefuseerd, hetgeen (nog) niet het geval is, of als de parochie op grond van het Samenwerkingsverband verplicht is om zusters te huisvesten, hetgeen is gesteld noch gebleken.
3.14.
De slotsom is dat de parochie niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zij het perceel voor eigen doeleinden nodig heeft wegens, kort gezegd, financiële redenen en/of de huisvesting van zusters of paters. Zij kon daarom de erfpacht niet op grond van artikel 14b van de erfpachtakte opzeggen. De onderhavige grieven slagen niet.”
2.6
De Parochie heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [4] [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. [verweerster] heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten, waarna de Parochie heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat drie middelonderdelen met diverse subonderdelen. De drie middelonderdelen komen op tegen het oordeel van het hof dat de Parochie de erfpacht niet op grond van artikel 14b van de erfpachtakte kon opzeggen, omdat zij in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat zij het perceel voor eigen doeleinden nodig heeft wegens, kort gezegd, financiële redenen en/of de huisvesting van zusters of paters. Onderdelen 1 en 2 richten klachten tegen het oordeel over de huisvesting, onderdeel 3 tegen het oordeel over de financiële redenen.
3.2
Het oordeel met betrekking tot de huisvesting van zusters en paters is gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden. Namelijk 1) dat de huisvesting van zusters en paters in redelijkheid niet als een van de eigen doeleinden van de Parochie valt aan te merken, [5] en 2) dat de Parochie onvoldoende heeft toegelicht dat zij de woning nu of binnenkort nodig heeft voor de huisvesting. [6] Onderdeel 1 richt klachten tegen de eerste zelfstandige grond, en onderdeel 2 tegen de tweede. Om op dit punt tot een vernietiging van het oordeel van het hof te kunnen komen, is het noodzakelijk dat beide gronden in cassatie met succes worden bestreden.
3.3
Voordat ik aan de inhoudelijke bespreking van de onderdelen toekom, allereerst het volgende.
3.4
De betekenis van een in de vestigingsakte opgenomen opzeggingsbevoegdheid van de erfverpachter moet worden vastgesteld door middel van objectieve uitleg van die vestigingsakte. [7] Het komt daarbij aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Bij de uitleg kan worden betrokken de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende mogelijke interpretaties. [8]
3.5
Voor onderhavige zaak betekent het voorgaande dat het hof aan de hand van deze uitlegmaatstaf diende te beoordelen wat de betekenis is van de woorden “naar haar oordeel (…) voor eigen doeleinden noodig heeft”. In het verlengde daarvan ligt de beoordeling of in concreto de opzeggingsverklaring van de Parochie tot het beoogde rechtsgevolg – het eindigen van het erfpachtrecht – heeft geleid. In het algemeen geldt dat een opzegging geen effect sorteert als geen sprake is van een (geldige) opzeggingsgrond, of wanneer een beroep op een opzeggingsgrond misbruik van bevoegdheid oplevert.
3.6
In deze cassatieprocedure is de uitlegmaatstaf als zodanig geen onderwerp van debat. Toch merk ik met het oog op de context van de procedure nog dit op. Het hof heeft geoordeeld dat een letterlijke (grammaticale) uitleg van de woorden ‘naar haar oordeel’ ertoe zou leiden dat de vraag of de Parochie het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden aan elke toetsing, in het bijzonder de rechterlijke, zou worden onttrokken. Dit kan, aldus het hof in r.o. 3.7, niet de bedoeling van partijen bij de vestiging, althans de rechtsvoorganger van [verweerster] , zijn geweest omdat de erfpachter daarmee in zoverre als het ware aan de willekeur - of liever: de genade - van de Parochie zou zijn overgeleverd. Het hof heeft aldus de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen bij de uitleg betrokken. De woorden ‘naar haar oordeel’ zijn volgens het hof echter niet betekenisloos. Een redelijke uitleg van die passage houdt in de visie van het hof in dat de rechter het oordeel van de Parochie, dat zij het perceel nodig heeft voor eigen doeleinden, marginaal toetst. [9]
3.7
In onderdeel 1 van de procesinleiding lijkt het te gaan om de betekenis van het andere aspect van de opzeggingsbevoegdheid: het
nodig hebben voor eigen doeleinden.
Onderdeel 1.1.betoogt, zo meen ik het te kunnen begrijpen, dat het hof ambtshalve, met aanvulling van rechtsgronden, bij de uitleg en de beoordeling van de opzegging(sbepaling) had dienen te betrekken dat het Samenwerkingsverband rechtspersoonlijkheid heeft en dat uit het Samenwerkingsverband rechtens de verplichting voor de Parochie volgt deze zusters te huisvesten. Het onderdeel voert aan dat in het licht daarvan “het hof ten onrechte en onbegrijpelijk [heeft] geoordeeld en beslist dat de Parochie niet op grond van het Samenwerkingsverband verplicht is om zusters te huisvesten, en het Samenwerkingsverband ook niet betekent dat het huisvesten van zusters, die niet bij de Parochie in dienst zijn, ‘in redelijkheid als een van de eigen doeleinden van de parochie’ in de zin van art. 14b van de erfpachtakte kan worden beschouwd”.
3.8
Ik heb de hier bestreden beslissing niet in het arrest van het hof kunnen vinden. Het hof overweegt in r.o. 3.13 juist dat het wél wil aannemen dat het bestaan van het Samenwerkingsverband
een aantalverplichtingen impliceert (dus verplichtingen met zich kan brengen), maar dat dit niet betekent dat het huisvesten van zusters die niet bij haar in dienst zijn, in redelijkheid als een van de eigen doeleinden van de Parochie in de zin van artikel 14b van de erfpachtakte kan worden beschouwd. Het hof sluit ook niet uit dat dit anders kan zijn, namelijk
alshet Samenwerkingsverband wél een verplichting meebrengt om de zusters te huisvesten. Dat die verplichting er is, is volgens het hof echter ‘gesteld noch gebleken’ (en tegen dat oordeel wordt in cassatie niet opgekomen). Hiermee heeft het hof mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat – op basis van hetgeen is aangevoerd en gegeven de uitleg die het hof heeft gegeven aan het opzeggingsbeding – de Parochie in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat zij het erfpachtobject nodig had voor eigen doeleinden. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag. Over de uitleg van het beding merk ik nog het volgende op. Het hof heeft in r.o. 3.13, mede gelet op de voorbeelden die worden genoemd, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat onder ‘eigen doeleinden’ in de zin van art. 14b van de erfpachtakte in redelijkheid niet is te verstaan een situatie waarin de erfverpachter (de Parochie) zich andermans belang of noden aantrekt. Het moet dus echt (ook) gaan om een
eigendoeleinde van de Parochie.
3.9
Ik zie niet in waarom de omstandigheid dat het Samenwerkingsverband, waarin vijf parochies zijn verenigd, als ‘lichaam’ als bedoeld in art. 2:2 BW Pro rechtspersoonlijkheid bezit, [10] automatisch een verplichting voor de Parochie met zich zou brengen om de zusters te huisvesten. Hoewel het goed is voor te stellen dat die verplichting uit het Samenwerkingsverband (en overigens ook de organisatiestructuur en interne organisatie van de rooms-katholieke kerk)
kanvoortvloeien, is het niet zo dat alle verplichtingen van een Samenwerkingsverband ook daadwerkelijk verplichtingen van een deelnemende Parochie zijn. Dat de verplichting om de zusters te huisvesten er daadwerkelijk is, is volgens het hof gesteld noch gebleken.
3.1
In de repliek gooit de Parochie het ten aanzien van de onderdelen deels over een andere boeg, doordat de pijlen worden gericht op de niet-toepassing van de marginale toetsing die het hof in r.o. 3.7 heeft genoemd. Ik lees de procesinleiding niet zo dat daarover wordt geklaagd. Hierop kan dus geen acht worden geslagen. [11]
3.11
Gelet op het voorgaande kan ook
onderdeel 1.2niet slagen, nu het onder verwijzing naar onderdeel 1.1. aanvoert dat het oordeel van het hof in r.o. 3.11, dat de huisvesting van een aantal paters in redelijkheid niet als een van de eigen doeleinden van de Parochie valt aan te merken, tevens onjuist en onbegrijpelijk is.
3.12
Onderdeel 2bestrijdt de oordelen van het hof in r.o. 3.11 dat, voor zover de Parochie in hoger beroep nog mocht willen betogen dat zij de woning nodig heeft voor de huisvesting van een aantal paters, onvoldoende heeft toegelicht dat zij de woning nu of binnenkort nodig heeft voor hun huisvesting, en in r.o. 3.12 dat de Parochie – kort gezegd – onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de woning nu of binnen korte termijn nodig heeft voor de huisvesting van drie zusters van het Samenwerkingsverband.
3.13
Ik meen dat de klachten van dit onderdeel niet kunnen slagen wegens gebrek aan belang. Zoals ik hiervoor in 3.2 voorop heb gesteld, is het oordeel van het hof dat de Parochie in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat zij het perceel voor eigen doeleinden nodig heeft wegens de huisvesting van zusters of paters gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden. Nu de uitkomst van onderdeel 1 meebrengt dat de klachten tegen een van deze zelfstandige gronden niet slaagt, draagt in ieder geval één zelfstandige grond het oordeel van het hof. Ook indien de klachten van onderdeel 2 gegrond zijn, kan dit dus niet tot cassatie leiden. In zoverre behoeft onderdeel 2 geen bespreking meer. Niettemin zal ik de klachten hieronder kort bespreken.
3.14
Het oordeel van het hof in r.o. 3.11 en 3.12 komt er in de kern op neer dat de Parochie niet voldoende duidelijk heeft gemaakt dat er een (in mijn woorden) ‘huisvestingsbehoefte’ was voor de paters en de zusters én dat het erfpachtobject ook nodig was om daaraan tegemoet te komen. Het hof heeft hier dus niet als ‘los’ element beoordeeld of er een huisvestingsbehoefte is. Het heeft tot uitdrukking gebracht dat – in samenhang met de gestelde behoefte – niet voldoende is toegelicht dat de in erfpacht uitgegeven woning geschikt en nodig is om daaraan tegemoet te komen. Die twee elementen gaan hand in hand.
3.15
Onderdeel 2.1.betoogt, althans zo begrijp ik het, [12] dat de bestreden oordelen onbegrijpelijk zijn, gelet op de volgende in feitelijke instantie ingenomen essentiële stellingen: [13]
1. De woning is nodig voor de herhuisvesting van zusters na verkoop van het parochiehuis van ABG Parochie.
2. De woning is nodig voor de herhuisvesting van vier paters wiens woning in Duivendrecht werd gesaneerd.
3. De herhuisvesting van de paters en zusters is nodig vanwege de ‘krimp van de kerk’, waardoor vanuit het Bisdom erop is aangedrongen de panden binnen de organisatie te verkopen.
4. Behoud van hun dienstverlening was en is noodzakelijk voor de organisatie binnen (het Samenwerkingsverband van) de parochie(s). [14]
5. Uit de als productie 9 overgelegde brief van 12 juni 2024 van [zuster 1] (provinciaal leidster van de congregatie), blijkt de noodzaak van hun vervangende huisvesting.
3.16
Van een deel van de stellingen kan weliswaar gezegd worden dat die op beide elementen zien, maar een onderbouwing van de huisvestingsbehoefte en vooral waarom het erfpachtobject daadwerkelijk nodig en geschikt is om aan de gestelde huisvestingsbehoefte tegemoet te komen wordt niet gegeven. In het geval van de zusters volgt hieruit ook niet onderbouwd waarom de huidige woning aan de [b-straat] , waarin de zusters na verkoop van het parochiehuis van ABG Parochie verblijven, niet voldoet. Dit terwijl de rechtbank ook al aan de hand van die stellingen had overwogen dat de Parochie een en ander niet voldoende heeft onderbouwd. [15] Niet onbegrijpelijk is dan ook dat het hof, mede in het licht van die stellingen, tot het oordeel komt dat de Parochie onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de woning nu of binnen korte termijn nodig heeft voor de huisvesting van de paters of de zusters. Van essentiële stellingen is dan ook geen sprake, en het onderdeel kan niet slagen.
3.17
Aan het slot van onderdeel 2.1. wordt nog aangevoerd dat voor zover het hof de stellingen wel in zijn beoordeling heeft betrokken, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom het hof van oordeel was dat de huisvesting van de paters en zusters ‘in redelijkheid niet als een van de eigen doeleinden van de parochie’ kon worden aangemerkt, omdat behoud van hun dienstverlening noodzakelijk was voor de organisatie van het Samenwerkingsverband en de Parochie. Ik beschouw dit als een herhaling van de klacht van onderdeel 1, alleen dan onder aanvoering van een ander belang waarom het belang van het Samenwerkingsverband ook het belang van de Parochie is. Ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen ik hiervoor in 3.7 e.v. daarover heb opgemerkt.
3.18
Onderdeel 2.2bevat nog een tweetal aanvullende klachten.
3.19
De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verwijzing in de memorie van grieven van de Parochie naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg te mager is in het licht van r.o. 4.10 van het in eerste aanleg gewezen vonnis. Het hof zou niet kenbaar in zijn oordeelsvorming hebben betrokken dat in de toelichting op grief 4 in de memorie van grieven ook verwezen werd naar de verklaring van [betrokkene 1], zoals opgenomen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Hierin zou zijn opgenomen waarom de Parochie de woning nodig heeft voor de herhuisvesting van de paters en zusters.
3.2
Blijkens het oordeel van het hof ging het er in feite om dat de Parochie, gelet op het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.10 dat de Parochie - in mijn woorden - niet voldoende heeft onderbouwd dat de huidige woning niet geschikt zou zijn, niet kon volstaan met een verwijzing naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg. Op zichzelf is juist dat de Parochie in de memorie van grieven ook heeft aangevoerd dat ‘op zitting nader is onderbouwd waarom de Parochie het perceel nodig had voor eigen doeleinden’, echter in de verklaring van [betrokkene 1], zoals opgenomen in het proces-verbaal, tref ik niet een onderbouwing aan waarom de huidige woning van de zusters niet geschikt zou zijn. Gelet hierop is het oordeel van het hof, dat de verwijzing naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg te mager is in het licht van r.o. 4.10, dan ook niet onbegrijpelijk.
3.21
De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte de brief van [zuster 1] van 12 juni 2024 [16] niet kenbaar in zijn beoordeling zou hebben meegenomen. Daardoor zouden de volgende oordelen van het hof onbegrijpelijk zijn:
1. dat plattegronden en/of foto’s nodig zijn om te kunnen beoordelen of de woning in de [b-straat] te klein is om door drie zusters te worden bewoond;
2. dat verklaringen ontbreken van de te huisvesten zusters over hun behoefte aan huisvesting en de ongenoegzaamheid van hun huidige woning;
3. dat relevant is dat niet gesteld of gebleken is dat in de aan [verweerster] in erfpacht uitgegeven woning een kapel zal worden aangebracht en deze dan (nog steeds) groot genoeg is.
3.22
Wat betreft het eerste oordeel geldt dat, anders dan waar het onderdeel van uitgaat, het hof niet heeft geoordeeld dat het plattegronden en/of foto’s nodig had om te kunnen beoordelen of de woning in de [b-straat] te klein was om door de zusters te kunnen worden bewoond. Het hof geeft slechts een voorbeeld hoe de Parochie zijn standpunt nader had kunnen onderbouwen. Bovendien moet het oordeel van het hof gezien worden in het licht van het partijdebat. In de brief van [zuster 1] is weliswaar te lezen dat de huidige woning niet voldeed aan hun behoeften (“het was een tweekamer appartement en we waren met drie zusters”), maar in reactie hierop is door [verweerster] betwist dat de woning te klein was, en zij heeft onder verwijzing naar een mededeling van de zusters onderbouwd dat de woning is verbouwd tot een drie-slaapkamerappartement. [17] Gelet hierop is niet onbegrijpelijk het oordeel dat de Parochie haar stelling nader had kunnen onderbouwen door overlegging van plattegronden en/of foto’s van de woning.
3.23
Het tweede oordeel, dat verklaringen ontbreken van de zusters over hun behoefte aan huisvesting en de ongenoegzaamheid van hun huidige woning, is gelet op de in het geding gebrachte verklaring van [zuster 1] , inderdaad op het eerste gezicht niet goed te volgen. Ik heb mij dan ook afgevraagd of het hof de brief van [zuster 1] daadwerkelijk in de beoordeling heeft betrokken. In de opsomming van de processtukken onder 1 van het arrest wordt dit stuk namelijk wél genoemd wordt. Indien het hof de verklaring niet in de beoordeling heeft betrokken, zou de klacht gegrond zijn, maar kan dit zoals uit het voorgaande bleek niet tot cassatie leiden.
3.24
Overigens is het ook de vraag wat de verklaring nog zou hebben toegevoegd. Het hof heeft immers ook in zijn oordeel betrokken dat in een andere brief is vermeld dat [zuster 1] heeft laten weten dat de woning in de [b-straat] zeer beperkt is (onder andere) “door het ontbreken van een kapel”, maar dit onvoldoende geacht. De brief van 12 juni 2024 houdt wat de ongenoegzaamheid van de huidige woning betreft niet meer in dan dat zij het huidige appartement hebben geaccepteerd, hoewel de woning niet voldeed aan hun behoeften (“het was een tweekamer appartement en we waren met drie zusters”). In het licht van de betwisting door [verweerster] , die erop gewezen heeft dat uit een mededeling van de zusters volgt dat het appartement is omgebouwd tot een drie-slaapkamerappartement en dat zij op zoek zijn naar een woning voor vier zusters, is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat geen verklaring in het geding is gebracht waarom de woning nu ongenoegzaam is voor de gestelde drie zusters.
3.25
En tot slot richt het onderdeel een klacht tegen het oordeel dat het hof relevantie heeft toegekend aan de vraag of er in de woning van [verweerster] een kapel aangebracht zal worden en of die dan (nog steeds) groot genoeg is. Uit de brief van [zuster 1] zou volgen dat alleen een ‘extra kamer voor een kleine gebedsruimte’ toereikend zou zijn, en dat er dus niet een kapel hoeft te worden aangebracht. Het onderdeel maakt hierbij een onderscheid tussen het aanbrengen van een kapel en een extra kamer voor een gebedsruimte. Voor zover er een verschil is tussen een kapel en een kleine gebedsruimte, doet dit niet af aan de redenering van het hof. Namelijk, dat het de vraag is of de aan [verweerster] in erfpacht uitgegeven woning groot genoeg is om aan de gestelde behoefte tegemoet te komen, en dat de Parochie dit beter had kunnen onderbouwen. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof niet.
3.26
De Parochie heeft ook nog een andere opzeggingsgrond aangevoerd, namelijk dat zij het erfpachtrecht mocht opzeggen, omdat zij het perceel nodig heeft vanwege financiële redenen.
3.27
Met
onderdeel 3kom ik allereerst toe aan het oordeel van het hof in r.o. 3.9 dat de door de Parochie aangevoerde financiële opzeggingsgrond niet opgaat, omdat haar behoefte aan meer inkomsten uit het perceel in redelijkheid niet kan worden aangemerkt als een nodig hebben voor eigen doeleinden in de zin van art. 14b van de erfpachtakte. In dat kader heeft het hof overwogen dat hierbij bedacht dient te worden dat deze bepaling ook gold vóór het einde van de looptijd van de canon per 1 januari 2020, en dat indien de Parochie op grond van financiële argumenten als de onderhavige de erfpacht zou kunnen opzeggen (en tijdens de looptijd van de canon zou hebben kunnen opzeggen), afbreuk zou worden gedaan aan het bepaalde in de erfpachtakte dat de canon niet kan worden geïndexeerd of herzien: de (dreiging met een) opzegging zou alsdan door de Parochie in feite kunnen worden gebruikt om (voor het einde van de looptijd ervan) een hogere canon te bedingen.
3.28
Onderdeel 3.1.voert aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat de bepaling dat de canon niet kon worden geïndexeerd of herzien vóór het einde van de looptijd (1 januari 2020) niet in de erfpachtakte was opgenomen, maar bij de canonverhoging was overeengekomen in een 'onderhandse akte tussen partijen van 23 maart 1990'. [18] Deze klacht gaat niet op.
3.29
In de onderhandse akte is weliswaar overeengekomen dat de canon niet kon worden geïndexeerd of herzien voor het einde van de looptijd, maar het hof heeft óók, in navolging van de rechtbank, als feit vastgesteld dat de erfpachtakte van 1 mei 1931 (hierna: de erfpachtakte) en latere akten waarbij vrijwillig een wijziging van de canon is overeengekomen, geen mogelijkheid bevatten de canon te verhogen. [19] Dit geldt dus ook voor de erfpachtakte. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
3.3
Ook klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof niet concludent is, omdat in deze procedure vaststaat dat de Parochie pas heeft opgezegd
nadatde looptijd van de vaste canon was verstreken en de bepaling in de onderhandse akte dat de canon niet kon worden geïndexeerd of herzien dus niet meer van toepassing was.
3.31
Deze klacht gaat niet op. Het hof heeft voorop gesteld dat bedacht dient te worden dat de opzegbepaling
ookvan toepassing was voor het bij latere akte overeengekomen einde van de looptijd van de canon. Daarmee heeft het tot uitdrukking gebracht dat de opzegbepaling dus voor én na het einde van de later overeengekomen looptijd van de canon van toepassing was. Voor de uitleg en toepassing van de opzegbepaling is dus niet relevant of een opzeggingsverklaring voor of na voormelde looptijd van de canon is gedaan. Bovendien geldt ook hier weer dat het hof als feit heeft vastgesteld dat de erfpachtakte (en de latere akten) geen mogelijkheid bevatten de canon te verhogen. Dat het hof hieruit heeft afgeleid dat partijen met ‘nodig voor eigen doeleinden’ niet bedoeld hebben dat het erfpachtrecht op grond van financiële argumenten kan worden opgezegd, is niet onbegrijpelijk. Zoals ik hiervoor in 3.4 reeds opmerkte, komt het bij de uitleg van de opzegbepaling immers aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Bij de uitleg kan worden betrokken de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende mogelijke interpretaties.
3.32
Waar
onderdeel 3.2.precies over klaagt, is mij niet duidelijk. [20] Gelet hierop kan het onderdeel niet slagen.
3.33
Het onderdeel lijkt het oog te hebben op de ‘vangnetbepaling’ van art. 766 [21] jo. 783 (oud) BW. De rechtbank had al vastgesteld dat de erfpachtakte een bepaling bevat over het eindigen van de erfpacht en dat de vangnetbepaling van art. 766 jo Pro. 783 (oud) BW daarom niet van toepassing is. [22] Dit oordeel heeft het hof onderschreven, en dat wordt in cassatie – naar mijn mening terecht – niet bestreden.
3.34
De vangnetbepaling is in hoger beroep ook in een ander verband aan de orde gekomen. Ten aanzien van het betoog van de Parochie, dat de rechtbank gegeven haar oordeel over voormelde vangnetbepaling ten aanzien van de opzeggingsbevoegdheid een veel te strenge maatstaf heeft gehanteerd, heeft het hof in r.o. 3.4 geoordeeld dat dit niet opgaat. De uitleg van het in de erfpachtakte opgenomen opzeggingsbeding wordt volgens het hof niet beïnvloed door het al of niet van toepassing zijn van de vangnetbepaling noch houdt zij daarmee verband. Dit oordeel lijkt in cassatie niet te worden bestreden, en is ook niet onbegrijpelijk. Ook hierop stuiten eventuele klachten af.
3.35
Onderdeel 3.3.richt zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.10 dat opzegging ‘voor eigen doeleinden’ vanwege de financiële behoefte van de Parochie zich in het geheel niet verdraagt met een opzegging ‘voor eigen doeleinden’ vanwege de huisvesting van de drie zusters (of paters) tegen een bescheiden vergoeding [23] die niet hoger zal zijn dan de huidige canon. Het is volgens het hof van tweeën een: ofwel de parochie wil de woning tegen een marktconforme althans een in lijn met grondwaarde bepaalde canon in erfpacht uitgeven, dan wel verkopen, ofwel zij wil die gebruiken om door zusters of paters tegen - naar moet worden aangenomen - een bescheiden vergoeding te worden bewoond.
3.36
Het onderdeel klaagt dat het niet “van tweeën een” is, nu het hof eraan voorbijgaat dat art. 14b van de erfpachtakte aan de Parochie de mogelijkheid biedt om als eigenaar en als erfverpachter na het einde van de looptijd van de canon de erfpacht van het perceel te beëindigen om dit te gaan gebruiken 'voor eigen doeleinden' van de Parochie als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap welke 'doeleinden' beide doeleinden kunnen omvatten.
3.37
Deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof heeft geoordeeld dat een opzegging vanwege de financiële behoefte juist niet kan worden aangemerkt als een nodig hebben voor eigen doeleinden in de zin van art. 14b van de erfpachtakte, en de daartegen gerichte klacht niet slaagt (zie hiervoor onderdeel 3.1).
3.38
Daarnaast merk ik op dat dit oordeel van het hof een niet dragend oordeel betreft, en de klacht ook om die reden niet kan slagen. Hoewel ik misschien niet de krachtige bewoordingen van het hof zou gebruiken dat de opzegging vanwege de financiële behoefte zich
in het geheel niet verdraagtmet de opzegging vanwege de huisvesting van de drie zusters (of paters) tegen een bescheiden vergoeding, ben ik het overigens wel met het hof eens dat het hanteren van beide opzeggingsgronden wat tegenstrijdigs heeft. Als voorzien wordt in de huisvestingsbehoefte van de zusters, wordt nu juist niet tegemoet gekomen aan de financiële behoeften.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van het hof Amsterdam van 25 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:519, onder 2.
2.In r.o. 2 onder (j) van het bestreden arrest is het citaat niet helemaal correct weergegeven.
3.Gerechtshof Amsterdam 25 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:519.
4.De procesinleiding in cassatie is op 26 mei 2025 bij de Hoge Raad ingekomen. Omdat de cassatietermijn op zondag 25 mei 2025 verstreek, is de termijn op grond van artikel 1 lid 1 van Pro de algemene termijnenwet met een dag verlengd.
5.Zie r.o. 3.13 en het slot van r.o. 3.11 (waar wordt verwezen naar r.o. 3.13) van het bestreden arrest. In r.o. 3.13 noemt het hof dit ook een ‘geheel zelfstandig argument’.
6.Zie r.o. 3.11 en 3.12 van het bestreden arrest.
7.Zie onder andere HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, m.nt. F.M.J. Verstijlen ( […] / […] ).
8.HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522. Ik denk overigens dat ook betekenis kan toekomen aan een ‘bevestiging’ van de opzeggingsbevoegdheid in latere notariële wijzigingsakten die zijn ingeschreven in de openbare registers; zo’n latere akte kan invloed hebben op de huidige betekenis van het opzeggingsbeding. In deze zaak speelt dat niet.
9.Het hof overweegt in r.o. 3.8 van het bestreden arrest dat ‘eigen
10.Het hof is overigens niet ingegaan op de vraag of het Samenwerkingsverband als lichaam met rechtspersoonlijkheid als bedoeld in art. 2:2 BW Pro is aan te merken. Het is de vraag of art. 2:2 BW Pro ook ziet op lichamen waarin de zelfstandige onderdelen (in dit geval parochies) zijn verenigd. De toelichting bij artikel 2:2 BW Pro lijkt vooral het oog te hebben op de vereniging van kerkgenootschappen (TK 1982-1983, 17725, nr. 3, p. 53). Zie ook J.T. van den Berg, Lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, in: A.P.H. Meijers en T.J. van der Ploeg, De rechtspersoonlijkheid van geloofsgemeenschappen, Boom Juridische uitgevers 2012, p. 41 e.v.
11.Zie HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:B9604,
12.Het onderdeel kan ook minder ruim worden opgevat, in welk geval alleen geklaagd wordt dat de vierde stelling, dat het behoud van de dienstverlening van de paters en zusters noodzakelijk zou zijn voor de organisatie binnen (het Samenwerkingsverband van) de parochie(s).
13.Het onderdeel maakt bij de stellingen geen onderscheid tussen de huisvesting van paters en huisvesting van zusters. Volgens mij zien alleen stellingen b. en c. op de herhuisvesting van de paters. Stelling d. is, althans op de door de procesinleiding genoemde vindplaats, niet ingenomen ten aanzien van de huisvesting van de paters.
14.Op de genoemde vindplaats in de akte van 25 juni 2024 is deze stelling slechts ingenomen ten aanzien van de huisvesting van de zusters, en niet ten aanzien van de paters. Overigens wordt in de akte van 25 juni 2024 op een andere plek, namelijk onder de toelichting bij productie 4, wel aangevoerd dat zonder (de inzet / werkzaamheden) van de twee nog in Duivendrecht woonachtige paters het kerkelijk leven in de vijf parochies niet zou kunnen bestaan
15.Zie r.o. 4.8 t/m 4.12 van het vonnis d.d. 18 januari 2023
16.Antwoordakte zijdens de Parochie d.d. 3 september 2024, productie 9.
17.Antwoordakte zijdens [verweerster] d.d. 1 oktober 2024, onder 8 (met verwijzing naar de door haar als productie 9 overgelegde mededeling).
18.Zie het feit onder 2 onder c van het bestreden arrest, hierboven weergegeven onder 2.1 onder (iii).
19.Zie het feit onder 2 onder b van het bestreden arrest, hierboven weergegeven onder 2.1 onder (ii).
20.Zie ook de schriftelijke toelichting van mr. Van Swaaij onder 27.1.
21.In de procesinleiding wordt artikel 755 (oud) BW genoemd, maar bedoeld zal zijn artikel 766 (oud) BW.
22.R.o. 4.4 en 4.5 van het vonnis.
23.Volgens de procesinleiding zou het oordeel van het hof inhouden dat de zusters geen vergoeding betalen omdat alles vanuit de kerk wordt betaald, maar dat lees ik daar niet.