Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[appellant],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 3zegt op te komen tegen de in overweging 4.5 getrokken conclusie, bestrijdt de [appellant] in de toelichting op de grief noch deze conclusie noch de daartoe gevoerde argumentatie, reden waarom het hof van de juistheid van een en ander zal uitgaan. Overigens onderschrijft het hof dit oordeel van de rechtbank, evenals de gronden waarop dat berust. De [appellant] betoogt in de toelichting op de grief (slechts) dat de rechtbank, gegeven haar oordeel over voormelde vangnetbepaling, in overweging 4.13 met betrekking tot de in de erfpachtakte aan de [appellant] toegekende opzeggingsbevoegdheid “een veel te strenge maatstaf” heeft gehanteerd. Het hof verwerpt dit betoog: de uitleg van de in de erfpachtakte vervatte opzeggingsbevoegdheid wordt niet beïnvloed door het al of niet van toepassing zijn van de in de overwegingen 4.4 en 4.5 van het bestreden vonnis behandelde vangnetbepaling noch houdt zij daarmee verband. De grief faalt daarom.
nodighebben, waar dus een noodzakelijkheidscriterium voor de [appellant] uit voort vloeit, en
voor eigen doeleinden, dus voor haar eigen [appellant] . Of hier sprake van is wordt ex tunc beoordeeld; op het moment van opzegging van de erfpacht door de [appellant] had de [appellant] een concreet eigen noodzaak moeten hebben voor haar eigen [appellant] . De [appellant] heeft na de betwisting door [geïntimeerde] geen begin van bewijs van de noodzaak van de opzegging ex tunc gegeven (…)
grieven 1, 2 en 4komt de [appellant] tegen deze overwegingen op, met dien verstande dat zij (terecht) geen grief richt tegen de passage in overweging 4.12 over, kort gezegd, de op haar rustende stelplicht (en bewijslast). De grieven worden tezamen behandeld.
4.Beslissing
€ 2.428,00(tarief II, € 1.214,00 per punt, twee punten)