Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:337

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
24/03571
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 80a ROArt. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens redelijke termijnschending en medische omstandigheden bij fraudezaak

De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens belastingfraude, verduistering en oplichting. Het hof bevestigde deze straf, maar hanteerde als uitgangspunt een straf van 48 maanden, waarvan tweemaal 6 maanden werd afgetrokken vanwege medische omstandigheden en een redelijke termijnschending.

De verdediging voerde vermindering van toerekeningsvatbaarheid en detentieongeschiktheid aan, maar het hof verwierp deze verweren op basis van deskundigenrapporten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de strafoplegging niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd en dat het uitgangspunt van 48 maanden passend was.

Wel is de inzendtermijn in cassatie met meer dan drie maanden overschreden, wat leidt tot een strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor wat betreft de strafduur en vermindert de gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf van 36 maanden wegens overschrijding van de inzendtermijn en medische omstandigheden, en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03571
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 september 2024 (parketnr. 22-000992-20) het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2020 (parketnr. 10-996716-17 en 10-993044-19) bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. In dit vonnis is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden (met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro) wegens het in de zaak met parketnr. 10-996716-17 onder 1. “doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”, 2. “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” en 3. “ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” en in de zaak met parketnr. 10/993044-19 primair “oplichting”. Ook het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/03572P. In deze zaak heeft de Hoge Raad bij arrest van 7 april 2026 de betrokkene met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte in deze zaak is in eerste aanleg wegens kort gezegd fraude veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Het hoger beroep betrof uitsluitend een strafmaatappel. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank behoudens de strafoplegging bevestigd en is evenals de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden gekomen. In de strafmotivering is het hof uitgegaan van een “in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden”. In het eerste middel wordt aangevoerd dat de door het hof opgelegde straf verbazing wekt, omdat het door het hof gehanteerde uitgangspunt zwaarder is dan de door de rechtbank passend en geboden geachte gevangenisstraf van 36 maanden en het hof op dit uitgangspunt tweemaal een vermindering van 6 maanden heeft toegepast om vervolgens net als de rechtbank uit te komen op een gevangenisstraf van 36 maanden, terwijl de rechtbank tot die straf is gekomen zonder de aanmerkelijke schending van de redelijke termijn in hoger beroep en de medische problemen van de verdachte die zich eerst in hoger beroep hebben geopenbaard. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
2.2
Deze conclusie strekt ertoe dat het eerste middel faalt en dat het tweede middel slaagt.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de door het hof opgelegde straf onbegrijpelijk is en verbazing wekt gelet op hetgeen in eerste aanleg en in hoger beroep is gevorderd en hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd ten aanzien van de (eerst in hoger beroep geopenbaarde) ernstige medische situatie van de verdachte.
3.2
Door de officier van justitie is in eerste aanleg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren geëist. Het door de officier van justitie ter terechtzitting van 14 februari 2020 gehouden requisitoir houdt voor zover van belang onder meer het volgende in:
“De LOVS oriëntatiepunten gaan uit van 24 maanden gevangenisstraf bij een nadeel van 1 miljoen euro. Naarmate het nadeel hoger is kan strafoplegging tot aan het maximum van de gevangenisstraf volgen.
Verdachte scoort hoog op de strafverzwarende factoren: duur, voordeel voor hemzelf, nadeel voor anderen, gebruik van rechtspersoon en handelen in kader van bedrijfsvoering, langdurig misbruik van vertrouwen en het bieden van geen enkel verhaal voor de schuldeisers.
Dit alles maakt een gevangenisstraf van vier jaren passend.
Gelet op de ouderdom van feit 1 en 2 en de leeftijd van de verdachte zal ik mijn eis matigen tot drie jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk.”
3.3
De verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. De strafmotivering houdt voor zover van belang onder meer het volgende in:
“[…]
De verdachte heeft op de belastingaangiften een te laag bedrag aan omzet en omzetbelasting vermeld. Hij heeft een bedrag van ongeveer € 4.700.000,-, aan omzetbelasting dat hij van het buitenlandse bedrijf had ontvangen, niet aangegeven bij en dus ook niet afgedragen aan de Belastingdienst, maar in eigen zak gestoken. Om te voorkomen dat deze fraude en verduistering ontdekt zouden worden, heeft de verdachte diverse onderliggende stukken vervalst. Hij heeft onder meer factuurbedragen en in rekening gebrachte omzetbelasting op verkoopfacturen van het buitenlandse bedrijf gewijzigd en bankrekeningafschriften van MLS aangepast om de onjuiste belastingaangiften ‘kloppend’ te maken. De vervalste bescheiden heeft hij aan de controlerende ambtenaren van de Belastingdienst verstrekt.
[…]
Voorts heeft de verdachte een financieringsinstelling opgelicht. Door een vervalst pensioenoverzicht en vervalste bankrekening bij de kredietaanvraag in te dienen, heeft hij een krediet van € 50.000,- verstrekt gekregen, waar hij op basis van zijn toenmalige financiële sitiatie hoogstwaarschijnlijk niet voor in aanmerking zou zijn gekomen. Een bedrag van ruim € 40.000,- van deze lening is niet afgelost.
[…]
Gezien de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, alsook de hoogte van het totale fraudebedrag en de geruime periode waarin hij de fraude heeft gepleegd, is enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.
[…]
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op het totale geldbedrag waarvoor de Belastingdienst en Findio zijn benadeeld, straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, en het rapport van 20 november 2019 dat de Reclassering Nederland over hem heeft opgemaakt.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte inmiddels 69 jaar oud is, en met het feit dat de meeste bewezen verklaarde feiten geruime tijd geleden zijn gepleegd.
[…]
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een gevangenissstraf voor de duur van drie jaren, zoals de officier van justitie heeft geëist, passend en geboden.
[…]”
3.4
Door de advocaat-generaal bij het hof is in hoger beroep een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden geëist. Het door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2024 gehouden requisitoir houdt voor zover van belang onder meer het volgende in:

Strafmaatoverwegingen
Door zijn stelselmatige gedrag heeft de verdachte grote schade toegebracht aan de belangen van de Belastingdienst en de samenleving. De ontdoken omzetbelasting bedraagt €4.751.236,00. [A] is de gestelde zekerheid van €500.000,00 kwijt geraakt (blz. 102, 1-OPV-001, blz. 17). De verdachte heeft het vertrouwen van zijn oude vriend en collega [betrokkene 1] jarenlang en stelselmatig beschaamd. En nog ernstiger het vertrouwen van zijn opdrachtgever [A].
Verdachte zag er geen been in om enkele jaren later [B] voor €50.000,00 op te lichten en zijn toenmalige echtgenote mee te slepen in de fraude.
Dit nadat de verdachte op 22 april 1998 door de meervoudige kamer in de rechtbank Roermond was veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens valsheid in geschrift en oplichting.
De strafmaatoverwegingen van de rechtbank zijn onverkort van toepassing.
Ik vorder gedeeltelijke bevestiging van het vonnis in de strafzaak, te weten behoudens de straf. Met aanvulling van gronden, te weten zijn bekennende verklaring ter zitting in hoger beroep. Ik vorder vernietiging van de straf. In plaats van gevangenisstraf voor de duur van drie jaren vorder ik gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden rekening houdende met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep met dertig maanden waarvan twaalf maanden kunnen worden toegerekend aan de verdediging.”
3.5
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep naast een beroep op verminderde toerekeningsvatbaarheid en detentieongeschiktheid onder meer het volgende aangevoerd:
“Met het bovenstaande in acht genomen vraag ik me af waarom we ons enkel moeten focussen op de richtlijnen van de tenlastegelegde feiten en een gevangenisstraf aan cliënt moeten opleggen. Hiermee verliezen we immers de persoon van de verdachte uit het oog. Een taakstraf komt even hard bij hem aan en wellicht gezien zijn fysieke beperking wel harder. Bovendien bestaat er geen recidiverisico en is er sprake van een verminderende toerekeningsvatbaarheid bij cliënt. Ik wil u dan ook vragen om rekening met deze aangevoerde omstandigheden en aan cliënt een taakstraf op te leggen.”
3.6
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank op het punt van de strafoplegging vernietigd. Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:

Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf- en de motivering daarvan.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Procesverloop
Op 22 maart 2023 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar – samengevat – de vraag of een tumor gedragsverandering kon veroorzaken bij de verdachte.
Dit heeft geresulteerd in een deskundigenrapport van dr. A.J.A. de Louw d.d. 12 oktober 2023 (hierna: het rapport De Louw).
Verweren verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – samengevat – dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaarheid was ten gevolge van (het groeien van) een tumor in zijn hoofd. Het gedrag van de verdachte zou daardoor de afgelopen jaren veranderd zijn en hierdoor zou hij niet de keuzes hebben gemaakt die hij anders waarschijnlijk wel gemaakt zou hebben. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt
verwezen naar het rapport van De Louw.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte detentieongeschikt is. In dit verband heeft de verdediging de rapportages van arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen [arts] d.d. 27 maart 2024 en 23 augustus 2024, waarin deze concludeert dat de verdachte detentiegeschikt is, betwist. De verdediging heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de medische situatie van de verdachte achteruitgaat, dat hij veel nazorg nodig heeft, dat er snel gereageerd moet kunnen worden bij een zeer wel te verwachten medisch incident en dat de verdachte regelmatig medische controles moet ondergaan. Volgens de verdediging is het medisch gezien een onacceptabel risico om de verdachte te detineren.
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat er geen strafdoel mee is gediend als de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd.
Oordeel inzake verminderde toerekeningsvatbaarheid
In diens rapport concludeert De Louw dat de medische aandoening van de verdachte geleid zou kunnen hebben tot gedragsveranderingen, maar hij merkt ook op dat de gedragsmatige problematiek pas evident werd na de operatieve ingreep die de verdachte in augustus 2020 heeft ondergaan. Bovendien overweegt De Louw dat ‘Op basis van de ter beschikking gestelde medische gegevens het niet mogelijk [is] om vast te stellen dat de tumor bij verdachte heeft geleid tot aantasting van zijn mogelijkheden om weloverwogen besluiten te nemen.’
Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport De Louw dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het hof is voorts van oordeel dat de bevindingen van deze deskundige worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.
Mede gelet op hetgeen De Louw, heeft geconcludeerd is het hof van oordeel dat hetgeen door en namens de verdachte ter onderbouwing van het beroep op verminderde toerekenbaarheid naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten bevat om te komen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Het procesdossier en ook het onderzoek ter terechtzitting nopen evenmin tot een dergelijk oordeel. Het beroep op de verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt daarom verworpen.
Oordeel hof inzake detentiegeschiktheid
[arts], arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen heeft twee rapportages uitgebracht (27 maart 2024 en 23 augustus 2024) en heeft, na raadpleging van een specialist ouderengeneeskunde, in beide rapportages – samengevat – geconcludeerd dat er in detentie voldoende mogelijkheden zijn om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft en dat de verdachte detentiegeschikt is.
Ook ten aanzien van deze rapportages geldt dat het hof geen aanleiding heeft om eraan te twijfelen dat deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusies van de rapportages zijn voldoende gemotiveerd en navolgbaar.
Het hof neemt deze conclusies over en is van oordeel dat de verdachte detentiegeschikt is. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte niet detentiegeschikt is, leidt het hof niet tot een ander oordeel.
Het voorgaande betekent dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte ten tijde van de feiten volledig toerekeningsvatbaar was en voorts dat de verdachte detentiegeschikt is.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit is echter langer geleden en het hof stelt vast dat verdachte geen thans relevante eerdere veroordelingen heeft.
Persoonlijke omstandigheden, redelijke termijn en tijdsverloop
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte met serieuze medische omstandigheden te kampen heeft. Het hof zal daarmee rekening houden in de bepaling van de hoogte van de straf in zoverre dat het hof 6 maanden minder zal opleggen dan de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden.
Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met ruim 2,5 jaar is overschreden, nu op 16 maart 2020 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof eindarrest wijst op 18 september 2024.
Het hof zal deze overschrijding – alsmede het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten – verdisconteren in de straf in die zin dat het hof op de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden andermaal 6 maanden in mindering zal brengen.
Het voorgaande betekent dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van (48 maanden minus tweemaal 6 maanden) 36 maanden zal opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
[…]
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.”
3.7
De toelichting op het middel verwijst enerzijds naar de ruime vrijheid die de feitenrechter bij de straftoemeting toekomt en de terughoudende opstelling van de Hoge Raad bij de beoordeling van cassatiemiddelen die zich tegen de strafoplegging richten en anderzijds naar het in de jurisprudentie ontwikkelde verbazingscriterium dat in sommige situaties een nadere motivering van de feitenrechter vergt en voor de Hoge Raad reden kan vormen om toch in te grijpen. [1] Volgens de stellers van het middel doet zich in het onderhavige geval de situatie voor dat de door het hof opgelegde straf verbazing wekt. Zij wijzen erop dat het hof als uitgangspunt voor de op te leggen straf een gevangenisstraf van 48 maanden neemt en deze straf zwaarder is dan de straf die in eerste aanleg door de rechtbank passend en geboden is geacht (36 maanden), terwijl het hof op het uitgangspunt van 48 maanden twee keer een vermindering van de straf met 6 maanden heeft toegepast vanwege de ‘serieuze medische omstandigheden’ waarmee de verdachte te kampen heeft en wegens schending van de redelijke termijn. De stellers van het middel vinden het niet alleen bijzonder gekunsteld voorkomen, maar ook aanmerkelijke verbazing wekken, dat het hof – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal bij het hof – als beginpunt een gevangenisstraf van 48 maanden neemt om vervolgens uit te komen op de gevangenisstraf die ook de rechtbank had opgelegd, terwijl de rechtbank tot die straf is gekomen zonder de aanmerkelijke schending van de redelijke termijn in hoger beroep en de medische problemen van de verdachte die zich in hoger beroep hebben geopenbaard. Tegen die achtergrond zou de strafoplegging niet in stand kunnen blijven.
3.8
Art. 359 lid 6 Sv Pro bepaalt voor zover hier van belang dat bij de oplegging van een straf die vrijheidsbeneming meebrengt het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Voorts dient het vonnis zoveel mogelijk de omstandigheden aan te geven waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt dit vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [2]
3.9
In de onderhavige zaak vangt de (onder 3.6 weergegeven) strafmotivering aan met een standaardoverweging dat de op te leggen straf is bepaald “op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting”. Ook maakt het hof, net als de rechtbank, melding van het feit dat de justitiële documentatie van de verdachte thans geen relevante eerdere veroordelingen bevat. Vervolgens overweegt het hof dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte met serieuze medische omstandigheden te kampen heeft en dat met deze persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde straf, in die zin dat er 6 maanden minder wordt opgelegd dan de “in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden”. Net als de rechtbank houdt het hof ook rekening met “het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten” en dit tijdsverloop wordt samen met de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteerd in de hoogte van de op te leggen straf, in die zin dat het hof op de “in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden” nogmaals 6 maanden in mindering brengt. Dit resulteert in een gevangenisstraf van 36 maanden en daarmee een straf gelijk aan de door de rechtbank opgelegde straf.
3.1
Bij eerste beschouwing van de strafmotivering door het hof moet de stellers van het middel mijns inziens worden toegegeven dat deze gekunsteld oogt. Anders dan in de onder 3.3 weergegeven strafmotivering van de rechtbank, ontbreekt in de strafmotivering door het hof een concrete invulling van de “ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan”, zodat en in zoverre door het hof niet in het bijzonder de redenen zijn opgegeven die tot de keuze van de “in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden” hebben geleid. [3] Dat het hof vervolgens na aftrek van tweemaal zes maanden wegens medische omstandigheden en tijdsverloop uiteindelijk toch weer precies op de door de rechtbank opgelegde straf van 36 maanden uitkomt roept dan vragen op. Toch meen ik – anders dan de stellers van het middel – dat het door het hof gehanteerde uitgangspunt van 48 maanden na nadere beschouwing geen verbazing wekt en de strafoplegging ook overigens niet onbegrijpelijk is. Daartoe is het volgende van belang.
3.11
Uit het procesverloop in eerste aanleg – zoals onder 3.2 en 3.3 is weergegeven – blijkt dat de officier van justitie op grond van het LOVS-oriëntatiepunt voor fraude [4] en na het meewegen van een groot aantal strafverzwarende factoren (in beginsel) een gevangenisstraf van 4 jaren (= 48 maanden) in deze zaak passend heeft geacht. Deze passend geachte eis is vervolgens tot drie jaren (= 36 maanden) teruggebracht wegens de ouderdom van de feiten 1 en 2 en de leeftijd van de verdachte. De rechtbank heeft op grond van de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, de hoogte van het totale fraudebedrag en de geruime pleegperiode waarin de fraude plaatsvond, geoordeeld dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het onderhavige geval op zijn plaats is. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op het totale bedrag waarvoor de Belastingdienst en Findio zijn benadeeld (ruim € 4.700.000,-,
PHvK), straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd (ik begrijp: LOVS-oriëntatiepunt fraude,
PHvK), het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaren niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en op het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. Evenals de officier van justitie heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte de leeftijd van de verdachte (toen: 69 jaar) en het feit dat de meeste bewezenverklaarde feiten geruime tijd geleden zijn gepleegd meegewogen. Na afweging van dit alles is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren (= 36 maanden), zoals door de officier van justitie is geëist, in deze zaak passend en geboden is. De rechtbank spreekt anders dan de officier van justitie niet expliciet over het concreet gehanteerde uitgangspunt voor de in deze zaak passend geachte straf en noemt evenmin de hoogte van de concreet toegepaste strafvermindering. Niettemin lijkt uit de strafmotivering in haar geheel bezien te kunnen worden afgeleid dat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de officier van justitie geheel is gevolgd en dus ook de straf van 4 jaren (48 maanden) tot uitgangspunt heeft genomen.
3.12
Het hoger beroep in de onderhavige zaak betrof uitsluitend een strafmaatappel. De verdachte – die een bekennende verdachte is – heeft op de terechtzitting van het hof van 4 september 2024 aangevoerd dat hij de door de rechtbank opgelegde straf te zwaar vindt. Op genoemde terechtzitting lag het zwaartepunt op de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder op zijn (eerst in hoger beroep geopenbaarde) medische situatie. Mede op grond van die situatie werd de meerwaarde van het opleggen van een gevangenisstraf door de raadsman betwijfeld. In dat verband werd onder meer betoogd dat niet enkel moet worden gefocust op “de richtlijnen van de tenlastegelegde feiten” (ik begrijp in het licht van het voorgaande: LOVS-oriëntatiepunt fraude,
PHvK) en de daaruit voortvloeiende gevangenisstraf, omdat daarbij de persoon van de verdachte uit het oog wordt verloren. Bepleit is om een taakstraf in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen. Dat het hof de factor “ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan” in de strafmotivering niet nader heeft geconcretiseerd, wekt tegen de(ze) achtergrond (van het ‘voortbouwend appel’ [5] ) dan ook geen verbazing. Daarover bestond in hoger beroep immers geen discussie meer.
3.13
Verder telt dat uit het onder 3.4 en 3.5 uiteengezette procesverloop blijkt dat de advocaat-generaal bij het hof de strafmaatoverwegingen van de rechtbank onverkort van toepassing acht en – rekening houdend met de redelijke-termijnschending in hoger beroep – in plaats van de door de rechtbank opgelegde (netto)straf van 3 jaren een gevangenisstraf van 32 maanden heeft gevorderd. Volgens de advocaat-generaal bij het hof gaan de strafmaatverweren van de verdediging (verminderde toerekeningsvatbaarheid en detentieongeschiktheid) niet op. Ook het hof heeft deze verweren verworpen (zie onder 3.6). In cassatie wordt de verwerping van deze verweren niet betwist.
3.14
Uit het onder 3.11 t/m 3.13 benoemde procesverloop kan dus worden afgeleid dat het openbaar ministerie ook in hoger beroep door het onverkort van toepassing achten van de strafmaatoverwegingen van de rechtbank als uitgangspunt voor de op te leggen straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden hanteert. Verder blijkt daaruit dat (de hoogte van) dit uitgangspunt door de verdediging
an sichook niet is betwist, nu enkel is gesteld dat de rechter zich niet blind moet staren op “de richtlijnen voor de tenlastegelegde feiten” (en de daaruit volgende strafindicatie) omdat de persoon van de verdachte daarmee uit het oog wordt verloren. Gelet op een en ander meen ik dat de strafoplegging in het onderhavige geval geen verbazing wekt. [6] Dat is mijns inziens niet anders doordat de rechtbank op grond van de leeftijd van de verdachte en het tijdsverloop van de feiten (kennelijk) tot een strafvermindering van 12 maanden is gekomen, terwijl het hof tot een strafvermindering van gelijke grootte komt op basis van enerzijds de serieuze medische omstandigheden van de verdachte (groot 6 maanden) en anderzijds de redelijke-termijnschending in hoger beroep alsmede – evenals de rechtbank – het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten (groot 6 maanden). De weging van die factoren is aan de feitenrechter voorbehouden en is ook overigens niet onbegrijpelijk. Verder doet aan de slotsom dat de strafoplegging in het onderhavige geval geen verbazing wekt niet af dat een meer uitdrukkelijke concretisering van de “ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan” helderder zou zijn geweest en zou hebben aangesloten bij de strekking van art. 359 lid 6 Sv Pro. Overigens wordt daarover op zichzelf ook niet in cassatie geklaagd.
3.15
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt in dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 24 september 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 augustus 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan drie maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

5.Afronding

5.1
Het eerste middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Het tweede middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie over het “verbazingscriterium” bijv. A-G Aben, conclusie voor HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:908 (voetnoot 4) en G.K. Schoep,
2.HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191,
3.Vgl. (in het kader van art. 359 lid 6 Sv Pro) voor een zaak waarin het hof uitsluitend met een standaardoverweging volstond bijv. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:167.
4.https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/strafrecht/orientatiepunten-voor-straftoemeting, p. 42. Bij een benadelingsbedrag van “€ 1.000.000,- en hoger” wordt als oriëntatiepunt “24 maanden - maximum GS ov” genoemd (zie onder g).
5.G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans,
6.Zie voor gevallen waarin de strafoplegging wel verbazing kan wekken mijn conclusie voor HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1452 (eerste deelklacht: HR 81 lid 1 RO), randnr. 3.9 t/m 3.11. Zie over het niet voldoen aan art. 359 lid 6 Sv Pro in een geval van “voortbouwend appel” bijv. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193.