Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Het hof verklaarde het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk omdat dit niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen was ingesteld, uitgaande van de aanname dat de dagvaarding in persoon aan verdachte was betekend.
De verdachte stelde dat zij pas op 20 januari 2024 op de hoogte was van de uitspraak, wat zij per e-mail aan de rechtbank kenbaar maakte. Uit de akte van uitreiking bleek echter dat de dagvaarding op 15 november 2022 niet aan de verdachte zelf, maar aan een ander persoon op het adres was uitgereikt. Dit maakte de vaststelling van het hof onbegrijpelijk.
De Hoge Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 408 lid 1 sub a Sv Pro niet kan worden gehandhaafd omdat de betekening niet aan verdachte zelf heeft plaatsgevonden. Ook is niet gebleken dat verdachte op de terechtzitting is verschenen of dat zij eerder bekend was met de datum van de zitting. Daarom had het hoger beroep binnen veertien dagen na bekendwording van de uitspraak moeten worden ingesteld.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het middel slaagt, het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.