ECLI:NL:PHR:2026:262

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
24/00606
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227 SrArt. 420bis SrArt. 56 SrArt. 156 lid 2 RvArt. 157 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest medeplegen valse opgave in hypotheekakte en witwassen

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van het doen van een valse opgave in een authentieke hypotheekakte en medeplegen van witwassen. Het betrof een constructie waarbij een bedrag van € 700.000,- met criminele herkomst werd overgemaakt en een hypotheekrecht werd gevestigd terwijl geen lening bestond.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft vastgesteld dat sprake was van een valse opgave in de hypotheekakte, maar dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de valse opgave bestond in de bewering dat het hypotheekrecht was gevestigd tot zekerheid voor een geldlening van € 700.000,-. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat het hypotheekrecht is gevestigd tot zekerheid voor alle huidige en toekomstige vorderingen, wat wettelijk is toegestaan.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft met betrekking tot de valse opgave en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. De veroordeling voor witwassen blijft in stand. Tevens is de redelijke termijn in cassatie overschreden.

Uitkomst: Arrest hof vernietigd voor valse opgave, zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling; veroordeling witwassen blijft staan.

Conclusie

24/00606
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00606
Zitting17 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 14 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-001057-21) wegens onder 1 “medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid” en onder 2 “medeplegen van witwassen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en tot een geldboete van € 152.000,00, subsidiair 365 dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel bevat verschillende klachten over het onder 1 bewezen verklaarde feit. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een voorgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sr Pro getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is.

2.De zaak

2.1
Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. De verdachte heeft in 2010 een bedrag van € 700.000,- overgemaakt naar de derdengeldenrekening van een notaris ten behoeve van de aankoop van een woning door [medeverdachte] . In een hypotheekakte hebben zij doen opnemen dat een hypotheekrecht werd gevestigd op de woning van [medeverdachte] ten behoeve van de verdachte. Zowel het hof als de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte met het doen opstellen van die hypotheekakte wilde “
fingeren dat [medeverdachte] dit bedrag van verdachte had geleend en tot zekerheid van nakoming van zijn verplichting tot terugbetaling van die ‘lening’ aan verdachte, vermeerderd met rente en kosten, ten gunste van verdachte een recht van hypotheek op de hiervoor genoemde woning met aanhorigheden werd gevestigd, terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een lening maar van een zogenaamde loan-back constructie.” De verdachte is daarop veroordeeld wegens het medeplegen van het doen van een valse opgave in een authentieke akte en voor witwassen.

3.De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof

3.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. hij omstreeks 14 oktober 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon, in een hypotheekakte, zijnde een akte, op 14 oktober 2010 te [plaats] verleden door [notaris 1] als plaatsvervanger van [notaris 2] , beiden notaris met plaats van vestiging [plaats] , opzettelijk een valse opgave heeft doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken,
bestaande de valse opgave hierin dat in vorenbedoelde hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat
- een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van EUR 700.000 (te vermeerderen met EUR 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten) op een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van [verdachte] en/of [betrokkene 1] ;
zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid;
2. hij in de periode van 12 augustus 2010 tot en met 4 februari 2014, in Nederland, en/of in Zwitserland, tezamen en in vereniging met een natuurlijk persoon,
- van geldbedragen tot een totaalbedrag van ongeveer EUR 700.000,-, en
- van een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ,
(sub a)
de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, en
(A – Loan back)
- geldbedragen (tot een totaal bedrag van EUR 700.000) te ontvangen op een bankrekening die op zijn, verdachtes, naam was gesteld met als omschrijving reimbursement of loan, en
- vervolgens een geldbedrag, te weten EUR 700.000, te storten op de derdengeldrekening van Notariskantoor [notaris 2] , (terwijl de koopsom eigenlijk gefinancierd was door [medeverdachte] ); en
- vervolgens een hypotheekrecht te laten vestigen tot een bedrag van EUR 700.000 (te vermeerderen met EUR 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten) op een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van hem, verdachte, en [betrokkene 1] met als hypotheekgevers [medeverdachte] en [betrokkene 2] ; en
- vervolgens fictieve rentebetalingen te ontvangen van [medeverdachte] en/of [betrokkene 2] ;
terwijl hij, verdachte, en zijn medeverdachte wisten dat die geldbedragen en de woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] – onmiddellijk of middellijk – mede afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.2
Het hof heeft met betrekking tot het bewijs als volgt overwogen (met weglating van voetnoten):

Overwegingen met betrekking tot het bewijs
(…).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit - kort en zakelijk weergegeven - dat verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe in de kern aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde geen oogmerk heeft gehad op misleiding. Sluitend bewijs ontbreekt dat verdachte doelbewust heeft meegewerkt aan een valse schuldbekentenis en dus aan een valse hypotheekverstrekking. (…).
Beoordeling door het hof
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de hieronder gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof zal - voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank na eigen onderzoek onderschrijft - overwegingen van de rechtbank citeren en die dan gecursiveerd weergeven. Waar in de cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ of ‘vonnis’ staat vermeld, moet respectievelijk ‘het hof en ‘arrest’ worden gelezen.
[A]
Ltd. op Malta (hierna: [A] ) is op 11 oktober 2006 geregistreerd in Malta. Verdachte en [medeverdachte] waren vanaf de oprichting tot 4 mei 2010 beiden voor 40% aandeelhouder van [A] . Na 4 mei 2010 zijn verdachte en [medeverdachte] beiden voor de helft aandeelhouder. Het bedrijf werd bestuurd door [betrokkene 3] , directeur van trustkantoor [B] te Malta. [A] heeft geen eigen personeel, beschikt niet over voorraden en de beslissingen aangaande [A] werden door [medeverdachte] genomen. Uit de jaarstukken over 2009 en correspondentie van verdachte blijkt dat de enige waarde die [A] heeft, voortvloeit uit een vordering van [A] op [C 1] BV ten bedrage van € 278.274,--. Getuige [betrokkene 3] heeft verklaard op de vraag wie er diensten en/of goederen afnemen van [A] : " [D] "(het hof begrijpt: [D] Ltd).
Het wordt doorberekend. Het gaat niet om werkelijke aankopen.
[E]
Op 3 mei 2007 is [D] Ltd geregistreerd in St. Kitts and Nevis (hierna: [E] ). Verdachte en [medeverdachte] bezaten ieder 40% van de aandelen en zij waren beiden Ultimate Beneficial Owner (UBO, uiteindelijke belanghebbende) in [E] . Vanaf 4 mei 2010 zijn beiden ook van deze onderneming voor de helft aandeelhouder en zij blijven beiden UBO. Uit de door [E] gestuurde facturen over de jaren 2006 tot en met 2013 wordt vermeld dat zij marketing en sales werkzaamheden hebben verricht voor [A] . Op die facturen staan echter geen bankrekeningnummers vermeld.
[C 1]
In de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2009 hield verdachte 26 aandelen in [C 1] BV (Kamer van Koophandel [KvK-nummer 1] ). Daarnaast hield [medeverdachte] vanaf 2006 twaalf aandelen in [C 1] BV. Vanaf 1 januari 2010 zijn beiden ook van deze onderneming voor de helft aandeelhouder. Vanaf 21 december 1998 tot 1 januari 2010 was [medeverdachte] ook directeur van [C 1] BV. Per 28 mei 2010 werd van de rechtspersoon [C 1] BV de statutaire naam gewijzigd in [C 2] BV. Op 15 september 2010 werd vervolgens een nieuwe rechtspersoon met de naam [C 1] BV ( [KvK-nummer 2] ) opgericht. Vanaf het moment van oprichting tot 14 december 2011 is [C 2] BV enig aandeelhouder en bestuurder van [C 1] BV. Na 14 december 2011 is [C 2] BV een belang van 90 % in [C 1] BV blijven houden en staan de overige 10 % van de aandelen op naam van [F] BV.
De rechtbank stelt op basis van het hiervoor overwogene in onderling verband en samenhang bezien vast dat door de bedrijven [A] en [E] geen bedrijfsactiviteiten werden verricht.
In dit vonnis dient onder [C 1] BV zowel [C 2] BV (voorheen [C 1] BV, met [KvK-nummer 1] ) en [C 1] BV ( [KvK-nummer 2] ) te worden begrepen.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (valse opgave in authentieke akte)
De rechtbank stelt op grond van de hierna genoemde bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.
De hypotheekakte van 14 oktober 2010
In 2010 heeft [medeverdachte] in privé de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] gekocht voor € 865.000,--.
In een e-mail die [medeverdachte] op 2 september 2010 aan [betrokkene 3] heeft gestuurd schrijft hij dat aan [verdachte] een bedrag van € 700.000,-- moet worden overgemaakt, met als omschrijving ‘dividend’. [medeverdachte] stelt in die e-mail dat dit de dividend warrants zijn waar hij, verdachte, als aandeelhouder van [E] toe gerechtigd is. Vervolgens laat [medeverdachte] in een e-mail van 3 september 2010 aan [betrokkene 3] weten dat het genoemde bedrag niet onder omschrijving van ‘dividend’ moet worden overgemaakt, maar dat daarbij ‘reimbursement of loan’ moet worden vermeld.
Uit de bankafschriften van verdachte volgt dat op 6 september 2010 en 7 september 2010 een aantal overboekingen heeft plaatsgevonden, waardoor verdachte in totaal ongeveer € 700.000,- op zijn rekening gestort heeft gekregen, aanvankelijk onder vermelding van: ‘as per shareholder agreement’ en vervolgens onder de vermelding van ‘reimbursement of loan’. Vervolgens werd op 12 oktober 2010 een bedrag van € 700.000,-- door verdachte overgeboekt naar [notaris 2] , ten behoeve van de financiering van de hiervoor genoemde woning van [medeverdachte] . [medeverdachte] en zijn echtgenote hebben een hypotheekrecht ten gunste van verdachte gevestigd tot een bedrag van € 700.000,--, te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 245.000,--, derhalve in totaal tot een bedrag van € 945.000,--, op de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . In die akte is opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen verdachte blijkens zijn administratie van [medeverdachte] en zijn echtgenote, zowel van hen samen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van:
-
“verstrekte en/of te verstrekken geldleningen,
-
verleende en/of te verlenen kredieten,
-
door de debiteur ten behoeve van de schuldeiser gestelde en/of te stellen borgtochten en/of contragaranties,
-
door de schuldeiser afgegeven en/of af te geven borgtochten en/of (schuldeiser)garanties,
-
huidige en/of toekomstige parallelle schulden jegens de schuldeiser als zekerhedenagent,
-
huidige en/of toekomstige regresvorderingen,
-
huidige en/of toekomstige vorderingen krachtens subrogatie,
-
huidige en/of toekomstige financiële instrumenten, waaronder mede begrepen derivatencontracten, en/of
-
uit welken anderen hoofde dan ook.”
Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman betoogd dat verdachte nog een vordering had op [medeverdachte] uit het verleden en dat zij nog met elkaar moesten afrekenen. Zij hebben die ten onrechte betiteld als een “ereschuld”. Achteraf bleek die vordering begroot te kunnen worden op een bedrag van € 636.849,-.
Het Hof acht deze stelling van de verdediging niet aannemelijk geworden, nu deze schuld nergens is gedocumenteerd en uit de overige inhoud van het dossier evenmin steun is te vinden voor het bestaan van een dergelijke vordering van verdachte op [medeverdachte] . De enkele bijlage bij de pleitnota met daarin een opsomming van enkele bedragen en een totaalbedrag dat een vordering van verdachte op [medeverdachte] zou moeten inhouden is daartoe volstrekt ontoereikend. Ten overvloede merkt het hof op dat de stelling dat sprake zou zijn van enige vordering in strijd is met de inhoud van genoemde e-mails en de omschrijvingen bij de overboekingen.
Het hiervoor overwogene en in het bijzonder het gegeven dat verdachte in totaal een bedrag van (ongeveer) € 700.000,-- van [medeverdachte] kreeg overgemaakt dat overeenkomt met het aan [medeverdachte] toekomende dividend, net voordat verdachte zelf een bedrag van € 700.000,--. overmaakte aan de notaris, leidt de rechtbank tot de conclusie dat tegenover het hypotheekrecht geen lening of andere (financiële) verplichting van [medeverdachte] stond. Naar het oordeel van de rechtbank wilde verdachte met het doen opstellen van de hypotheekakte van 14 oktober 2010 fingeren dat [medeverdachte] dit bedrag van verdachte had geleend en tot zekerheid van nakoming van zijn verplichting tot terugbetaling van die ‘lening’ aan verdachte, vermeerderd met rente en kosten, ten gunste van verdachte een recht van hypotheek op de hiervoor genoemde woning met aanhorigheden werd gevestigd, terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een lening maar van een zogenaamde loan-back constructie.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] in de hypotheekakte van 14 oktober 2010 in strijd met de waarheid heeft doen opnemen dat een hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden uit hoofde van een geldlening van € 700.000,--, vermeerderd met rente en kosten, terwijl op het moment van het vestigen van dat hypotheekrecht geen lening of andere (financiële) verplichtingen van [medeverdachte] en/of zijn echtgenote tegenover stonden.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde (opzet- dan wel schuldwitwassen)
De rechtbank dient als eerst de vraag te beantwoorden of het geld dat verdachte ontving een criminele herkomst had. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vennootschapsbelasting
Door [A] werden facturen aan [C 1] BV gestuurd, die vervolgens door [C 1] BV als zakelijke kosten werden opgevoerd, terwijl, zoals vastgesteld, door [A] helemaal geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden. Door deze constructie werd een aftrekpost voor de vennootschapsbelasting gecreëerd. Ook werden door [A] facturen aan derden gestuurd, terwijl de op die facturen genoemde werkzaamheden feitelijk door [C 1] BV hadden plaatsgevonden. Hierdoor werd omzet verschoven van [C 1] BV naar [A] , waardoor te weinig omzet in [C 1] BV werd verantwoord. Vervolgens werden door [C 1] BV over de jaren 2006 tot en met 2012 opzettelijk onjuiste aangiften vennootschapsbelasting gedaan, waardoor in die jaren te weinig vennootschapsbelasting werd afgedragen.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van de onderneming is voldaan, aangezien de onderneming geadresseerde is van de norm en de verboden gedragingen aan de ondernemingen kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen. De rechtbank acht het opzet van [C 1] BV ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de feitelijke gang van zaken binnen de ondernemingen en het gevoerde beleid door de (feitelijke) directie zoals hiervoor beschreven.
De rechtbank stelt op grond van het hiervoor overwogene en in het bijzonder de centrale rol die [medeverdachte] binnen [C 1] BV, [A] en [E] heeft gespeeld en de wijze van verantwoording van omzet binnen de aan hem gelieerde bedrijven, vast dat [medeverdachte] opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan het doen van opzettelijke onjuiste aangiften vennootschapsbelasting door [C 1] BV. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de bedragen die door [medeverdachte] aan verdachte zijn overgemaakt, met een totaal van ongeveer € 700.000,--, geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn.
Wetenschap dan wel vermoeden van criminele herkomst
Vervolgens dient te worden vastgesteld dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte was betrokken bij de oprichting van [A] en [E] . Ook blijkt uit de e-mailcorrespondentie van [medeverdachte] met het trustkantoor op Malta dat hij de informatie zou delen met zijn partners. Verdachte is daarnaast tenminste één keer bij een bespreking geweest op Malta, gelet op de e-mailwisseling van 26 april 2011.Het hof maakt hieruit op dat verdachte ook betrokken was bij de bedrijfsvoering.
Voorts heeft verdachte kennis genomen van de e-mailwisseling tussen [medeverdachte] en [betrokkene 3] , waarin de overboekingen naar verdachte van in totaal ongeveer € 700.000,-- werden besproken. In deze e-mailwisseling werd expliciet uiteengezet welke bedragen van welke bankrekeningen met welke omschrijvingen naar verdachte dienen te worden overgemaakt. Verdachte werd CC in deze mailwisseling meegenomen en heeft daarvan kennis genomen.
Voorts heeft verdachte met [medeverdachte] een constructie opgezet met fictieve rentebetalingen, waarbij de door [medeverdachte] betaalde rente onderling werd verrekend, zodat feitelijk geen rente werd betaald.
Het hof is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden ten aanzien van zowel het onder 1 als onder 2 tenlastegelegde, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wist dat de € 700.000,- die hij van [medeverdachte] ontving in ieder geval deels afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte wist namelijk dat hij geldbedragen ontving afkomstig uit dividendrechten van [medeverdachte] , waar geen financiële verplichting tegenover stond. Van het bestaan van een vordering van verdachte op [medeverdachte] is immers niet gebleken. Met het vervolgens doen opnemen van een valse opgave in de hypotheekakte van 14 oktober 2010 was - zoals het hof hiervoor heeft overwogen - geen ander doel gediend dan het verschaffen van een legitieme herkomst aan het geldbedrag van ongeveer € 700.000,- afkomstig van de Maltese bankrekeningen.
Verbergen en/of verhullen
Voor een bewezenverklaring van witwassen is tot slot vereist dat sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Door verdachte is een bedrag van € 700.000,-- overgeboekt naar de derdenrekening van [notaris 2] voor de aankoop van de privéwoning van [medeverdachte] . Tussen verdachte enerzijds (voorgewende schuldeiser) en [medeverdachte] en zijn vrouw anderzijds (voorgewende hypotheekgevers) werd een hypotheekakte opgesteld door het bedrag dat hij had ontvangen van [medeverdachte] weer terug te lenen in de vorm van een hypothecaire geldverstrekking aan die [medeverdachte] , heeft verdachte een schijnbaar legale inkomstenbron gecreëerd voor [medeverdachte] , waarmee [medeverdachte] trachtte te verhullen dat het aankoopbedrag voor de woning met crimineel geld werd gefinancierd. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van hel verbergen en verhullen van de werkelijke aard, herkomst en rechthebbende van dat geld en de woning en tevens aan het overdragen, voorhanden hebben en ontzetten van dat geld.
Conclusies
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] opzettelijk heeft schuldig gemaakt aan witwassen.”

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel ziet zoals gezegd op het onder 1 bewezen verklaarde. In de eerste plaats wordt geklaagd dat bewezen is verklaard dat de hypotheekakte in strijd met de waarheid inhoudt dat een hypotheekrecht is gevestigd, terwijl uit bewijsmiddelen niet blijkt dat er geen hypotheek is gevestigd. Dat de geldvordering ten behoeve waarvan het zakelijk recht van hypotheek is gevestigd volgens het hof kennelijk valselijk is opgemaakt doet daar niet aan af nu dit niet de 'valse opgave' is die bewezen is verklaard, aldus de stellers van het middel. Voorts klagen zij dat de vaststelling dat het recht slechts is gevestigd wegens een reeds verstrekte geldlening en/of op het moment van het vestigen van het hypotheekrecht nog geen lening of andere (financiële) verplichtingen van [medeverdachte] en/of zijn echtgenote daar tegenover stonden voorts in strijd is met de vaststelling van het hof dat het recht van hypotheek is gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen verdachte blijkens zijn administratie van [medeverdachte] en zijn echtgenote, zowel van hen samen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben, uit welke hoofde dan ook. Voorts bevat het middel nog een klacht over de bewezenverklaring voor zover daarin staat ‘met het oogmerk om die akte
of een afschrift daarvante gebruiken of door anderen te doen gebruiken’. Bij het slagen van deze klachten kan ook de bewezenverklaring van feit 2 niet in stand blijven, aldus de stellers van het middel.
4.2
Het onder 1 bewezen verklaarde is toegesneden op art. 227 lid 1 Sr Pro, dat luidt:
“Hij die in een authentieke akte een valse opgave doet opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
4.3
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het in art. 227 lid 1 Sr Pro gestelde vereiste dat de in die bepaling bedoelde opgave in een authentieke akte moet betreffen een feit “van welks waarheid de akte moet doen blijken”, dient te worden getoetst aan de regels voor de bewijskracht van authentieke akten in de wet gesteld. Aan dat vereiste is voldaan wanneer de akte is bestemd om van de waarheid van dat feit te doen blijken. [1]
4.4
Het hof heeft bewezen verklaard (zie randnr. 3.1) dat de verdachte in de hypotheekakte van 14 oktober 2010 opzettelijk een valse opgave heeft doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken. Die valse opgave bestaat volgens de bewezenverklaring hierin dat in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000,- (te vermeerderen met € 245.000,-) op een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van de [verdachte] en/of [betrokkene 1] , met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te (laten) gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid. Uit de bewijsmiddelen zal aldus moeten blijken dat in de hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat – kort gezegd – een hypotheekrecht is gevestigd. En dat zal – aldus de Hoge Raad – (mede) moeten worden getoetst aan de regels voor de bewijskracht van de authentieke akte zoals in de wet gesteld. Hoewel het mogelijk voor de afdoening van de zaak minder relevant is, zal ik voor een goed begrip van de zaak eerst stilstaan bij die bewijskracht en de regels rondom het vestigen van een hypotheekrecht.
4.5
Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren, aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen (art. 156 lid Pro 2, eerste volzin, Rv). Ingevolge art. 157 lid 1 Rv Pro leveren authentieke akten tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard. [2] Een notaris heeft de bevoegdheid om authentieke akten te verlijden in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij zulks van hem verlangt en andere in de wet aan hem opgedragen werkzaamheden te verrichten (art. 2 lid 1 Wet Pro op het Notarisambt). Een hypotheek wordt gevestigd door inschrijving van een notariële akte in de openbare registers, zo bepaalt art. 3:260 lid 1 BW Pro. Een hypotheekakte is dus een authentieke akte. [3]
4.6
Art. 3:260 BW Pro luidt verder – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Hypotheek wordt gevestigd door een tussen partijen opgemaakte notariële akte waarbij de hypotheekgever aan de hypotheekhouder hypotheek op een registergoed verleent, gevolgd door haar inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers. De akte moet een aanduiding bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald. Tevens moet het bedrag worden vermeld waarvoor de hypotheek wordt verleend of, wanneer dit bedrag nog niet vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van de hypotheek op het goed kan worden verhaald. De hypotheekhouder moet in de akte woonplaats kiezen in Nederland.
4. Voor het overige vinden de algemene voorschriften die voor vestiging van beperkte rechten op registergoederen gegeven zijn, ook op de vestiging van een hypotheek toepassing.”
4.7
Van belang is verder dat hypotheek een afhankelijk recht is. Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig is verbonden, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan (art. 3:7 BW Pro). Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn (art. 3:82 BW Pro). Het tenietgaan van het hoofdrecht heeft tot gevolg dat ook het afhankelijke recht vervalt. Zo gaan afhankelijke rechten die zijn verbonden aan een vorderingsrecht teniet door het tenietgaan van het vorderingsrecht. De afhankelijkheid van het hypotheekrecht is echter gerelativeerd doordat is toegestaan dat dit zekerheidsrecht (mede) wordt gevestigd voor toekomstige vorderingen (art. 3:231 BW Pro). Deze mogelijkheid brengt mee dat een recht van hypotheek kan bestaan ook indien er op dat moment geen vordering (meer) bestaat. Dit wordt ook wel een bankhypotheekrecht genoemd. [4]
4.8
Voor de vestiging van een recht van hypotheek gelden ingevolge art. 3:98 BW Pro verder dezelfde eisen als voor overdracht van een goed (art. 3:84 BW Pro). Er moet sprake zijn van 1) een twee- of meerzijdige handeling waardoor de vestiging geschiedt én de inachtneming van zekere formaliteiten waaruit de vestiging blijkt, 2) een geldige titel, waaronder hier wordt verstaan een rechtsverhouding die tot de vestiging van het zekerheidsrecht verbindt, en 3) de bevoegdheid van degene die zijn goed bezwaart om dit goed te verhypothekeren. [5] Een aan de vestiging ten grondslag liggende rechtshandeling kan echter nietig zijn wegens bijvoorbeeld schending van een vormvoorschrift (art. 3:39 BW Pro) of strijd met de wet, goede zeden of openbare orde (art. 3:40 BW Pro). [6] Er ontbreekt dan een geldige titel en daardoor komt geen hypotheekrecht tot stand.
4.9
Uit de bewijsvoering zoals die door het hof in het Promis-arrest is weergegeven (zie randnr. 3.2) kan het volgende worden afgeleid. De [medeverdachte] heeft in 2010 de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] heeft gekocht. De verdachte heeft op 6 en 7 september 2010 in totaal ongeveer € 700.000,- op zijn rekening ontvangen. Op 12 oktober 2010 heeft de verdachte € 700.000,- overgemaakt naar [notaris 2] ten behoeve van de financiering van de hiervoor genoemde woning van [medeverdachte] . [medeverdachte] en zijn echtgenote hebben op de woning ten gunste van de verdachte een hypotheekrecht gevestigd tot een bedrag van in totaal € 945.000,-. In de akte is opgenomen “dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen verdachte blijkens zijn administratie van [medeverdachte] en zijn echtgenote, zowel van hen samen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van:
- verstrekte en/of te verstrekken geldleningen,
- verleende en/of te verlenen kredieten,
- door de debiteur ten behoeve van de schuldeiser gestelde en/of te stellen borgtochten en/of contragaranties,
- door de schuldeiser afgegeven en/of af te geven borgtochten en/of (schuldeiser)garanties,
- huidige en/of toekomstige parallelle schulden jegens de schuldeiser als zekerhedenagent,
- huidige en/of toekomstige regresvorderingen,
- huidige en/of toekomstige vorderingen krachtens subrogatie,
- huidige en/of toekomstige financiële instrumenten, waaronder mede begrepen derivatencontracten, en/of
- uit welken anderen hoofde dan ook.”
4.1
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat een door de verdachte gestelde vordering van € 636.849,- niet aannemelijk is geworden. Ten aanzien van de € 700.000,- die de verdachte naar de notaris heeft overgemaakt heeft het hof geoordeeld dat sprake was van een
loan-backconstructie. Dat leidt het hof tot de conclusie dat tegenover het hypotheekrecht (op dat moment) geen lening of andere financiële verplichting stond. Die redenering van het hof kan ik op zichzelf volgen. Dat geldt echter niet voor het vervolg, dat ik hier voor het lezersgemak zal herhalen:
“De rechtbank (VS: ik begrijp het hof) [7] acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] in de hypotheekakte van 14 oktober 2010 in strijd met de waarheid heeft doen opnemen dat een hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden uit hoofde van een geldlening van € 700.000,-, vermeerderd met rente en kosten, terwijl op het moment van het vestigen van dat hypotheekrecht geen lening of andere (financiële) verplichtingen van [medeverdachte] en/of zijn echtgenote tegenover stonden.”
4.11
Deze overweging van het hof is om twee redenen problematisch:
1) Dat de verdachte in de hypotheekakte heeft doen opnemen dat “een hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden uit hoofde van een geldlening van € 700.000,-, vermeerderd met rente en kosten” blijkt niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Daarin staat immers dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van – kort gezegd – al hetgeen de verdachte blijkens zijn administratie van [medeverdachte] en zijn echtgenote te vorderen heeft uit welke hoofde dan ook, nu en in de toekomst.
2) Verder is niet bewezen verklaard dat de valse opgave in de hypotheekakte erin bestaat dat de verdachte “in strijd met de waarheid heeft doen opnemen dat een hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden uit hoofde van een geldlening van € 700.000,-, vermeerderd met rente en kosten.” Er is bewezen verklaard dat de verdachte in strijd met de waarheid in die akte heeft doen opnemen dát een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000,-, vermeerderd met rente en kosten, op een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van de verdachte en/of [betrokkene 1] .
4.12
Dat (wel) een hypotheekrecht is gevestigd, kan rechtstreeks uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Ik herhaal: “ [medeverdachte] en zijn echtgenote hebben een hypotheekrecht ten gunste van verdachte gevestigd tot een bedrag van € 700.000,--, te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 245.000,--, derhalve in totaal tot een bedrag van € 945.000,--, op de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] .” Met de vaststelling dat dat recht strekt tot zekerheid voor de betaling van alle huidige en toekomstige vorderingen uit welke hoofde dan ook, lijkt daarmee te zijn voldaan aan de eisen van art. 3:260 BW Pro. Waarom dat niet zo zou zijn, blijkt niet uit de overwegingen van het hof. Het (enkele) feit dat het hof heeft vastgesteld dat de € 700.000,- een (deels) criminele herkomst heeft [8] is mijns inziens daartoe zonder nadere motivering niet voldoende.
4.13
Het middel klaagt hierover terecht. De klacht over de bewezenverklaring voor zover daarin staat “met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken” behoeft daarom mijns inziens geen bespreking. [9] Wel enige aandacht behoeft het volgende. In het middel wordt betoogd dat, nu de bewezenverklaring van feit 1 niet in stand kan blijven, hetzelfde geldt voor de bewezenverklaring van feit 2, omdat het hof in het kader van feit 2 redengevend heeft geacht dat “(m)et het vervolgens doen opnemen van een valse opgave in de hypotheekakte van 14 oktober 2010 (…) geen ander doel gediend (was) dan het verschaffen van een legitieme herkomst aan het geldbedrag van ongeveer € 700.000,- afkomstige van de Maltese bankrekeningen’. Voor de bewezenverklaring van feit 2 (zie randnr. 3.1) is echter slechts relevant dat sprake is van het vestigen van een hypotheekrecht, niet dat in de hypotheekakte een valse opgave is gedaan. Dat sprake zou zijn van een valse opgave in de hypotheekakte komt in de bewezenverklaring van feit 2 immers niet terug. Een vernietiging van ten aanzien van feit 1 tast dus feit 2 niet aan.De in het middel genoemde overweging van het hof kan worden gelezen met weglating van het gedeelte dat sprake was van een valse opgave.

5.Slotsom

5.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft daarom mijns inziens geen bespreking.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 21 februari 2026 is overschreden. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft het onder 1 bewezen verklaarde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1033 en HR 23 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC7086.
2.Ten overvloede wijs ik ook op art. 157 lid 2 Rv Pro, dat luidt: “Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat . Onder partij wordt begrepen de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, voor zover het desbetreffende recht is verkregen na het opmaken van de akte.”
3.De originele (hypotheek)akte (minuut) wordt door de notaris opgenomen in zijn archief (protocol) (art. 38 Wet Pro op het Notarisambt). Aan partijen wordt een afschrift, uittreksel of grosse (een in executoriale vorm uitgegeven afschrift of uittreksel, zie art. 1 lid 1 aanhef Pro en onder g Wet op het Notarisambt) gegeven (art. 49 Wet Pro op het Notarisambt).
4.A.I.M. van Mierlo & K.J. Krzemiński (m.m.v. E.F. Verheul),
5.A.I.M. van Mierlo & K.J. Krzemiński (m.m.v. E.F. Verheul),
6.S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo, in:
7.Het hof heeft deze overweging van de rechtbank onderschreven, zie voor het volledige citaat randnr. 3.2.
8.Onder 2 is kort gezegd bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 12 augustus 2010 tot en met 4 februari 2014 samen met een ander € 700.000,- en de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] heeft witgewassen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wist dat de € 700.000,- die hij van [medeverdachte] ontving in ieder geval deels afkomstig was uit enig misdrijf. Daartegen wordt in cassatie niet opgekomen.
9.Wel wijs ik op hetgeen ik in noot 3 heb opgemerkt.