Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Betrokkene:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel werkt dat betoog in twee onderdelen uit. Onderdeel 1 bestaat uit vier subonderdelen.
andereadvocaat wenste. [4]
andereadvocaat als mogelijkheid is voorgesteld en te vermelden of, en zo ja, wat betrokkene daarop heeft geantwoord.
elkebijstand van een advocaat weigerde. In dat geval blijkt volgens het subonderdeel uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat is voldaan aan de voorwaarden om afstand van het recht op rechtsbijstand te kunnen aannemen, zoals bepaald door de Hoge Raad. [5] Het verklaarde ter zitting geeft aanleiding tot de conclusie dat de wil om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig kon worden aangenomen en er in dat kader reden was tot rechterlijke terughoudendheid. Het subonderdeel wijst er daarbij op dat betrokkene op de vraag van de rechtbank of hij afstand deed van “zijn” advocaat heeft aangegeven dat hij zijn adviseur daarover moest (lees: wilde) raadplegen maar dat deze niet op de hoorzitting aanwezig was. Geklaagd wordt dat de rechtbank de maatstaf uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM [6] onjuist heeft toegepast door onvoldoende terughoudendheid te betrachten bij het bepalen van de (ondubbelzinnige) wil van betrokkene tot het doen van afstand van rechtsbijstand.
onderdeel 1.
dievraag de consequentie te hebben verbonden dat betrokkene afstand heeft gedaan en dat de behandeling dus kan worden voortgezet (en uitspraak kan worden gedaan) zonder bijstand van een advocaat voor betrokkene. Veelzeggend is ook dat de rechtbank in dit verband spreekt van “afstand van de advocaat” in plaats van afstand van het recht op rechtsbijstand. [13]
subonderdeel 1.adat de bestreden beschikking getuigt van een onjuiste rechtstoepassing, omdat, kort gezegd, uit die beschikking, en ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, niet blijkt of de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of betrokkene een andere advocaat wenste.
subonderdeel 1.bslaagt. Als de rechtbank uit de verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wil voeren, heeft afgeleid dat, naar ik het subonderdeel begrijp, betrokkene niet de toevoeging van een andere advocaat wenste en dus afstand van het recht op rechtsbijstand heeft gedaan, is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Niet blijkt immers dat de mogelijkheid van toevoeging van een andere advocaat aan bod is gekomen, hetzij doordat de rechtbank de betrokkene die mogelijkheid uitdrukkelijk heeft voorgehouden, hetzij doordat de betrokkene ervan blijk heeft gegeven van die mogelijkheid op de hoogte te zijn. Nu hiervan niet blijkt, kan uit genoemde verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wil voeren in dit geval niet zonder meer worden afgeleid dat betrokkene toevoeging van een andere advocaat niet wenste en dus afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand.
subonderdeel 1.cslaagt mijns inziens. Dit subonderdeel gaat ervan uit dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat hij
elkebijstand van een advocaat weigert. Met het subonderdeel hiervan uitgaand, wordt terecht geklaagd dat de rechtbank de wil van betrokkene om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig heeft kunnen vaststellen. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene immers verklaard dat hij zijn adviseur zou moeten raadplegen over de vraag of hij afstand doet van zijn advocaat. In het licht van deze verklaring wordt terecht geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat zij de wil van betrokkene tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand (in het algemeen, dus niet alleen door mr. De Groot) ondubbelzinnig heeft vastgesteld.
In dit verband wijs ik ook op de volgende passage uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die over de wil van betrokkene ten aanzien van rechtsbijstand door mr. De Groot niets aan duidelijkheid te wensen overlaat:
in accordance with a procedure prescribed by law” in de zin van artikel 5 lid 1 EVRM Pro. Deze klacht slaagt in het voetspoor van de subonderdelen 1.a, 1.b en 1.c.