Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 januari 2022.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging op grond van de Wvggz verzocht ten aanzien van betrokkene. De mondelinge behandeling vond plaats op 2 juli 2021. De rechtbank vermeldde in haar aantekeningen dat er op die dag geen uitspraak werd gedaan, maar dat de beslissing later telefonisch zou worden meegedeeld. De beschikking van de rechtbank is gedateerd op 6 juli 2021 en vermeldt dat de mondelinge uitspraak op die datum is gedaan.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank op 2 juli 2021 in strijd met art. 30p Rv en de bestaande praktijk haar beslissing en de gronden daarvan mondeling had moeten meedelen en een proces-verbaal had moeten opmaken. De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechtbank op 2 juli 2021 geen uitspraak heeft gedaan, en dat de vermelding in de beschikking dat de uitspraak op die dag is gedaan berust op een vergissing.
De Hoge Raad merkt op dat de handelwijze van de rechtbank niet strookt met de voorschriften van art. 30p Rv en de bestaande praktijk zoals neergelegd in HR 20 april 2018, maar dat dit geen grond vormt voor cassatie. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de rechtbank de uitspraak op 6 juli 2021 heeft gedaan.