ECLI:NL:PHR:2026:213

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
24/00732
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen afwijzing aanhoudingsverzoek wegens termijnoverschrijding

In deze zaak heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad geconcludeerd dat het cassatieberoep van verdachte faalt. Het beroep richt zich tegen de afwijzing van een aanhoudingsverzoek door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij het hof verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep.

De conclusie verwijst naar een samenhangende zaak waarin dezelfde motieven en hetzelfde aanhoudingsverzoek aan de orde zijn. De Hoge Raad constateert ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Desondanks zijn er geen gronden gevonden die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding geven. De Hoge Raad zal daarom het beroep verwerpen. De zaak betreft een verdachte geboren in 1990, en de uitspraak van het hof dateert van 28 februari 2024.

De conclusie benadrukt dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts wordt geconstateerd en niet leidt tot een andere beslissing. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep blijft gehandhaafd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/00732
Zitting3 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 28 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004027-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00731 en 24/00729. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel in de samenhangende zaak met nummer 24/00731 waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde motivering van de afwijzende beslissing door het hof. [1] In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan eveneens worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro geschonden. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een constatering van die overschrijding. [2]
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het verzoek tot aanhouding is gedaan tijdens de gelijktijdige, doch niet gevoegde, behandeling van de samenhangende zaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Het verzoek tot aanhouding en de (motivering van de) afwijzende beslissing zijn echter gelijk aan elkaar.
2.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.