ECLI:NL:HR:2026:480

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/00732
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 416 lid 2 SvArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep na niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in winkeldiefstalzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over winkeldiefstal. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld en stelde hoger beroep in. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep omdat zij niet was verschenen, ondanks dat haar raadsman dit namens haar had aangevraagd. Het hof motiveerde dit met het belang van voortgang van de procedure en het gebrek aan belangstelling van de verdachte om alsnog te verschijnen.

De verdachte stelde cassatieberoep in, maar de advocaat-generaal adviseerde tot verwerping. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof terecht de niet-ontvankelijkheid had vastgesteld. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven omdat de zaak niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit geen reden was om het arrest van het hof te vernietigen. Het vonnis in eerste aanleg is daardoor onherroepelijk geworden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand, waardoor het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00732
Datum24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2024, nummer 21-004027-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.F.J. Kramer bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De Hoge Raad acht geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2026.