Conclusie
betrokkenerespectievelijk
officier van justitie.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
rechtbank) heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van 24 maanden voor de in het verzoek vermelde vormen van verplichte zorg. Dit verzoek wordt onder meer gebaseerd op een medische verklaring die op 15 september 2025 is opgesteld door een onafhankelijk psychiater op basis van een onderzoek in persoon. [4]
Na een aantal goed verlopen begeleide verloven heeft betrokkene zich bij een onbegeleid verlof opnieuw onttrokken aan zorg. Vier dagen later werd zij teruggebracht door de politie, omdat ze was aangehouden wegens overlast. Betrokkene zou momenteel redelijk stabiel functioneren. Sinds de laatste weken is betrokkene echter opnieuw ongeoorloofd afwezig geweest.”
Ondanks dat betrokkene er kennelijk voor heeft gekozen om op het moment van de behandeling ter zitting niet in de kliniek aanwezig te zijn, en zich daarmee in de positie heeft gebracht dat zij niet ter zitting op het verzoek is gehoord, wil de rechtbank haar toch nog een keer in de gelegenheid stellen om alsnog op het verzoek te worden gehoord. Omdat 14 oktober 20[2]5 de laatste dag van de beslistermijn is, is aanhouding van het verzoek geen optie. Dit zou betekenen dat (op grond van artikel 6:6, lid 2, Wvggz) de op 29 oktober 2024 voor een jaar verleende zorgmachtiging per 15 oktober 2025 zou vervallen, met als gevolg dat aan betrokkene geen verplichte zorg meer zou kunnen worden verleend. Om deze situatie te voorkomen zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van 1 maand, met aanhouding van de beslissing omtrent de langer verzochte duur. De behandeling ter zitting zal binnen deze termijn, op de in het dictum vermelde datum, worden voortgezet.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel IIricht een algemeen geformuleerde klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die ernstig nadeel kan veroorzaken (de in 2.7 geciteerde rov. 4.4-4.6).
dat zij afziet van haar recht om gehoord te worden” [5] , en anderzijds op de veronderstelling dat het bij GGZ Drenthe bekend was dat de feitelijke verblijfplaats van betrokkene [plaats 2] is en zij daar verbleef bij haar moeder van wie het telefoonnummer en e-mailadres bij de instelling bekend waren zodat “
aangenomen dat ook het adres van de moeder bekend is”. Daaruit leidt het onderdeel af dat de rechtbank de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank Amsterdam .
kande rechter, zo nodig ambtshalve, de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechter van dat arrondissement. Verwijzing moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat de bij wet voor de beslissing van de rechter gestelde termijn kan worden gehaald.
Opmerking verdient nog dat het voorgaande onverlet laat
de mogelijkheidom de zaak op de voet van art. 40 lid 2 RO Pro te laten behandelen en beslissen door een rechter van het arrondissement waar de betrokkene inmiddels verblijft.
bevoegdom de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag en was de rechtbank Den Haag bevoegd om op het verzoek te beslissen.”
verplicht wasde zaak naar de rechtbank Amsterdam te verwijzen, onjuist is. Bovendien is, ook als betrokkene haar feitelijke verblijfplaats naar [plaats 2] zou hebben verplaatst (wat feitelijk niet is vastgesteld), de rechter van haar woonplaats nog steeds bevoegd. Het staat vast dat die woonplaats, of dat nu [plaats 1] is of [locatie] , zich bevindt in de provincie Drenthe en daarmee in het arrondissement van de rechtbank Noord-Nederland.
naindiening van het verzoekschrift om een zorgmachtiging, terwijl in de onderhavige zaak betrokkene al feitelijk in [plaats 2] zou verblijven (bij haar moeder of haar broer)
vóórdathet verzoekschrift van de officier van justitie bij de rechtbank is ingediend (op 24 september 2025). Ten eerste staat vast, als gezegd, dat de woonplaats van betrokkene zich onveranderd in Drenthe bevond. Ten tweede staat vast dat betrokkene op die datum al in ‘verplicht kader’ werd behandeld. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat zij ongeoorloofd afwezig was in de kliniek in [locatie] . Zij had na het medisch onderzoek op 15 september 2025 aldaar ervoor gekozen om niet terug te keren van onbegeleid verlof. [7] Ten derde is niet feitelijk vastgesteld wanneer betrokkene naar [plaats 2] zou zijn vertrokken en evenmin of zij daar ook daadwerkelijk verbleef.
onderdeel 1.2.1was bij de rechtbank bekend dat betrokkene bij haar moeder verbleef en de zitting daarom is uitgesteld van 9 tot 15 oktober 2025. Niet is gebleken dat er een oproep naar betrokkene in [plaats 2] is gestuurd (op het adres van haar moeder).
Betrokkene weet van de zitting af.” [9]
Niet uitgesloten is echter dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling.”
onder 1.2.3voegt mijns inziens niets toe aan de klachten onder 1.2.1 en 1.2.2.
de wijze waarop de rechtbank onder de hoorplicht uit probeert te komen […] in strijd [is] met art. 5 lid Pro 1 , aanhef en onder e, EVRM” acht ik misplaatst. Hoewel de rechtbank uit het geheel van feiten en omstandigheden heeft geconcludeerd dat betrokkene bekend was met de zitting maar daar niet heen wilde gaan, heeft de rechtbank – in verband met de (lange) duur van de verzochte zorgmachtiging – beslist haar toch een herkansing te geven, door de zorgmachtiging te beperken tot één maand en een nieuwe zittingsdatum te bepalen zodat zij alsnog kan worden gehoord (zie rov. 4.11).
naar[plaats 2] te reizen betekent de omstandigheid dat betrokkene moeite heeft naar de zitting in haar woonplaats toe te komen niet dat zij niet behoorlijk zou zijn opgeroepen. Indien al sprake zou zijn van ‘financiële perikelen’ betekent dat ook niet dat mag worden aangenomen dat betrokkene wél bereid was zich te doen horen door de rechtbank. Bovendien, als onmacht haar tijdelijk verhinderde naar de zitting te komen maar zij wel alsnog zou willen komen, heeft de rechtbank dat netjes opgelost door haar op 13 november 2025 een herkansing te geven. Voor de tussentijd moest de rechtbank gelet op de wettelijke beslistermijn een beslissing nemen over de verlenging van de aan betrokkene te verlenen verplichte zorg, temeer nu de medische verklaring de noodzaak daarvan ondersteunde.